835. O. Noordmans aan K.H. Miskotte
Lunteren, 1 januari 1949
Waarde Miskotte,
Hartelijk dank voor je nieuwjaarsbrief en de goede wensen en waarderende woorden daarin vervat. Laat mij maar dadelijk even antwoorden en je wederkerig alles goeds toewensen voor de nieuwe jaarkring. Je artikelen in In de Waagschaal lees ik steeds met verwondering van de rijkdom van je belezenheid en de bewegelijkheid van je dialektische schrijfwijze. Gelukkig dat je steeds meer in je werk komt en voor kerk en theologie je krachten kunt geven. Mijn gezondheid gaat tamelijk. Ik ben beter dan verleden jaar op 1 januari, maar helemaal ‘fit’ ben ik nog niet. Je vermoeden dat ik sommige van mijn meditaties wel eens in bed of leunstoel geschreven kon hebben, is juist. Maar dat was toch het minderdeel; een enkele keer. Ik ben geen bed- of stoelpatient. Ik wandel soms ook wel een uur en heb te Arnhem eens in de maand een cursus waaraan ca. 30 predikanten deelnemen.1 Overigens heb ik het bijwonen van vergaderingen voorlopig stopgezet. Je opmerking over mijn artikel ‘Sodom en Salem’2 komt mij niet helemaal onverwacht, sedert ik in hetzelfde nummer je ‘Het jaar onzes Heren’3 zag afgedrukt. De collisie berust echter op een eigenmachtigheid van de corrector en op de storende invloed daarvan op de verdere lezing van het stuk. De corrector neemt nl. een heel enkele keer de vrijheid, om, als hij de tekst niet begrijpt, hem te wijzigen naar zijn eigen begrip. Zo liet hij mij in de eerste kolom, 9de regel van onderen ‘iets’ schrijven, terwijl er ‘niets’ stond.4 Uit de samenhang blijkt ten overvloede ook wel dat ik ‘niets’ geschreven moet hebben. De astronomische tijd heeft ‘niets geestelijks’. Alleen voorzover het joelfeest5 ons parten speelt, komen wij in een numineuze stemming. Dat is meester Heuvel6 en die stemming wees ik hier af. - De Kerk heeft deze dagen echter ook wel in haar Kalender opgenomen en daardoor van hun aandoenlijkheid ontdaan en in de orde van het geloofsleven ingevoegd, als de wijzen in het Kerstevangelie.7 - Zo schreef ik. Ik dacht aan de Naamgeving van Jezus, welke wijding weer in onbruik is geraakt. Dan dient het de astrologische Jezus, zoals dat bij het Kerstfeest (zonnewende) ook gebeurt.- Dit is dunkt mij duidelijk en niet in strijd met wat ik in Herschepping8 schreef. Bij 2de kolom alinea 1 ging ik dan even daarop door en zag de mogelijkheid om Oud- en Nieuw te zien in verband met Epifanie.9 Zij leken dan op Jachin en Boaz10 bij de ingang van de prediking des Koninkrijks (Marc. 1:15).11 Zich bekeren van Sodom en geloven in het nieuwe Jeruzalem, in Salem.12 Dit heeft met de astronomische tijd niets te maken. Daarvan was reeds gezegd, dat hij niets geestelijks had (n’en déplaise corrector!). Dat dit dan van elke dag en elk uur geldt, is volkomen juist en was ook de bedoeling. Dat geldt ook van de Kerst en van Pasen. Christus moet ook elke dag in ons geboren worden en wij moeten ieder uur met Hem sterven en opstaan. Maar toch hebben wij, tegen de bedenkingen van de vroege gereformeerden in, deze feestdagen op gezette tijden. Ik zie in het Jaar des Heils geen moment, dat meer uitnodigt om ‘Oud- en Nieuw’ kerkelijk te wijden, dan het moment van Marcus 1:15.13 Ik zal in de volgende meditatie14 deze tekst behandelen. Iedere twijfel aan mijn bedoeling in “Sodom en Salem” zal dan wel verdwijnen. Tenzij de corrector mij weer een kool stooft. Wij hebben broodnodig om er in geoefend te worden Oud en Nieuw radikaal te scheiden, elke dag en elk uur. Wij kunnen niet meer leven als wij God niet zien staan, scheidend, tussen alle uren, dagen, maanden, jaren.15 Wij komen om als wij ons het oude moeten voorstellen als een gletscher van zonde en dood, die onafwendbaar op ons aanschuift. Zelfs de ijsperioden weten van bekering. Zouden Rome en de staatsdemonie uitzonderingen zijn? Het eerste wat met name onze jongens nodig hebben is, van deze nachtmerrie verlost te worden. Zij moeten weer leren ademhalen. Het koninkrijk Gods bestaat in de vorm van ‘nabijzijn’. Het is ons nader dan de paus en Stalin. De egel zal de haas vóór zijn. - Dit bij de dag te leven hebben wij en heb ik ook, een beetje geleerd in de bezettingstijd. De Schepping als continue grootheid is in onze tijd niet meer uit te houden. Wij gaan geloven in de dood in plaats van in het leven. In de bezettingstijd leefden wij bij de dag, bij de Engelse zender; in de schuilkelder, toen het front vier dagen lang bezig was over ons heen te schuiven, leefden wij bij het uur; soms bij de minuut. Dat was niet angstig - ik geef nu letterlijk mijn ervaring. Althans was het geen angst, vergeleken bij een langzaam aansluipende dreiging als er nu in de lucht hangt. - Tussen alle uren staat God. Tussen alle mensen ook. Dat werkte, toen het front over ons heen ging, geweldig sportief. Men werd niet moe en men was niet bang. Deze ervaringen zijn zeer algemeen geweest. Het Evangelie moet geheel dit karakter hebben als het een kracht Gods zal zijn. Astronomisch schuiven nieuwe, trieste ijstijden op ons aan. Er is eigenlijk maar een ding op de wereld, dat daartegen op kan en het ook doet: Het koninkrijk Gods, dat als de bliksem schijnt van het Oosten naar het Westen.16 Dit is het enige wat ons geslacht kan helpen en de hele rataplan van Rome en staatsdemonie van de vlakte strijken. Mijn bundel17 waar naar je vaak geïnformeerd hebt, komt in 1949 DV uit bij Holland. Met hartelijke groet, tt.
O. Noordmans.
(AKHM)