844. R. Dijkstra1 aan O. Noordmans
Amsterdam, 5 februari 1949
Amice frater,
Hartelijk dank voor je brief2 en vriendelijke raadgevingen. Ik was al in deze richting bezig èn voor mijn vrouw èn voor mijzelf, en op ’t ogenblik zijn de resultaten bevredigend. Wij maken ’t beiden tamelijk wel en beginnen nu te verlangen naar de lente op ‘Zonnewende’.3 Ik heb reeds van vele takken van arbeid mij losgemaakt, deze maand volgt het afscheid als voorzitter der scholen, bovendien is het afscheid een maand vervroegd, ik hoop op 27 maart te 3 uur in de Oude Kerk4 afscheid te nemen en op 1 april geïnstalleerd te zijn op ons ‘landgoed’. Partir c’est un peu mourir. ’t Lijkt mij voor collega Oorthuys5 een hele eenzaamheid, ik heb hem echter bewonderd zoals hij de aftakeling van zijn vrouw, geestelijk en lichamelijk heeft gedragen. Het was niet gemakkelijk. Ik stel mij zo voor dit jaar wel eens vaak naar Lunteren te rijden en van jullie omgang veel te genieten, misschien kunnen wij nog samen iets doen voor kerk en volk. Of ik in Putten nog zal ingeschakeld worden, ik vrees, maar het pastoraat kan ik nog altijd in mijn naaste omgeving uitoefenen, dat is een troost. Het was gezellig mevr. Noordmans en Dientje op de bruiloft6 te ontmoeten. Mijn peetneef Rients7 is ondertussen tot diaken benoemd, hij heeft om zijn kerkelijke trouw het vertrouwen van zijn kerkeraad blijkbaar geheel gewonnen! Zodra v(an) A(lphen)8 verschenen is, hoop ik je het voorlaatste exemplaar te sturen, oude boeken zijn tegenwoordig niets waard dus je krijgt het voor de verzendkosten. Nu moet ik aan mijn preek over ‘de Samaritaanse’. Heb het goed samen en tot ziens DV. Met hartelijke groeten, tt.
R. Dijkstra.
(AN)