353. J.A. Cramer1 aan O. Noordmans
Utrecht, 5 juli 1926
Geachte Heer Noordmans,
Zoudt ge zo vriendelijk willen zijn mij te willen opgeven, wat ge hebt geschreven liefst zo spoedig mogelijk? Ik wil moeite doen u hier te krijgen in plaats van Slotemaker de Bruïne.2 Veel kans schijnt er niet te zijn, wijl de modernen, naar ik hoor, de meerderheid hebben in de commissie van voordracht. Maar men kan nooit weten en het is onze plicht te doen, wat wij kunnen, wanneer wij menen op Gods weg te zijn. Einde dezer week komt iemand met mij over de zaak spreken. Zou ik woensdag-avond reeds de opgave kunnen hebben? Ik vind u de geschikte man hier voor de studenten, die op dogmatisch gebied heus wel enige voorlichting behoeven van mensen met een heldere blik en bezonken geest en degelijke kennis. Met hartelijke groeten, uw dw. die.
J.A. Cramer.
(AN)