801. O. Noordmans aan H.C.J. van Deelen1
Lunteren, 28 november 1947
Waarde collega van Deelen,
Wij hebben ons, mijn zoon de theologische student2 en ik, kostelijk vermaakt met ‘Het Orgaantje’ op de omslag van het Orgaan.3 De stukjes zijn heel geestig en soms zeer raak. Ik hou erg veel van dit genre. Toch heb ik - toen ik ze genoten had - even nagedacht. Ik vroeg mij af: Kan dit doorgaan? De pijltjes worden naar verschillende richtingen afgeschoten. De Bond van Nederlandse Predikanten moet betrekkelijk neutraal zijn. Het is een vakvereniging, interkerkelijk bovendien. De stukjes zijn niet getekend, behalve dan dat van Janksma.4 Voor één keer hindert dat niet. Maar als er vervolgen komen? Ik peinsde verder: Wat zit daar achter? Daarbij dacht ik terug aan pagina 1, het stuk van Van Ginkel.5 Ik vroeg mij af: Barst in het Orgaantje de geest van ‘verzet’ uit de puberteitsperiode van de Bond het spuigat uit? Nu ondergronds? En waarom dan niet bovengronds? Gaat de Bond nu ‘janken’: ‘tractement gauw aan ’t end’ (Janksma)? Waarom zou Van Ginkel zeggen, niet bassen of blaffen? Ik dacht zo, omdat ik de ‘Sturm und Drang’ periode in het HB heb meegemaakt, toen ik ook wel eens puberstreken in het Orgaan uithaalde. U ziet, ik was niet helemaal gerust. Ik polste op een vergadering voorzichtig een paar kennissen, een professor en een bekend kerkelijk werker. De professor was enthousiast. Hij zei ‘Het is onder ons’. De werker was ontstemd. Hij vond sommige stukjes profanerend, zoals dat van het lucifersdoosje. Hij voorspelde: dit komt hun leden te kosten. Eerlijk gezegd moest ik ’t inwendig meer met de werker eens zijn. Ik meende, als een der oudere leden van de Bond - als oud-lid van het HB - u dit te moeten schrijven. Intussen mijn eerlijk saluut. Wij hebben gelachen, nee - gebruld. Met beste groet, O. Noordmans
(ABNP)