875. O. Noordmans aan H.C.J. van Deelen1
Lunteren, 5 juni 1950
Waarde collega van Deelen,
Over de verzekering moet ik nog nadenken. Even wil ik nu terug komen op uw vraag naar principiële redenen voor mijn oppositie tegen het Orgaantje. Ja, dat is meer een gevoelskwestie. Een reden heb ik ook wel, n.l. dat het hoofdbestuur daarmee van het terrein van de Bond af gaat. De ‘faits’ en ‘gestes’, waarmee het Orgaantje een loopje neemt, liggen meestal op het terrein van de theologie en de kerkelijke praktijk. Nu is deze scheurlijn wel niet streng te trekken, maar het Orgaan is er toch niet voor bestemd, dit karikaturistisch bijwagentje te hebben. Dat zou het Weekblad van de Hervormde Kerk dan moeten hebben. Verder is het geen wonder, dat de emeriti de meeste bezwaren hebben. Het Orgaantje maakt op mij de indruk, dat de leden daarmee zoet gehouden moeten worden. Dat is wat kras gezegd, maar het heeft er veel van. Onze humor en onze karikatuur wisten wij vroeger wel in het Orgaan zelf te spuien en zij hielden verband met het eigen werk van de Bond. De grappenmakerijen van het Orgaantje hebben daar meestal niets mee te maken. Het is geen polemische karikatuur met het oog op het werk van de bond. Het zijn vulsels in iedere richting, in het wilde weg. Het maakt op mij de indruk van kinderachtigheid. Als ’t nu een paar keer gebeurde, maar steeds door. Stel eens dat Gunning en Hoedemaker, Schokking2 en Kromsigt3 zo’n Orgaantje geredigeerd hadden, wat zou het HB. dan gezegd hebben. Men kan zeggen: Laat de mensen tegenwoordig eens lachen! Maar gebeurt het dan uit angst? En is de vakbond er voor opgericht om daarvoor dienst te doen? Zij zou dan tenminste ook eens weer moeten zeggen: Ad seriora. Non lusisse pudet, sed non insidere ludum. Afin, animam salvavi.4⚑ Ik heb ook gekeken naar mijn artikel ‘Het Emeritaat’ (Enige algemene beschouwingen). Ruim twee en een halve kolom, in het october-nummer van 1948. Ik heb op mijn giro het honorarium niet kunnen vinden. Vergis ik mij daarin? Met vriendelijke groet,
O. Noordmans.
(ABNP)