847. G. van der Leeuw1 aan O. Noordmans
Groningen, 7 april 1949
Amice,
Ik ben je nog steeds een antwoord schuldig op je ontboezeming naar aanleiding van onze bijeenkomst met de rooms-katholieke broeders.2 Het merkwaardige is, dat na die vergadering Miskotte blijkbaar verontwaardigd is heengegaan (ofschoon hij ter vergadering niets heeft gezegd) en jou die verontwaardiging heeft overgedragen,3 terwijl Van der Linde4 zo enthousiast was, dat hij terstond Wending opbelde om het referaat van Van Melsen te publiceren.5 Mijn eigen indruk lag tussen deze beide uitersten. Als minister (en later!) heb ik van de sociaal-politieke houding van onze roomse broeders genoeg gemerkt om ernstig bezorgd te zijn. Toch wil ik doorgaan met roomsen te praten, eenvoudig omdat het christenplicht is. En ik verwacht ook niets van polemiek onzerzijds, al moeten we dat ook wel eens een keer doen en heb ik het onlangs in Wending6 geprobeerd. Wat wij moeten trachten is: een eigen christelijke cultuur te vormen, zoals Rome dat allang heeft gedaan. Zolang wij geen eigen politieke, sociale, esthetische lijn volgen, zullen wij machteloos staan. Hoe maak je het overigens? Ik zou je graag weer eens ergens ontmoeten. Met hartelijke groet je
G. van der Leeuw.
(AN)