877. K.H. Miskotte aan O. Noordmans
Leiden, 21 juni 1950
Zeer vereerde Noordmans,
Het is niet aardig van mij, dat ik niet eerder geschreven heb in antwoord op uw laatste brief.1 Het is een spitsuur van arbeid, die de Synode ons geeft, om ons daarin te bekommeren, zowel in vergaderingen, secties, commissies, als in tentamens, examens, voorstellen. Maar ik denk, dat de effen toon van uw verslag mij voor lang heeft stilgemaakt bovendien. Verbazend heerlijk, dat een mens zo langs de rand kan gaan, alsof hij de straat overstak van het ene naar het andere trottoir! Als het wat vreemd schijnt: zoveel intense belangstelling voor het bedreigde leven en zulk zwijgen bij de terugkeer en de hervatting van de arbeid, wijt het niet alléén aan oppervlakkigheid; er is ook iets van verbazing en eerbiedigheid in dit zwijgen gemengd. Van Dr. Oorthuys2 hoorde ik, dat het u wèl gaat, dat u geregeld werkt - maar dat ge toch ‘nog niet de oude zijt’, gelijk de staande term luidt. Nu, daar kunnen wij vrede mee hebben: het is al geweldig, op bijna 80-jarige leeftijd zonder veel schokken zulk een ingrijpen te doorstaan en nog des geestes overig te hebben, om rond u te zien in deze wereld en uw gedachten te ordenen, nog steeds, ten bate van anderen. Wat moest ik lachen om Van Ruler3 die twee namen noemt van lieden in Nederland naar wie wij nog niet goed geluisterd hebben: Noordmans en... De Vrijer4 - daar kan ik niet tegen: zulk een dooreenhaspeling van rang en stand stuit mij tegen de borst; in één adem de man te noemen, die in enkele bladzijden perspectieven opent boven de gangbare theologie uit en de man, die verslag doet van wat er ergens in een Sackgasse nog te beleven valt voor wie lust heeft - ’t is smakeloos! (aldus naar aanleiding van de ‘bevinding’).5 Natuurlijk schrijf ik om u te groeten en te doen merken, dat ik gedurig aan u denk met liefde en eerbied - maar ik zou niet tegelijk een zakenman, een soortement goochemerd moeten zijn ex officio,6 wanneer ik niet om copie zeurde, goede n.l. in plaats van desnoods bruikbare. Zou het geen kolfje naar uw hand zijn, het boekje Hervorming en Katholiciteit7 in ons blad enigszins uitvoerig te bekijken? Voorbarig heeft de redactiesecretaris aangekondigd, dat ik dat zou doen - maar nu ik deelneem aan de officieuze ronde-tafelconferentie met deze broeders,8 lijkt het me inopportuun er openlijk en wellicht wat kort-aangebonden over te schrijven. Dat zou de groei van de verhoudingen ontijdig kunnen storen. Daarom zou het mij veel waard zijn, als u dat zou willen doen. Juist hoor ik, dat er weer een meditatie van uw hand is binnengekomen!9 Wat is dàt een verrassing; ik had er nog niet op durven hopen. Deze exegetische meditaties hebben passages, zo verrukkelijk van gedachten, ductus en dictie, dat men ze klassiek zou willen verklaren en als overdenkingen in een protestants brevier voor het nageslacht bewaren, ten gebruike! - Heb dank voor deze nieuwe handreiking, die velen tot zegen is; dit is mijn vaste overtuiging. Bij leven en welzijn ga ik in het Bolder Seminar (am Züricher See) drie weken doceren over Rosenzweig10 (onder auspiciën van het Zwitserse ‘Kerk en Israël’). Begin october een week synode voor commissoriaal werk aan de consideraties,11 half november tot 9 december ca drie weken dubbele synode12 - deze werkzaamheden benemen enigszins het uitzicht op wat men ‘eigenlijk’ zou willen doen. En onder de hand ga je verkalken en er komt bij een gewoon mannetje niet meer veel tevoorschijn. -eilacy! Mijn dochter Nora13 is terug uit Edinburgh (twee semesters), mijn jongste dochter Heika14 heeft zich verloofd met Bram Breebaart,15 secretaris van de NCSV; mijn jongen16 zit midden in z’n eindexamen Lyceum; mijn oudste dochter Titia17 kreeg haar bevordering naar de eerste violen (Utrechts Stedelijk Orkest) omgezet in een definitieve benoeming. Hoe gaat het met uw vrouw en met het leven en de prestaties der uwen? wees verzekerd van mijn onverflauwde belangstelling voor alles wat uw persoon en gezin, leven en werk aangaat. Hartelijke groet, uw dw.,
K.H. Miskotte.
(AN)