Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Jaren Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9B, Laren Gld.

Weergave
Passages naar Readwise sturen

652. J.A. Cramer1 aan O. Noordmans

Bilthoven, 10 september 1940

Waarde Heer en Vriend,

Voor enige tijd las ik uw boek Liturgie2 waarin ge de protestantse kerk met de roomse tegenover de Grieks-orthodoxe méér naar de kant van de wereld openstaande schilderdet. Met grote ingenomenheid heb ik uw boek gelezen, al ga ik niet in uw beschouwingen met u mee. Daarover straks. Maar de aanleiding tot dit schrijven is wat ik in het memorandum van de Europäische Zentralstelle für kirchliche Hilfsaktionen las, mij een paar dagen geleden toegezonden. Daar is een congres van orthodoxe theologen in Athene geweest, waarvan de acta zijn gepubliceerd door de bekende professor Hamilcar S. Alivisatos.3 Ik lees in dit memorandum o.a. dit: ‘In dem vorliegenden, höchst bedeutsamen Band versucht die orthodoxe Theologie das theologische Erbgut der kirchlichen Tradition neu zu erfassen und damit von der altchristlichen Dogmatik her einen neuen Standpunkt, mitten in der modernen Welt zu gewinnen ... Es handelt sich hier ... um die Bildung eines neuen kirchlichen Bewusstseins. Dieses wird nicht gewonnen lediglich aus der Tradition, oder aus den persönlichen oder kirchlichen Frömmigkeit, sondern aus einer theologischen Neubestimmung ... Die kirchliche Theologie des griechisch-katholischen Kirchtums ... kann von einer eigentlichen theologischen Renaissance reden ... Diese theologische Erneuerung hat die Fenster auch nach der abendländische Theologie weit aufgetan ... Es ist dieser Theologie bewusst, dass die praktische kirchliche Arbeit von der Theologie her die wesentlichen Anregungen empfängt, wie z.B. die Fragen der Liturgie, der Messen, der Neugestaltung der Beziehungen zwischen Kirche und Kultur, Kirche und Staat, Kirche und soziale Fragen. Die orthodoxe Theologie lehnt ... die abendländische Auffassung, wonach die orthodoxe Kirche <...?> und unfähig ist ein neues geistiges Leben hervorzubringen, als eine Missdeutung und als ein Missverständnis ab.’ Dan wordt in het memorandum gewezen op de theologische ‘Auseinandersetzung’ van de orthodoxe kerk met de ‘abendländische Kirchenwelt’ en op de ‘Betonung der Vergänglichkeit der Güter dieser Welt in Hinblick auf die Ewigkeit, sowie die Lebendigkeit des eschatologischen Gedankens und die Verbindung von kirchlicher Autorität mit demokratischer Struktur der Kirche.’ Ik dacht dat deze dingen u wel zouden interesseren. Maar ik schrijf nog om een andere reden, en wel om deze, dat ik helemaal niet begreep, waar die liturgische beweging voor dient, leuzen als meer solide <...?> van het ‘sacrament’, in welk geval ik van de liturgische beweging minder moet hebben dan ooit. Dat <in?> een rijker uitgebreide liturgie de gemeente meer actief aan de eredienst deelneemt, vind ik een onjuiste veronderstelling. Wanneer het Woord wordt verkondigd door iemand, die zich bewust is heraut Gods te zijn, wordt de gemeente met de prediker actief aan het werk gezet en wanneer de prediking in de loop der tijden aan kracht verliest, is de gemeente het <...?> om het Woord Gods in zich op te nemen en te <...?> dan helpt alle ontwikkeling van liturgische handelingen, opstaan, zitten, gemeenschappelijke belijdenis, koorgezang, knielen, enz., enz., niets, en wanneer prediking en gemeente vervuld zijn van de Geest Gods, dan is alle ‘Liturgie’ overbodig, en zal de liturgie, de Godsdienst in het volle leven, zich wel degelijk doen gelden. Ik vind in al dat liturgisch gedoe veel meer een pogen van esthetisch aangelegde mensen om aan een verlangen te voldoen, dat in onze nuchtere protestantse erediensten niet genoeg naar hun gevoel wordt bevredigd. Van der Leeuw, wiens nijdige repliek op uw boek ik las4 (hij kan er niet goed tegen tegengesproken te worden en is een beetje over het paard getild!) is mij te veel estheticus. Ook Gerretsen had die esthetische ader.5 Maar al dat praten over de plaats van de preekstoel, de doopvont, de avondmaalstafel, of over de aard der collecte en dergelijke, wat ze in de tijd van de hagepreken niet deden! vind ik een bewijs, dat de dynamiek der evangelieprediking en de receptibiliteit der gemeente ellendig aan het verslappen is. En hier helpt geen liturgische beweging, hier