845. O. Noordmans aan J.J. Buskes1
Lunteren, 7 maart 1949
Waarde collega Buskes,
Op 9 maart a.s . zal het 25 jaar geleden zijn, dat gij te Oosterend op Texel het predikambt aanvaardet. Gij weet hoezeer ik belangstel in uw evangelisatiewerk en daarom moge het u niet verwonderen, dat ik, ofschoon ik niet tot de naaste kring van uw bekenden behoor, blijk wil geven van mijn medeleven. Hartelijk gelukgewenst dan met de herdenking op die datum, volgens de Waagschaal2 hebt gij die gisteren reeds kerkelijk herdacht. Moge het u gegeven zijn het werk te Amsterdam met ongebroken kracht voort te zetten. Gij zult daarbij gedragen worden door de belangstelling en de voorbede van velen in den lande. Bij onze correspondentie van enige weken geleden was er sprake van 4 of 40 evangelisatie-predikanten te Amsterdam.3 Ik sprak het vermoeden uit, dat de 4 die gij noemdet, 40 zouden moeten zijn. Gij naamt dat in ernst op en bevestigde het getal 4.4 Dit was voor mij onnodig. Want mijn vermenigvuldiging met 10 was bedoeld als ironie. Ik was echter met die ironische vermenigvuldiging toch weer in ernst, omdat ik 40 niet teveel zou vinden voor Amsterdam. 4 hebben een mer à boire. Uw moeilijkheden met betrekking tot de kerkelijke positie van uw buitengemeente, begrijp ik volkomen. Het is een van de belangrijkste vraagstukken, waarop onze kerk zich zal hebben te bezinnen. Dit evangelisatiewerk draagt sterk het karakter van een apostolaat. De tegenstelling van Jood en Griek, oud en nieuw kerklid, komt daarbij dadelijk om de hoek kijken. Paulus ging voor het apostelconvent op de vlucht en begaf zich buiten het gebied, waarvoor het decreet van dit convent gold. Hij vormde tegelijk een nieuwe gemeentelijke organisatie, die enigszins van andere bouw was dan die der gemeenten onder de Joodse diaspora. Ik geloof dat de missie onder de buitenkerkelijken daaraan ook niet helemaal zal kunnen ontkomen. De eenheid der kerk zal moeten blijven, maar het zal geen eenheid zonder risico’s kunnen zijn. Veel kerkelijke toekomst zal met deze risico’s in de nieuwe waarden van wat wij nu buitenkerkelijke kringen noemen, belegd moeten worden. En de organisatie van zulke kringen zal daarvan de sporen moeten dragen. Maar ik houd u zowaar bezig met de toekomst, terwijl gij u nu een dag zet tot herdenken. Daarvoor hebt gij - uw boeken getuigen daarvan - overvloedig stof. Moge het een echte feestdag zijn. En gaat uw gezondheid weer beter? Met hartelijke groeten,
O. Noordmans.
(ABuskes)