Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9B, Lunteren 1945-1955

Weergave
Passages naar Readwise sturen

836. K.H. Miskotte aan O. Noordmans

Leiden, 5 januari 1949

Zeer vereerde Noordmans,

Zelden heb ik zo onmiddellijk een antwoord van u ontvangen. Ik ben zeer tevreden met de twee correcties, dat iets moet zijn: niets - en dat het uiteenwerpen van 1948 en 1949 op de tijd slaat in haar verhouding tot Gods bevrijdend oordeel, of liever op God in zijn verhouding tot de tijd.1 Terwijl ik uw heerlijke uitweiding naging, viel het me in, dat ik misschien in m’n oudjaars-brief2 vergeten heb u óók te danken voor wat u mij persoonlijk in uw pastorale en onderrichtende brieven in het afgelopen jaar hebt willen schenken. Geloof mij, het is zeer veel voor me geweest - al moet ik bekennen, dat het grond-euvel: mijn heimelijke verruktheid over de natuur en het leven, mijn verweven-zijn met het bestaan en de drang-des-bestaans in alle ding,3 wel ongeneselijk schijnt. Het heeft z’n uitloper in een zekere weerloosheid tegenover de vrouwen, die mij onwillekeurig ‘belagen’, omdat ze mij werkelijk zeer genegen zijn. Dat moet altijd zo geweest zijn; maar vroeger heb ik het, zegt mijn vriend de psychiater, eenvoudig niet gemerkt. Inderdaad, is er vroeger nooit iets ‘gebeurd’. Maar nu dreigt mijn leven chaotisch te worden door het appèl van anderen, waaraan ik allicht (uit ijdelheid?) teveel toegeef. Het is misschien beschamend, de éénheid van het leven door de monogame binding na de dood, in de dood, wordt overschaduwd, de heiligheid, de wijding, die aan de eenzaamheid eigen is, wordt gestoord, ofschoon niet verstoord en men vraagt zich soms àf: of die ‘éénheid’ en die ‘heiligheid’ niet veel meer hypostasen van romantische belevenissen, dan kwalificaties uit kracht van een bijbels gelóóf zijn. Kijk, ik was van plan over iets heel anders te schrijven en dit schiet me uit de pen. Zo gaat het in de buurt van de biechtvader, magisch woelt een mens zich bloot. - Wat ik zeggen wou is dit: triomf! dat uw bundel nu werkelijk komt! U weet, hoe ik Van Ulzen4 achter de vodden heb gezeten. Ik ben echter geen persona grata meer in die librije; en gij, lieve man, gij zet niet dóór, als het uw eigen werk en invloed betreft. O! het was me soms een ergernis, dat het beste dat sinds jaren kláár ligt, niet alleen (wat tòch gebeurt) door de waanzinnige overproductie goeddeels bedòlven wordt, maar niet eens aan bod komt, geen gedáánte krijgt, geen vlees, geen béén. En zó spiritueel zijn we nog niet dat we geloven dat Noordmans’ schriftuur extra usum efficax5 zou zijn - Dus, nogmaals! een triomfkreet ontlokte me uw bericht. Gisteren was ik voor het eerst in Utrecht, bij de roomsen (dat mag je al niet zèggen) in ’t Utrechts conclave.6 Voor het eerst verscheen ik daar, ofschoon in 1946 genodigd. Toen kwam de rouw; in 1947 heb ik het verzuimd. Nu wàs ik er dan; en m’n mond hing open van verbazing! zodat ik behalve aan de maaltijd en in de officieuze nábespreking met Peters7 en Pompe,8 etc., niets kon uitbrengen. ’t Was de 18de vergadering; en het paste mij niet op de voorgrond te treden; maar ik kòn het ook niet, omdat mijn eigen broeders (behalve Wagenvoort)9 zo geïmpregneerd schenen met respect, zonder een druppel geuzenbloed, zonder een vleugje verontwaardiging. En het ging nog wel over: Kerk, Recht en Macht. - Emmen10 las; hij had het opgevat als: welke verantwoordelijkheid draagt de kerk (formeel genomen) tegenover de staat en het burgerlijk leven; het was goed-realistisch en eschatologisch. Maar Van Melsen11 had een referaat: hoe een 20ste eeuws katholiek de verhouding van Kerk en Staat ziet, a) in een katholieke staat, b) in een ‘laïcale’ staat. Hij bleek verrukt van de democratie, waar de roomsen alles aan te danken hebben voor hun emancipatie en meende, dat zij zó dankbaar zouden zijn, dat indien de burgers voor 90% katholiek zouden zijn, dezelfde democratische structuur van de staat zou worden gehandhaafd. Natuurrechtelijke grondslag van het gebod: niemand te dwingen tot het geloof; de les der historie, dat men zònder dwang triomfeert; de praktijk van de democratie, die leert, dat men van de minderheden zoveel leren kan. Spanje werd terzijde geschoven - er werd gevraagd, of men er een ééd op durfde doen, dat de protestanten werden gehinderd in hun godsdienstoefening - de inquisitie was een gevolg van het sacrale karakter van de staat, waarbij heresie = revolutie; de kerk moest helpen a) om te bepalen wat heresie wàs, b) om de straffen te matigen. Centraal was nú: het bonum commune: men moest van de roomskatholieke zijde (die hier niet vertegenwoordigd was) eisen aan te tonen, dat de vrijlating van de protestantse prediking een schade voor het bonum commune zou betekenen. Zo zou ook de latere roomskatholieke regering het antwoord schuldig moeten blijven op die vraag en mitsdien de tolerantie beoefenen. Waarde Meester, het was verschrikkelijk van wellevendheid, gevatheid, zelfgenoegzaamheid, onbekeerlijkheid - vreemd aan elk besef van Oordeel, van schuldgevoel, maar vooral dóór en dóór irreëel! Als polemist (nu en dan) in In de Waagschaal voelde ik mij door de sfeer alleen al te kijk gezet. Het speet me hartgrondig dat gij er niet waart! Och, ik versta de verleiding - elke kerk, en elk paneel, en elk denkbouwsel van de middeleeuwen als tot de eigen geschiedenis en tot de eigen thesaurus te mogen rekenen; in plaats van de gebroken houding en de distantie te moeten beoefenen. Maar overigens: wat is de catholica op z’n best, benáúwd. Anders benauwd dan de secte en het neocalvinisme, en de World-Council!12 maar toch ook benáúwd - mijn ziel dorst naar God, naar de lévende God.13 De afwezigheid van de lévende God - de opvulling van het vacuum door tenslotte onszelf in de potentie van minstens Maria’s fiat - de onschuld, waarmee men eigen noodzakelijke ‘dubbelhartigheid’ niet verstáát, waar de spanningsboog moet omspannen niet slechts, gelijk bij elke regering of leiding, ideaal en praxis, maar een onfeilbare instantie, een goddelijke kerk en een verwikkeling in heel de blubber der ongerechtigheid en eigengerechtigheid des mensen, de onschuld!! waarmee men zich verontwaardigt over de aanwijzing van deze dubbelzinnige, veelzinnige, ethische en tragische schuld - het heeft me werkelijk ontsteld. Ik ga daar nooit meer naar toe! ‘Vechten of emigreren!’ heb ik destijds gezegd - maar dat was werelds gesproken! Wat er blijft is: dulden en zich laten vervolgen - als vreemdelingen in dit land, dat niet meer ‘ons’ land zal zijn, binnen korte tijd. En de tijd voor het alarm! schijnt zelfs in alle geleidelijkheid voorbijgegleden. Nu, dat was een ontboezeming - aan de àfwezige - neem me niet kwalijk, dat ik u hiermee heb opgehouden. Het gaat heet van de naald. Hartelijke groeten, uw dw.,

