Communisme1
Toen ik voor deze lezing gevraagd werd om over communisme te spreken, heb ik wel enig bezwaar gehad. Ik gaf enkele andere onderwerpen op. Ik zocht dus er aan te ontkomen. Het mocht mij niet baten. Ds. P. v. A. bleef mij dit onderwerp voorhouden en zo moest ik dus wel, al kreeg ik uitstel, mij onderwerpen.
Dat men aarzelt om over een onderwerp als communisme te lezen, zult gij kunnen begrijpen. Aan de ene kant toch is er geen ding dat zozeer aan de orde is als communisme. Als we naar de politieke hemel kijken, zoals we in de zomer naar de lucht kijken, dan zien we in 't oosten de lucht heel donker. Het is als een donderbui. Wij horen in de verte de slagen. Van tijd tot tijd schijnt de bui over te komen naar ons toe. Sommigen verlangen daarnaar en menen dat ons leven daardoor verfrist zou worden en tot nieuwe wasdom komen. Anderen vrezen daarentegen en denken dat hagelslag aan alle groei en bloei een eind zou maken. Hoe men er ook over denkt, de Sovjet-republiek is een zeldzame verschijning in het Europese leven. De vraag van het communisme is zeer aan de orde.
Aan de andere kant is echter het communisme iets waarvan men zich geen voorstelling kan maken. Het is iets wat men niet grijpen kan. Iets dat altijd in de lucht zit, maar nooit een duidelijke gestalte heeft aangenomen. Waarvan de mensen altijd gedroomd hebben, maar dat ze nooit hebben aanschouwd.
Daarom is mijn onderwerp zo moeilijk en zag ik er tegenop om het te behandelen. Moet ik spreken over Sovjet-Rusland, dan weten we daar zo weinig van en moet men een staathuishoudkundige zijn om erover te kunnen handelen. Wilde ik daarentegen spreken over de schone communistische droom, die in alle eeuwen de geesten bevangen heeft, dan was mijn behandeling misschien te afgetrokken.
Ik wil trachten zo goed en zo kwaad als dat gaat in m'n onderwerp te komen. Misschien voelen wij er dan straks samen iets van wat communisme is.
Hoe oud de communistische gedachte is, valt niet te zeggen. Men zou kunnen zeggen: zo oud als de wereld. Wanneer wij spreken over de ‘gouden eeuw' of de 'dagen van olim', dan denken wij aan toestanden die geheel verschillen van de onze. Die tijd denken we ons dan niet een beetje beter dan de tegenwoordige, maar oneindig veel beter. Ieder weet dat oude mensen wel eens geneigd zijn de vroegere tijden te verheerlijken. Welnu, als wij nu aannemen dat zij gelijk hadden en dat voor 60 of 70 jaar de mensen veel degelijker, de kinderen veel gehoorzamer, de kooplui veel eerlijker waren en verder alles naar rato en dat dan nog 60 of 70 jaar vroeger allen weer veel degelijker, gehoorzamer, eerlijker waren en de toestanden veel beter enz., dan kwam men eindelijk toch in een wereld die veel van de onze verschilde. Maar dan waren we toch nog niet in de 'dagen van olim' of in de 'gouden eeuw'. Want als we die noemen, dan bedoelen we een toestand die principieel, in beginsel, van de onze verschilde en niet alleen in graad.
Misschien hebt ge wel eens uzelf afgevraagd hoe we daar toch aan komen, aan die gedachte. In 't algemeen kan men zeggen dat overal waar mensengedachten die nooit stilstaan aan 't werk zijn zulke gedachten worden aangetroffen. De zendelingen ontmoeten de idee van een gouden eeuw overal. Zij zijn gewoon die gedachten dan te vergelijken met het paradijsverhaal uit de eerste hoofdstukken van Genesis en ze op te vatten als een herinnering aan een zalige oorspronkelijke toestand der mensheid.
Ik geloof ook inderdaad dat zulke voorstellingen van heel oude oorsprong zijn. Dit neemt echter niet weg dat ze telkens in de geschiedenis weer opnieuw opduiken en dat dichters en denkers er telkens weer nieuwe vormen aan hebben gegeven. En dat gebeurt dan vaak in verband met sociale toestanden. Ellendige sociale toestanden wekken dan de verwachting dat de 'dagen van olim' weer zullen terugkeren en dat de gouden eeuw weer aanstaande is. Sociale hervormers gebruiken die oude ideeën die er in de gedachten van het volk hangen om er hun hervormingsplannen aan vast te knopen. En ook zelf staan die hervormers onder de invloed van die gedachten. Zonder dat ze er soms zelf aan denken, komen ze tot toekomstverwachtingen waarom nuchtere staatslieden geneigd zijn te glimlachen. En het zijn dikwijls niet de minsten van ons geslacht die zich laten vervoeren tot toekomstverwachtingen die met de werkelijkheid in krasse tegenstelling staan.
