887. A.A. van Ruler1 aan O. Noordmans
Hilversum, 23 december 1950
Zeer geachte dr. Noordmans,
Reeds geruime tijd geleden ontving en las ik de overdruk van uw artikel ‘Existentialisme als katholicisme’.2 Maar de drukke arbeid rondom de kerkorde verhinderde mij tot dusver, u voor de toezending van deze overdruk te bedanken. Dat doe ik bij deze. Nu ik nog eens uw stuk heb overgelezen, besef ik, hoezeer het in mij haakt als een angel. Als ik deze angel uit mijzelf zou uittrekken, zou er misschien een stuk van mijn eigen theologische beseffen meekomen. Laat ik de angel zitten, dan zou het er omheen kunnen gaan zweren. Ik durf noch het een, noch het ander te doen. Ik durf mij nauwelijks de situatie ten volle te realiseren. Een en ander hangt uiteraard samen met het feit, dat ik tegenover een van de grondlijnen van uw theologische arbeid onzeker sta. Ik bedoel de dualiteit, welke u eschatologisch aanbrengt tussen het rijk en de schepping. Ik kan uw geschriften namelijk niet anders interpreteren dan van uit deze dualiteit. Ik breng haar in verband met uw aanhankelijkheid aan Augustinus. En waar ik moeite mee heb, dat is juist het feit, dat u deze dualiteit, voor zover ik zie, juist eschatologisch aanbrengt. In ieder geval ziet u, dat ik uw stuk met diep interesse gelezen heb. Met beste wensen voor de feestdagen en het nieuwe jaar en hartelijke groeten, v.h.t.h., uw
A.A. van Ruler.
(AN)