Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Jaren Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9B, Laren Gld.

Weergave
Passages naar Readwise sturen

553. J. Koopmans1 aan O. Noordmans

’s Heer Hendrikskinderen, 22 oktober 1935

Hooggeachte dr. Noordmans,

Zeer dank ik u voor uw prompte repliek2 - hoewel ik niet kan ontkennen, dat het in zekere zin een slag was. Ik had me in de ‘orthodoxie’ al zo ingeleefd, dat het me heel veel kost om er voorlopig van te scheiden. De scheiding zal echter slechts van voorlopige aard zijn. Drie dingen uit uw brief hebben tenslotte de doorslag gegeven. In de eerste plaats: het bezwaar van het al te ruime vaarwater, dat u met prof. van Rhijn3 deelt. Ik heb dat van den beginne toegestemd. In de tweede plaats: het gevaar voor ‘kerkelijke begrippen-mythologie’. Dat is iets, waar ik stellig te weinig op verdacht ben. En tenslotte: de ‘confessionele helderheid’, die de doop door Calvijn behoeft. Daarmee hebt u mij geschoten en in de roos getroffen. Nu stel ik aan prof. van Rhijn (die ik al een ogenblik voor bijvoorbeeld Berkelbach4 dacht te ruilen) het volgende voor: ik ga op zoek naar Calvijn’s gedachten over de Oude Kerk. Wat Luther en Melanchthon in de geschriften, die ik in mijn doctoraal-scriptie heb besproken, hebben samengevat, ligt bij Calvijn verspreid. De stof van de scriptie, aangevuld met Erasmus, dient als inleiding. Deze stof heb ik al geheel bijeen; en dit mag vooral niet meer dan een schets zijn. Dan verzamel en orden ik, wat Calvijn zegt over de kerkelijke traditie; de betekenis der concilies en haar symbolen; het ‘gezag’ der patres; de oudkerkelijke terminologie; het oude dogma. - Dan laat ik verder de discussie der 16e eeuwers rusten; en ook naar de genesis van Calvijns gedachten wordt niet teveel gezocht. Het wordt dus ’n rustig stukje kerkhistorie, al zal ik het onderaards gerommel der eigenlijke probleemstelling wel blijven vernemen. Intussen dank ik u nogmaals zeer voor uw ingrijpende raad. Ik verwonder mij erover, hoe u me na ’n enkele ontmoeting door blijkt te hebben - terwijl ik toch meen voor mezelf niet geheel een vreemdeling te zijn. Met vriendelijke groeten en de meeste hoogachting, uw dw.

J. Koopmans.

(AN)

Noten

  1. 1

    J. Koopmans, zie brief nr. 456 (22.5.1934), n. 16.↩

  2. 2

    Zie brief nr. 548 (19.10.1935).↩

  3. 3

    M. van Rhijn, zie brief nr. 346 (29.11.1924), n. 7.↩

  4. 4

    Zie brief nr. 415 (27.4.1932), n. 3.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 552. H. Mondt aan O. NoordmansLaren Gld.554. H.C. Valeton aan O. Noordmans →