Nu zouden we uit de bijbel wel voorbeelden kunnen aanhalen van zulke toekomstverwachtingen. Ik zal daarover echter niet dadelijk spreken. Want daar heeft alles een overwegend godsdienstige kleur. En we lopen dan gevaar dat we al te spoedig stichtelijk gaan worden en met enige teksten de zaak afdoen. We willen eerst wat dichterbij blijven. De sociale geschiedenis is in de bijbel geheel overstraald door hoger licht zodat we daarbij al spoedig de aardse toestanden vergeten. In het N.T. is dat geheel het geval. De verwachting van Christus' wederkomst beheerst daar alles. Hoe het hier op aarde moet worden ingericht, daarop is de nieuwtestamentische prediking niet in bijzonderheden ingesteld. Het O.T. geeft wel stukken sociale prediking in de profeten, maar ook hier vliegt de profetische gedachte telkens spoedig naar de toekomst van het Godsrijk dat met heerlijke kleuren wordt geschilderd.
Wanneer wij zoeken naar iets dat dichter bij ons staat en dichter bij de aardse toestanden blijft, dan is er in de geschiedenis der oude Grieken veel bewaard gebleven wat ons voor goed begrip van het communisme van dienst kan zijn. Hier is nu voor ons bewaard de geschiedenis van een maatschappij gedurende vele eeuwen, een geschiedenis die geheel afgelopen is. De geschiedenis van het christelijke Europa is nog in gang. Wij staan er zelf in. Maar een geschiedenis als van oud-Griekenland ligt als afgesloten geheel voor ons.
In vele opzichten lijkt die geschiedenis op die van het christelijke Europa. De oudste letterkunde van Griekenland verplaatst ons in een tijd die we de Griekse middeleeuwen kunnen noemen. De samenleving bestaat uit adel en volk. Het grootgrondbezit bestond ook toen. Men heeft later gemeend dat in het begin van alle geschiedenis een zeker communistisch landbezit valt aan te wijzen. Zoals in Rusland dorpsgronden bestaan die telkens verdeeld worden, zo heeft men gemeend dat eigenlijk vroeger overal het communistisch landbezit bestaan heeft. Men neemt dan aan dat het privaatbezit pas later opgekomen is. Dit is niet juist. Dit grootgrondbezit in de Oudgriekse tijd heeft toen geleid tot een langzame ondergang van de boerenstand.
In slechte tijden namen de boeren hypotheek op hun land en dit bracht hen in steeds grotere afhankelijkheid. Deze maatschappelijke afhankelijkheid is door een der oudste Griekse dichters weergegeven in de oudste Europese fabel die bekend is. De nachtegaal spreekt met de havik die hem hoog in de wolken draagt. De eerste weeklaagt, waar hij de kromme, scherpe klauwen van de havik in zijn vlees voelt dringen. De havik spreekt de nachtegaal toe:
"Waartoe dat geschrei, een sterkere houdt u gevangen.
En hoe schoon gij ook zingt, waar ik u breng, daarheen gaat gij.
Naar mijn eigen believen neem ik tot een maal u, of laat U."a
Diezelfde dichter klaagt over de rijken als over hommels in de bijenkorf die de arbeid der vlijtige bijen verteren.
Toen de heerschappij van de adel in de Griekse wereld gebroken was, drukte zich een jonkheer dier dagen die terugverlangde naar de goede oude tijd zo uit: dat hij met smart terugdenkt aan de tijd dat het volk recht en wet niet kende; hij spreekt van lieden met geitevel om de schouders. Het landvolk ziet hij aan als herten die voor de poort weiden. Dit was de goede oude Griekse tijd. Het was allerminst communisme, zoals wij zien.
Daarop is in de Oudeuropese wereld een revolutietijd gekomen. Sedert de zevende eeuw voor Christus begint in het oude, beschaafde Europa een revolutietijd. Deze strijd tussen aristocraten en volk is met grote verbittering gevoerd. Te Milete sloot het volk de kinderen van de verdreven rijke geslachten op in een schuur en liet ze door wilde stieren vertreden. Later wreekten zich de teruggekeerde aristocraten door de kinderen der democraten met pek bestreken te verbranden. Wij horen het: de gruwelen van onze tijd zijn niet nieuw.
