852. O. Noordmans aan de werkgroep ‘Kerk en Overheid’
Lunteren, 18 mei 1949
De heer secretaris van de Werkgroep ‘Kerk en Overheid’, Den Haag.
Hierbij doe ik u toekomen het memorandum, dat ik op mij genomen heb op te stellen voor de volgende vergadering,1 in verband met punt 6 van de vorige agenda.2 Met de meeste hoogachting,
O. Noordmans.
Op verzoek van de Werkgroep ‘Kerk en Overheid’ geeft ondergetekende hierbij enkele overwegingen ten beste, naar aanleiding van de discussie omtrent punt 6 van de Agenda voor de vergadering van de Werkgroep op 21 april 1949.3 Het gaat hier om de vraag, hoe de Kerk te staan heeft tegenover de gewetensnood van dienstplichtigen, die in bepaalde omstandigheden zich tegenover God en hun geesten niet verantwoord voelen door een beroep op de dienstvoorschriften, zoals die gegeven werden in art. 11 en 13 van het Reglement betreffende de Krijgstucht. In art. 11 wordt voorgeschreven, dat hij de opvolging van de hem gegeven bevelen niet afhankelijk mag stellen van zijn oordeel omtrent hun strekking. Nu in art. 13, dat hij een bevel moet opvolgen, ook als hij zich daarover bezwaard acht en dat bezwaar mondeling of schriftelijk heeft ingediend. Wij zijn hier vlak in de buurt van het beruchte ‘Befehl ist Befehl’, dat door het geweten van de Atlantische Christenheid - ik weet er geen ander woord voor - is geoordeeld. Te Neurenberg4 is uitgesproken, dat een beroep op dit Duitse beginsel van Krijgstucht niet in alle gevallen geldt. Nu ook ten onzent heeft men dit beroep niet zonder meer laten gelden. Tegenover de verschrikkingen, die de tweede wereldoorlog heeft te zien gegeven, is dit een hoopgevend feit. Daaruit blijkt, dat aan de totalisering van de oorlog, en de daarmee gepaard gaande afbraak van de mens als verantwoordelijk wezen, zekere grenzen zijn toegewezen. Vroeger werden verliezende politici en militairen door de eigen natie berecht. Thans door de mensheid. Neurenberg is niet terzijde te schuiven met een herinnering aan het ‘Vae Victis’.5 De behandeling van het overwonnen Duitsland geeft daartoe geen aanleiding. De totalisering van de politiek heeft haar grens gevonden in de Kerk en daarachter in het Koninkrijk Gods. Bij de vraag omtrent gewetensbezwaren in militaire dienst staan wij dus niet voor een lacune in een reglement betreffende de krijgstucht, die wij moeten trachten voorzichtig aan te vullen of met handigheid weg te moffelen. Het verzet tegen ‘Befehl ist Befehl’ is een vonk, die moet worden aangeblazen. Zou deze vonk weer uitdoven, dan zijn wij verloren. Natuurlijk geldt dit niet alleen van de militaire dienst. Het is ook van toepassing voor het sociale leven, voor de industrie, voor ons hele bestaan . Maar, zoals op vele andere punten, komt het ’t scherpst uit bij de ‘ultima ratio’,6 bij de oorlog. Een beslissing die hier valt heeft algemene strekking. En omgekeerd, als hier de Tien Geboden in laatste instantie buiten werking worden gesteld en men der mensen meer gehoorzaam moet zijn dan Gode. Dan heeft dat gevolgen voor elk ander gebied. Daarom is het van zo ontzaglijk groot belang, dat wij deze winst, die uit het ontstellende leed van de laatste wereldoorlog behaald is, niet zoeken weg te werken. Het is zeer bepaald de taak der Kerk, hier te dringen in de bres, die er gelegd is in de muren van de staat. Welke onafzienbare gevolgen het heeft, wanneer de Kerk een dergelijke gelegenheid verzuimt en haar eigen middelen gelijkschakelt aan die van de staat, dat heeft ook een historicus als Arnold Toynbee7 ons op treffende wijze laten zien naar aanleiding van de gedragslijn van paus Gregorius