744. J.H.C. Kamsteeg1 aan O. Noordmans
Bergen op Zoom, 29 juni 1945
Beste Noordmans!
We zijn bij Jo en haar man gelogeerd op Stichting Vrederust.2 Het is hier stil en rustig. Vreemd dat we niet meer horen die daverende tanks. Soms word je opeens bewust, dat heus de oorlog voorbij is en dat die ellendige V één’s3 je niet meer zullen verschrikken. Wat waren de dagen toch boos en wat waren de zorgen benauwend vaak. Nu, hier, in de stille rust van de lanen en de tuinen adem je zo op en voel je toch nog de reactie van de bange tijd die achter ons ligt, meer nog dan toen we in Gorssel zaten in het huisje aan de betonweg. We denken nog vaak aan jullie. Hoe zouden ze het nu hebben? Zou er nog geen kans zijn dat ze eigen huis of huisje ergens gaan betrekken? Schermerhorn4 heeft aangaande huisvesting niet zulke heel opwekkende klanken laten horen. Maar ook zonder hem, wisten we toch wel dat er grote woningnood was. We hebben hier in Bergen ook al uitgezien, maar ik heb sterk het gevoel dat je midden in de Sahara eerder een leegstaande woning vinden zult dan hier. Waar nog bij komt, dat ze hier ook nog doen aan vestigingsverbod. Dat doen ze in de Sahara stellig niet. Intussen blijven we biddend uitzien. Doet gijlieden desgelijks? Hoe innig hoop ik toch dat de dagen wat milder voor u beiden geworden zullen zijn. Of nee, niet de dagen, maar de mensen, want die brengen de bitterheid en die woorden met hun angels. Gelukkig dat God ons spijze geeft, die alle bitterheid vergeten doet en ons balsem bereidt die iedere pijn wegnemen kan. Iedere morgen is weer vol van die goedertierenheid. Here, laat onze ogen, dag voor dag, maar open mogen staan om dat te zien. Van de week kreeg ik hier bericht over de kerkelijke herdenkingsdienst van Pasma in Almen.5 Graag was ik er heengegaan. Maar van hier is het onmogelijk. Bovendien ontving ik de kaart op de dag der herdenking zelf. Ben jij er nog heengeweest? Onze Krien schreef dat ze een besloten vergadering had meegemaakt waar Kraemer,6 Gravemeijer7 e.a. gesproken hadden. Ze was vol bewondering voor die mannen en verrukt over die ontplooiing van energie in onze kerk. Maar wat er eigenlijk gesproken was en waarin die energie zich openbaarde, schreef ze niet. Zou ze later wel vertellen, schreef ze. Daar wacht ik nu vol belangstelling op. Soms krijg ik zo’n gevoel van Americanisme over me, als ik zo van die geweldige plannen (kerkelijke pers b.v.) hoor. ‘Bij U schuil ik.’8 Met dit rustgevende woord eindig ik nu maar. Hartelijke gegroet en u beiden God weer opdragende, graag als steeds je vriend
J.H.C. Kamsteeg.
Hartelijke groeten ook van m’n vrouw.
(AN)