552. H. Mondt1 aan O. Noordmans
Zelhem, 21 oktober 1935
Hooggeachte vriend, doctor Noordmans!
Welk een gewichtige week ligt er achter u, mij dunkt één van de mooiste van uw leven. De bekroning van veel strijd en studie, van veel vroeg opstaan en laat naar bed gaan. Van harte hebben ook wij in de pastorie van Zelhem met u en de uwen meegeleefd. Het was juist een drukke week. Zodat ik wel ’n paar dagen te laat ben met mijn gelukwensen maar uw doctorstitel is zo spoedig niet vergeeld. Al degenen die dankbaar genoten hebben van uw geschriften hebben in uw promotie a.h.w. de betaling van hun dankbaarheid gevonden. Het is al weer jaren geleden, ik was nog student, toen ik uw brochure las Geloven op gezag2 en sindsdien hebben vooral uw Geestelijke Perspectieven3 mij veel gegeven. Tot mijn spijt was ik niet in de gelegenheid, de reis naar Groningen te maken. Maar ge zult wel overtuigd zijn dat de leden van ‘De Regenboog’ niet weinig gecoiffeerd zijn met hun voorzitter. Op onze eerstvolgende vergadering zullen we tenminste nog wel eens ’n hoeraatje aanheffen! Welk een voorrecht heeft de Heer u geschonken, dat ge dit nog in volle kracht en gezondheid beleven mocht, al zijt ge dan niet zo jong meer. En uw kinderen beleven dit alles nu ook veel meer bewust dan wanneer ze nog klein waren geweest. Uw dochter is immers zelf alumna van de Groningse universiteit?4 Ontvangt met mevrouw onze hartelijke groeten. Tot weerziens! Uw toegenegen,
H. Mondt.
(AN)