819. O. Noordmans aan Bjarne Kristensen1
Lunteren, 16 februari 1948
Zeer geachte Heer Kristensen,
Zo nadert dan het plechtig ogenblik dat ik in de kring der broederen het erelidmaatschap ga ontvangen. Ik schreef u reeds,2 dat de dokter mij enige rust voorschreef, maar ik meen, dat ik op de ‘Oudejaarsavond’ de toegezegde lezing wel zal kunnen en mogen houden. Mijn vrouw heeft het verder zo geregeld. Na aankomst te Leiden met de heer Van der Klaauw3⚑ begeef ik mij naar de woning van uw ouders, waar uw moeder mij gastvrijheid heeft aangeboden. Met het oog op de vermoeienissen van de avond neem ik daar een niet al te lange siesta in het bed, dat ik ’s nachts toch in verwarring zal moeten brengen. Ik eet vooraf vroeg thuis, omdat ik een beetje op dieet sta. Misschien kan mevrouw Kristensen mij na de siësta een eenvoudig boterhammetje klaarmaken en aldus gesterkt tijg ik dan ter vergadering, die ik zolang zal meemaken, zo mogelijk met inbegrip van ’t nabroodje of van een deel daarvan tot de wijsheid, die dan wel niet helemaal in de kan zal zijn, het scheiden gebiedt. Deze regeling acht ik nogal verstandig en ik durf er mij niet tegen verzetten. Ik hoop dat ik daarmee nergens verwarring sticht. Ik wacht derhalve woensdagmiddag heer Van der Klaauw. Het lint met de penning ligt al gereed. Semper manet Vinculum! Uw,
O. Noordmans.
(AQuisque)