Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Jaren Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9B, Laren Gld.

Weergave
Passages naar Readwise sturen

531. W.A. Hoek1 aan O. Noordmans

Amsterdam, 11 oktober 1935

Amice frater, doctor (nu ook weldra officieel) ecclesiae,

Ik ga u een geschiedenisje vertellen, wonderlijk maar echt gebeurd. Het is van een onderstroming, die bovenstroming werd. Een jaar geleden maakte ik mij hevig verontwaardigd op de synode, omdat zij u de eer (daarom ging het mij in de eerste plaats, want een katheder bezet gij reeds) van het kerkelijk hoogleraarschap niet had aangedaan. Nog geen half jaar geleden uitte ik in een ‘in memoriam’ aan Plooij2 gewijd, mijn verwondering - de beroemde ‘pijnlijke’ - dat de theologische faculteit van Amsterdam bij het jubileum der universiteit vier buitenlanders doctor honoris causa had gemaakt en de ene binnenlander, die het m.i. toekwam, niet. (Plooij had mij verteld, dat hij dit wel gewild had). Na dit alles zult ge volgens alle logica verwachten, dat toen mij op een morgen in deze week nog in bed uit het Hervormd blad de grote tijding gewerd, ik in een pallieter-achtig jolijt de dekens had weggetrapt en hoeraënd verrezen was. Doch niets van dit al. Mijn reactie was een tamelijk mat ‘o, dat is aardig’. Deze matheid is gebleven tot op het uur van heden. Onderstromingen kunnen vaak zeer onlogisch zijn. De verklaring. In de laatste tijd zijn mijn ogen wagenwijd opengegaan voor deze humor van eer, door mensen aan mensen aangedaan. Een parabel. Onder de spreeuwen in Verwolde3 is een uitblinker. Hij vliegt hoger en sneller dan de anderen, of - geestelijker - hij kwettert melodieuzer en diepzinniger. Dus moet hij geëerd worden. Reünie in de ‘dikke boom.’4 Een opperspreeuw houdt een toespraak en een andere dignitaris bindt hem een rood lintje om. Daar mag hij nu voortaan mee rondvliegen. Misschien komt ge hem wel eens tegen in het ‘Rozelaantje’5 en denkt er het uwe van. Ge ziet, dat ik de ouderdom begin te naderen en tevens onder het ‘sub specie aeternitatis’6 raak. Het eerste is geen verdienste en het tweede is louter genade. Doch de genade pleegt ‘middelen en wegen’ te gebruiken en gij zijt mij dat geweest. Kan ik het helpen, dat o.a. uw woord over de persoonlijkheid als ‘een zwelling van de aardse bodem’ (vrij geciteerd)7 en zovele andere woorden, waarin gij al het aardse in een transcendentaal ‘ootje’ neemt, er zo diep zijn ingegaan? Zodat nu de leerling, misschien plus royaliste que le roi, niet eens meer uitbundig hoeraën kon. Plechtig gezegd: ik grijp deze gelegenheid aan, om u en de uwen een beetje mat te feliciteren (het recht heeft zijn loop gehad en de delinquent aanvaarde het vonnis) en van ganser harte te danken. Alleen in het laatste ligt Eeuwigheid. Met hartelijke groet, tt.

W.A. Hoek.

(AN)

Noten

  1. 1

    W.A. Hoek (1885-1975), herv. pred. te Anloo 1911, Laren (Gld.) 1913, Amsterdam 1922-1951, was een tijdlang secretaris van het tijdschrift Stemmen voor Waarheid en Vrede en van de Ethische Vereniging in de tijd, waarin G. van der Leeuw daarvan voorzitter was. Hoek schreef een pocket over Kohlbrugge, waaruit duidelijk wordt dat ON hem de weg naar deze theoloog wees: H.F. Kohlbrugge. De Onheilige heilige (Amsterdam 1964 Carillon-reeks nr. 28).↩

  2. 2

    D. Plooij (1877-1935), hoogleraar NT UVA 1926 en RUU 1932, schoonzoon van ds. E.B. Gunning (1836-1905), zie jaarboek KNAW (1935), 235-238.↩

  3. 3

    Landgoed in de gemeente Laren van de familie Van der Borgh van Verwolde.↩

  4. 4

    De dikste eikenboom van Nederland op het landgoed ‘Verwolde’.↩

  5. 5

    Een bekend wandelpad op het landgoed ‘Verwolde’.↩

  6. 6

    Lat.: onder het licht der eeuwigheid.↩

  7. 7

    ‘De Zwitserse theologie’, VW 3, 561v.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 530. Joh. de Groot aan O. NoordmansLaren Gld.532. G. Smit aan O. Noordmans →