VII, die, wat hij gewonnen had voor de Civitas Dei, verspeelde, zodat de Kerk in de loop der eeuwen verbasterde tot een Kerkelijke Staat, de kleinste van alle staten in Europa.8 Hij doet een beroep op de pauselijke stoel om in onze beslissende tijd de fout te herstellen voor Rooms en Protestant, voor Christen en heiden. De Kerk mag zich niet gedragen als een sub-politiek lichaam, dat zich de moeilijkheden, waarin de Staat komt, laat aanreiken, om ze dan op het niveau van de wereldse politiek te overwegen. De antwoorden, die de Kerk heeft te geven, moeten de Staat in moeilijkheden brengen. De Kerk wordt echter noodwendig een subpolitiek lichaam, als zij kerkelijke adviezen geeft; als zij zichzelf predikt. De Kerk kan niet gepredikt worden. Alleen het Koninkrijk der hemelen kan verkondigd worden. De Kerk is alleen Kerk als zij het Koninkrijk Gods predikt. Dat heeft de Kerk ook bij de onderhavige kwestie te doen. De ontkenning van het militaire dogma ‘Befehl ist Befehl’ is een getuigenis voor het Koninkrijk der hemelen. De centrale werkelijkheid in dat Koninkrijk is de gerechtigheid. Jezus verbindt haar steeds met het Koninkrijk. Deze gerechtigheid is echter transcendent. Zij is dat ook reeds ten opzichte van de Kerk. Zij is het nog meer ten opzichte van de Staat. Cicero wist het al, dat de staat, zonder transcendente gerechtigheid, een roversbende wordt (De Legibus X, 716).9 En Augustinus ziet het hele Romeinse rijk onder dat licht. De Westerse Kerk heeft dat als haar staatsbeschouwing vast te houden. De Reformatie heeft aanvankelijk, naast de belijdenis van de inwendige gerechtigheid, ook een greep gedaan naar de gerechtigheid in het openbare leven. Luther heeft, uit vrees voor de Doperije, daarvan afstand gedaan en zich tevreden gegeven met een politiek bestand. De Gereformeerde religie draagt het karakter van een getemperde Doperije en is als zodanig dan ook in conflict gekomen met de staatsmacht. In ons land is daardoor de plaats van Oranje bepaald en voor Engeland heeft Oranje eens dezelfde rol vervuld. De Gereformeerde staatsbeschouwing laat geen wezenlijke scheiding van Kerk en Staat toe. De gerechtigheid die voor de Kerk geldt doet dat ook voor de Staat. Op een politiek bestand mag derhalve de Kerk, allerminst op Gerefomeerde erve, zich niet beroepen; in geen enkele vorm. Men mag niet zeggen, dat een dienstplichtige, als staatsburger, nu eenmaal zich verbonden heeft, in bepaalde omstandigheden totalitaire aanspraken van de Staat te laten gelden en afstand te doen van de horigheid aan het Koninkrijk der hemelen. Een dergelijke vooronderstelling van een “contract social” is een fictie, waartegen de beste tradities van een antirevolutionaire staatkunde altijd in het geweer zijn geweest. De afwijzing van het Befehl ist Befehl in de rechtspraak na wereldoorlog nr. 2 betekent de erkenning van een werkelijkheid en de afwijzing van een fictie. Men kan en mag de gerechtigheid van het Koninkrijk Gods onder geen enkele omstandigheid uitschakelen. De Beloften en eisen van dat Koninkrijk te prediken, is de eigenlijke roeping der Kerk. Zij mag onder geen beding de Staat adviseren zijn totalitaire aanspraken zo te camoufleren, dat het hier bedoelde gewetensconflict minder gevaar loopt, aan de dag te treden. Het ambt der Kerk is, het vuur, dat Jezus op de aarde geworpen heeft (Luk. 12:49), te hoeden. En het politieke leven blijft slechts mogelijk, als dit vuur blijft branden. De Atlantische Christenheid zal slechts een toekomst hebben, als de New Deal10 van het Koninkrijk Gods voortgang heeft in haar midden.
O. Noordmans. Mei 1949.
(ANHK)