oordeelt en heiligt en staalt alleen het kruis, dat God de gemeente juist in deze dagen hoe langer hoe meer op de schouders legt. Men stroomt in deze dagen naar de kerk. Ik weet, wij mogen daaraan niet een te groot gewicht hechten. Maar in deze godsdienstoefeningen voelt en hoort men het hart der gemeente kloppen, die dorstig God zoekt en angstig naar Hem vraagt, en zich om geen ‘Liturgie’ ook maar hoegenaamd bekommert! En nu de ‘sacramenten’. Hoe blijft men toch waarachtig in onze kerk daarvan spreken, terwijl het woord in het geheel niet in de bijbel voorkomt, maar door de Griekse ‘mysteries’ in de Latijnse interpretatie van sacramentum via Tertullianus, Cyprianus en Augustinus burgerrecht in de westerse kerk heeft gekregen (Paulus doopte niet en spreekt over het Avondmaal als een middel om de dood des Heren te verkondigen, 1 Cor. 11, en om samenverbonden te blijven in Christus, 1 Cor. 10, en wie hier ‘mystiek’ zoekt, exegetiseert onjuist, zie vers 17. Ik kan na alles wat ik over ‘sacramenten’ heb gelezen geen bijbelse grondslag vinden voor de bewering, dat Christus zich daarin anders aan ons zou geven dan in het Woord. Hoe vaak heb ik het avondmaal bediend en steeds heb ik daar in niets anders kunnen zien dan een verkondiging van het evangelie, een heenwijzing naar de komende Heer, zonder één enkele stoornis door het mensenwoord. Wij bederven door ons woord zoveel. Daarom zijn doop en avondmaal de reinste evangelieverkondigingen die ik voor niets in de wereld zou willen missen en die de ecclesia militans evenmin kan ontberen in haar strijd als een strijdende legerafdeling haar krijgsbanier. Door doop en avondmaal willen wij de gemeente aanmoedigen de kruisbanier tot in Gods handen te dragen en het leven te maken tot één dóórlopende liturgie of Godsdienst. Waarom dan altijd van ‘sacramenten’ gesproken en een terminologie met de roomse kerk behouden, die niets dan verwarring sticht? Dat Luther en Calvijn, die toch in de roomse kerk die zegen der eucharistie hadden ondervonden en niet radikaal de consequenties van hun reformatorisch beginsel konden trekken, integendeel, vol piëteit daaraan bleven vasthouden zover dat mogelijk was, is te begrijpen en zeer verklaarbaar. Luther bleef met zijn consubstantialeer rooms, want die leer heeft altijd in de roomse kerk burgerrecht gehad. Calvijn brak ermee, maar niet zo beslist als Zwingli. Mijns inziens is Calvijn uit vrees voor het spiritualisme onrechtvaardig geweest in zijn beoordeling van de Zwitserse reformator en wij, tegenwoordige protestanten, gaan nog veel te veel in dat oude zog mee. Zwingli was heus zo’n rationalistische geest niet, als waarvoor velen hem houden. Ik heb in een artikel over de avondmaalsleer bij Calvijn (in de Nieuwe Theologische Studiën van verleden jaar)6 trachten aan te tonen, dat Calvijn veel dichter bij Zwingli stond, dan hij in de regel meende. Men heeft op dat artikel gezwegen. Waarom valt men mij niet aan, niet met algemene beweringen, maar op exegetische gronden. Alleen de oude gereformeerde hoogleraar Honig7 zond mij een waar getuigenis van instemming en wanneer ik dat vertelde, antwoordde men mij lachend dat de man te oud en te goedmoedig is om au sérieux te worden genomen! Zó handelt onze vaderlandse theologie. Van der Leeuw meent met enkele hooghartige woorden zich van mijn beschouwing te kunnen afmaken.8 Op mijn repliek9 heeft hij niet geantwoord. Mijns inziens is onze theologie erg aan het ontaarden. Men heeft geen oorspronkelijke mening meer, maar leest allerlei geschriften en trekt dan na lezing zijn conclusies. Waar blijft de eigen frisse kijk op de dingen? Vandaar dat al die tegenwoordige geschriften mij zo weinig zeggen en voor mij grotendeels vermoeiing des geestes zijn. Zo b.v. Aalders10 wiens uitgebreide kennis ik bewonder, maar bij wie ik geen oorspronkelijkheid vind. Misschien is mijn oordeel te hard. Maar ik moet mij eens kunnen luchten tegenover iemand in wie ik vertrouwen stel en wiens oordeel mij veel waard is. Vergeef mij daarom deze lange brief. Misschien wordt de ouderdom langdradig zonder zichzelf daarvan bewust te zijn. Deze brief bevat slechts enkele los daarheen geworpen bedenkingen. Systeem zit er niet in. Maar dat komt omdat deze brief een gesprek is met dr. Noordmans en geen monoloog van het in eigen kring zich bewegende ik. Met hartelijke groeten, tt.

