466. A.M. Brouwer aan O. Noordmans
Utrecht, 2 augustus 1934
Amice frater,
Je schrijven bereikte mij in mijn vacantieverblijf te Voerendaal. Daarom antwoordde ik niet dadelijk. ’t nummer Kerkopbouw1 was toch al op komst, ’t volgende komt half september, op de gewone tijd.2 ’t Is wel goed daarin even op te komen tegen wat Kerkherstel beweert,3 op te sturen aan mr. Stevens.4 Ik begin hoe langer zo meer aan de goede trouw te twijfelen van die heren. In ’t laatste Nieuw Kerkelijk Leven staat: prof. Brouwer beweert wel dat ’t alleen een formele wijziging is, maar er kan ook best iets anders achter zitten. Nu is de bewering toevallig niet van mij; dat is een vergissing, die ‘de secretaris’ niet helpen kan. Maar wat moet je nu met zo iets beginnen? Het spreekt duidelijk uit, dat de heren wel eens wat zeggen waar ook wel eens iets anders achter zit dan ze zeggen. Zo is alle discussie hopeloos. Indertijd zei Cannegieter5 op college over de reorganisatievoorstellen: ‘Men zegt ’t gaat om de ere des Heren, maar het gaat om de ere der heren.’ Ik vond dat toen grof, maar ik kan het nu begrijpen. Ik neig naar de mening, dat Kerkopbouw met zijn reorganisatie-pogingen nu maar niet verder moet gaan: wil men dit niet, goed dan niet; dan houden wij ’t oude; dit lijkt mij tenslotte beter dan aan een onbetrouwbare groep de zaak in handen te geven. ’t Is een zuiver praktische zaak en al ’t geschreeuw van Schriftuurlijk en eis van Gods Woord is òf misverstand òf misleiding. Ik word in deze mening bevestigd door een schrijven, dat ik vandaag van ds. van Niftrik,6 een oudleerling, ontving. Ik heb hem ook gewezen op die veronderstelling in Nieuw Kerkelijk Leven, ‘dat er wel eens wat anders achter kan zitten.’ En verder: 1° dat het nog geen compromis was, omdat het volstrekt niet zeker was, dat het moderamen van Kerkherstel het voorgestelde ook zou honoreren. 2° dat er van verschillende zijden bezwaren waren; dat prof. Lindeboom al heel weinig gezegd heeft en dat er van dreigen geen sprake is geweest.7 3° dat wij toch verschillende dingen nog gewijzigd hadden, en dat men vergeet dat Kerkopbouw van ’t begin af rekening heeft gehouden met ’t voorstel van Kerkherstel en dat ik daarom de voorstelling van zaken van Van Deelen8 beslist moest afwijzen. Maar wat geeft het? Misschien zal Van Niftrik zich nog laten overtuigen.9 Maar de anderen? Onze kerk gaat naar de kelder. De dominees zijn te kleinzielig en te veel partijmensen. En als Rome dan weer regeert, misschien dat een groep dan werkelijk weer christen wordt. Misschien ook heeft Spengler gelijk en is ons Westen aan ’t einde van zijn bloei, en is dit alles symptoom van afgeleefd-zijn en van naderende ondergang.10 Het wordt mij vaak heel moeilijk mij nog warm te maken voor de reorganisatie. Wat geeft reorganisatie waar de mensen onbetrouwbaar zijn en alleen uit eigen partij redeneren? Met hartelijke groeten, tt.
A.M. Brouwer.
(AN)