Een dichter dier dagen klaagt erover dat pakknechten regeren en dat het grauw de baas is. De zevende en zesde eeuw voor Christus schijnen van oud-Europa iets gehad te hebben als onze dagen. Een tijd van klassenstrijd. De boeren rondom Athene hebben in die tijden reeds een vakvereniging opgericht. De oudste die in Europa bekend is.
Dit moet een woelige tijd geweest zijn. Een tijd ook waarin het geloof aan de oude goden wordt geschokt.
Iedere tijd heeft z'n filosofie. Ook deze tijd heeft z'n grote filosoof gehad die het gevleugelde woord uitriep, een woord dat bekend zal blijven zolang de wereld staat: 'De wereld is een stroom.' De oudste revolutionaire filosofie in Europa. Uit deze bewegelijke tijd is de burgerstaat te voorschijn gekomen. Maar het schijnt dat, wat men tegenwoordig het proletariaat noemt, reeds toen soms tot macht is geraakt. In Megara drongen eens de armen de huizen der bezittenden binnen en verlangden dat hun maaltijden werden klaargezet. Bij dezelfde stad werden eens de kudden schapen der rijke landeigenaars afgeslacht, enkel uit nijd. Dit is de eerste bijzonderheid die wij kennen uit de proletarische beweging van Europa. En zo treden in het land rondom Athene in de dagen van Solon reeds de boeren van Attica op met het program dat de grond gelijk op verdeeld moet worden. Wanneer wij dus terugzien naar de vroegste geschiedenis van oud-Europa, dan ontdekken wij geen goede oude tijd, geen gouden eeuw, maar in die dagen van olim was er revolutie, klassenstrijd; er waren rijken die de armen vertrapten en verachtten en er was volk en proletariaat dat moordde en plunderde als het tot uitbarsting kwam. Er waren dichters en denkers die van hun tijd zongen en dachten. Er was een sociaal program zoals in onze dagen. Er waren vakverenigingen.
Er zijn toen in die bewogen dagen grote staatslieden opgetreden, waarvan Solon de meest bekende was. Ze hebben met geweldige hand in de sociale verhoudingen ingegrepen. Nieuwe wetten bleken daartoe niet voldoende. Er volgde een tijd waarin wat de Grieken 'tirannen' noemden regel en wet stelden naar dat het hun goeddacht. Op de revolutie volgde de dictatuur.
We zitten hier niet op een geschiedenisles. Maar hiertoe is het boven meegedeelde toch wel goed om ons te laten zien dat wat wij in onze tijd beleven niet geheel nieuw is en dat er in de goede oude tijd in Europa al dergelijke dingen plaatsvonden als in onze dagen.
De eigenlijke kweekplaats voor socialistische en communistische ideeën is echter niet eigenlijk het platteland, maar de stad. Ze worden geboren uit de spanningen van de burgerlijke maatschappij. De stad is, althans bij een beperkt aantal inwoners, één geheel dat men kan overzien. De burgers kennen elkaar. Het heeft iets van een huisgezin. Het is weer heel anders dan het platteland met z'n hofsteden die elk voor zichzelf een kleine wereld vormen.
Daarbij komt dat storingen in de maatschappelijke verhoudingen in de stad direct veel ernstiger uitwerking hebben. Denk slechts aan de distributietijd. Wat heeft de stad veel meer geleden dan het platteland. Daarom stond een stadsbestuur telkens voor de noodzakelijkheid om in de verhoudingen in te grijpen. Men moet ten opzichte van de verdeling van arbeid en eigendom en levensmiddelen veel ingrijpender verordeningen maken om het leven niet vast te laten lopen. Wij denken aan de distributiemaatregelen van enkele jaren geleden van minister Posthuma.2 Welnu, zo moesten de steden in oud-Europa en later ook in de middeleeuwen vaak door zeer willekeurige maatregelen orde op het maatschappelijke leven stellen. Iedere economische crisis had direct een vreselijke invloed op de volkslagen. Het leven rustte vooral in de stad der oudheid, die op zichzelf stond, op zeer smalle basis en kon spoedig uit z'n evenwicht komen. Zo werd er in sommige Griekse steden vastgesteld dat men niet meer dan zoveel grond in bezit mocht hebben. Arbeidsplicht werd soms ingevoerd bijv. te Athene. Zorg voor invaliden enz. Het eigendomsrecht en de sociale vrijheid werd dus in de op zichzelf staande stad wel erkend, maar was aan ingrijpende beperkingen onderhevig, omdat het geheel geen schade zou lijden. Het is goed dat wij aan zulke mogelijkheden denken die wij zelf in de distributietijd beleefd hebben omdat wij anders zo licht denken dat wij van nature een eigendomsrecht bezitten of van nature geheel vrij zijn in maatschappelijk opzicht. Dit 'van nature' bestaat niet. Het bleek menigmaal dat de stad of de staat niet alleen politiek, maar ook maatschappelijk het leven der burgers kon, maar ook moest regelen. In de op zichzelf staande stad vooral was de staat niet een afgetrokken gedachte, maar de staat was een lichaam waarvan men zich een deel voelde en dat in het leven ingreep.
