Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Jaren Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9A, Leiden

Weergave
Passages naar Readwise sturen

81. Oepke aan zijn ouders

Leiden, februari 1892

Geliefde Ouders!

Mijn laatste brief was kort, en misschien is het aan hetzelfde mangel aan nieuws, dat mij plaagde, te wijten dat vader nog niet eens teruggeschreven heeft. Ik zou echter gaarne eens weer willen weten hoe het thuis gaat. Geen bericht, goed bericht, maar een weinigje meer zekerheid is toch niet onaangenaam. Ik heb vanavond catechisatie gehad bij ds. Gunning.1 Hij heeft er over gesproken om ons nu met Pasen aan te nemen.2 Ik heb daarover met vader nog niet gesproken en dat kwam ook al door de ziekte in de vacantie. Van de week is de koningin met de prinses3 hier geweest en ik heb ze van heel dichtbij gezien. Zij zien er heel aardig uit. Vanavond op catechisatie bespraken wij een punt, waarover ik vaders oordeel wel eens wilde weten. Ds. Gunning vroeg nl. of het goed was, de gemeente aan te spreken als ‘Gemeente des Heren’, m.a.w. of men de gemeente, zoals ze in de kerk tezamen komt, te beschouwen heeft als gelovigen. Men weet natuurlijk officieus dat dit niet het geval is, maar de vraag is of men officieel daarmee heeft te rekenen. Men kan de vraag ook zo stellen, of men de kerk te beschouwen heeft als het lichaam van Christus, of als een geheel, waarin het lichaam van Christus zich bevindt. Of wil men nog anders: of de kerk een instelling Gods is, waarvan de middelen waardoor ze werkt prediking des Woords en sacramenten zijn, dan wel of men de kerk heeft aan te zien als een gemeenschap van broeders, die één zijn door het geloof in Christus, en die in de kerk komen om gezamenlijk bij monde van hun voorganger belijdenis van hun geloof te doen. In één woord, of de kerk een instelling is, een uiterlijke instelling, waarin God zijn uitverkorenen verzamelt, en waar Hij de mensen roept door het woord van de prediker, dus waar als ’t ware het woord door een Godsgezant van boven gebracht wordt, dan wel of het een natuurlijke aaneensluiting is van gelovigen, die dezelfde Christus belijden en waar de prediker de mond is der gemeente en werkt om de gemeente in het geloof op te bouwen. In het eerste geval (ik geloof dat dat vrijwel het kerkbegrip van Calvijn was) is de kerk daar, waar Gods Woord zuiver gepredikt en de sacramenten naar Gods Woord worden bediend (of bediend mogen worden), in het tweede geval daar waar het geloofsleven blijkt. In het eerste geval is het goed, de wet in de kerk voor te lezen als een tuchtmeester tot Christus (de ene keer de wet en de tweede keer de geloofsartikelen is dan wel wat tweeslachtig); in het andere geval verdient het voorlezen der wet afkeuring, omdat de gelovigen niet meer onder de wet leven en dienen beide keren de geloofsartikelen voorgelezen te worden. In het eerste geval kan men spreken van zichtbare en onzichtbare kerk; in het tweede geval komt die onderscheiding niet te pas. Ik zou nog door kunnen gaan met ‘in het eerste’ en ‘in het tweede geval’ maar mijn papier is vol. Ik geloof dat begrippen van het ene en van het andere kerkbegrip afgeleid soms wonderlijk dooreen gehaspeld worden en dat daardoor een spraakverwarring ontstaat, die ten gevolge heeft dat men elkander niet meer verstaat en diensvolgens uit elkaar gaat. Laat ik nog een gevolgtrekking noemen. In het eerste geval oefent men de tucht uit als een zaak, door de Schrift geboden, als, met eerbied gezegd, een reglement van orde, dat bij de instelling is gegeven; in het tweede geval meer als iets natuurlijks, dat moet dienen om de broederkring zo zuiver mogelijk te houden. Eén en ander hangt, geloof ik, nauw samen met de gereformeerde en ethische beschouwingen. De gereformeerde beschouwt de kerk ook meer als een geopenbaard iets, de ethische als een boom, die zich vanzelf ontwikkelt, als God het leven in een zekere kring heeft gewerkt ... Graag spoedig antwoord. Uw u liefhebbende zoon

(Oepke)

(AN)

Noten

  1. 1

    J.H. Gunning JHzn., zie brief nr. 67 (sept./okt. 1891).↩

  2. 2

    ON heeft bij dr. J.H. Gunning JHzn. te Leiden belijdenis des geloofs afgelegd op 24.3.1892.↩

  3. 3

    De koningin = Koningin Emma en de prinses = de jonge Koningin Wilhelmina.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 80. Ouders aan OepkeLeiden82. D. Eringa aan Oepke Noordmans →