K.H. Miskotte.

(AN)

Noten

  1. 1

    Zie brief nr. 835 (1.1.1949).↩

  2. 2

    Zie brief nr. 834 (31.12.1948).↩

  3. 3

    Vgl. H.H. Miskotte Niet te vergeten Miskotte (Kampen 1981), hfd. 3: ‘In de ban van de natuur’, 26-37.↩

  4. 4

    H. van Ulzen, directeur van de Uitgeversmaatsschappij Holland te Amsterdam.↩

  5. 5

    Lat.: buiten gebruik werkzaam.↩

  6. 6

    Bijeenkomst van de Kring van Katholieke en Protestantse hoogleraren, opgericht in 1931 op initiatief van G. van der Leeuw en G. Brom. Deze ‘Professoren-kring’ was een van de eerste oecumenische contacten in Nederland. G.P. Kreling O.P. Het goddelijk geheim (Kampen 1979), 33, geeft als leden o.m.: W.J. Aalders, J.N. Bakhuizen van den Brink, W.F. Dankbaar, H. Fortmann, P.A. van Leeuwen OFM, H. van der Linde, A.G.M. van Melsen, K.H. Miskotte, O. Noordmans, W.P.J. Pompe (zie n. 8).↩

  7. 7

    J.A.J. Peters C.ss.R (1909-1961), van 1939-1946 hoogleraar in de filosofie aan het Groot Seminarie der Redemptoristen te Wittem, daarna hoogleraar KUN in de kenleer, de natuurlijke Godsleer en de metafysica, promoveerde in 1938 te Rome over De immanentie der liefde volgens de wijsbegeerte van S. Thomas.↩

  8. 8

    W.P.J. Pompe (1893-1968), Nederlands jurist, hoogleraar KUN 1923, RUU 1928-1963; stichter van het Criminologisch Instituut.↩

  9. 9

    H. Wagenvoort (1886-1976), Nederlands classicus; hoogleraar Latijnse taal- en letterkunde RUG 1924, RUU 1930-1956.↩

  10. 10

    E. Emmen (1902-1985), herv. pred. o.a. te Kuinre, Breda en Haarlem, promoveerde (RUG) over De Christologie van Calvijn (Amsterdam 1935). Emmen was secretaris-generaal van de NHK van 1947-1967 en een leidende figuur in de oecumene.↩

  11. 11

    A.G.M. van Melsen (geb. 1912), hoogleraar wijsbegeerte KUN 1946.↩

  12. 12

    World Council of Churches, Wereldraad van Kerken, opgericht 23.8.1948.↩

  13. 13

    Ps. 42:3.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 835. O. Noordmans aan K.H. MiskotteLunteren 1945-1955837. O. Noordmans aan G. van der Leeuw →