J.A. Cramer.

(AN)

Noten

  1. 1

    J.A. Cramer, zie brief nr. 311 (25.8.1919), n. 1.↩

  2. 2

    VW 6, 45-164.↩

  3. 3

    Procès-Verbaux du Premier Congrès de Théologie Orthodoxe à Athènes 29 nov. - 6 dec. 1936, publiés par les soins du Président Prof. Hamilcar S. Alivisatos, Athènes, Impr. ‘Pyrsos’ S.A. 1939 (tweetalige uitgave: Grieks en Frans). Hamilcar S. Alivisatos (1887-xxx), leidinggevende persoonlijkheid binnen de Grieks-Orthodoxe Kerk, sinds 1948 lid van het centraal-comité van de Wereldraad van Kerken.↩

  4. 4

    VW 6, 165-186.↩

  5. 5

    J.H. Gerretsen (zie brief nr. 620 (26.4.1939), n. 5.↩

  6. 6

    J.A. Cramer, “De Avondmaalsleer bij Calvijn” in Nieuwe Theologische Studiën 22 (1939), 266-282.↩

  7. 7

    A.G. Honig (1864-1940), hoogleraar dogmatiek, ethiek, chr. religie, encyclopedie van de godgleerdheid, Ned. taal- en letterkunde te Kampen 1903-1933. Hij publiceerde naast zijn proefschrift over Alexander Comrie (diss. VU 1892) nog tal van andere werken↩

  8. 8

    G. v.d. Leeuw, ‘Ingezonden (antwoord aan Prof. Cramer, De Sacraments- en Avondmaalsleer bij Calvijn)’ in Kerkopbouw 8 (1939), nr. 8.↩

  9. 9

    Repliek van Cramer, onbekend.↩

  10. 10

    W.J. Aalders, zie brief nr. 348 (26.5.1925), n. 7.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 651. J.H.C. Kamsteeg aan O. NoordmansLaren Gld.653. G. de Ru aan O. Noordmans →