Zo kon bij de mindere man gemakkelijk de gedachte ontstaan dat de staat almachtig was en alles kon inrichten zoals hij wilde. Maar waarom zou de staat dan het leven niet zo gelukkig mogelijk maken voor allen? Waarom moest men dan ten halve blijven staan? Waarom zou alle bevoorrechting dan niet kunnen wijken en de burgerschap een gelukkige gemeenschap kunnen vormen? Inderdaad hebben grote wetgevers en heersers in oud-Europa zeer krachtig ingegrepen. Maar latere geslachten stelden het voor alsof ze maatschappelijke tovenaars geweest waren die met een handomdraai de hele maatschappij gelukkig konden maken.
Zo werd de oude stad tot een kweekplaats van sociale eisen. Wanneer de staat alles kan voor allen, dan moet ze 't ook doen. Praktisch heeft dit ook in de, oudheid niet tot communisme geleid. Maar deze stemming heeft wel grote betekenis gehad voor de geschiedenis der communistische ideeën. Heel veel van wat in onze dagen gehoord wordt, hoort men precies zo in die oude tijd.
Er was vooral één stad die veel invloed gehad heeft op de communistische ideeën. Het was Sparta. Op het zuidelijkste schiereiland van Griekenland trok in oude tijden een groep dappere Grieken binnen en bracht de oorspronkelijke bewoners tot onderhorigheid. Omdat de nieuw aangekomenen zich midden tussen een vijandige bevolking bevonden, bleven zij zich inrichten als in oorlogstoestand. Het land, of eigenlijk de opbrengst van het land, werd verdeeld zodat de boeren een deel van de opbrengst aan de Spartanen moesten afstaan. Deze hadden elk hun deel, waarop ze recht hadden. De Spartaanse volle burgers behoefden dus niet te werken voor de kost en waren steeds bereid tot de krijg. De maaltijden werden gemeenschappelijk genoten; de kinderen op staatskosten opgevoed. Hier had men nu communisme in de praktijk.
Geen wonder, dat later in de Griekse steden deze inrichting in verbetering zoekende kringen werd verheerlijkt en tot voorbeeld gesteld. De denkers, die zich met sociale theorieën bezig hielden, gebruikten deze voorbeelden en geschiedschrijvers werd vaak tot geschieddichting. Men moest, zo verkondigden de denkers, tot de eenvoudigste levensomstandigheden terugkeren. De privaateigendom met het geldverkeer en de kunstmatige inrichting van de maatschappij moesten plaats maken voor de oorspronkelijke communistische levensinrichting. Die oorspronkelijke levenswijze beschouwde men als de natuurlijke in overeenstemming met de natuurwet. Precies dezelfde gedachten die later de Fransman Rousseau heeft ontwikkeld aan het einde van de achttiende eeuw. Deze opvatting wil eigenlijk alles wat wij cultuur, beschaving noemen weer afschaffen. Zij gelooft dat dat alles onnatuurlijk is. Een latere Romeinse wijsgeer, Seneca, heeft dit zo uitgedrukt: men hield op alles te bezitten, toen men eigendom begeerde. Deze trek is aan de gehele filosofie der oudheid min of meer eigen. Men weet misschien wel van die Diogenes, die in een ton woonde en die toen Alexander de Grote hem vroeg wat hij van hem begeerde het antwoord gaf: het enige wat ik begeer is dat gij mij een weinig uit de zon gaat. De sto;icijnen die men nog in onze geloofsbelijdenis genoemd vindt, predikten ook die vereenvoudiging des levens. De wijsgeer Zeno predikte afschaffing van de gerechtshoven, van het geld, van het huwelijk, van het maatschappelijk onderscheid tussen man en vrouw. De mensheid werd bij een kudde vergeleken die vreedzaam moet weiden in blijmoedige zelfgenoegzaamheid, zonder nijd en zonder eigendom. Dit is het overeenkomstig de natuur leven.
Precies als op 't eind van de achttiende eeuw werden ook toen de natuurvolken verheerlijkt. De Scythen die in Paulus' brieven ook barbaren genoemd worden (Kol. 3 : 11), daar heerst volgens de Griekse schrijvers nog de natuurlijke gerechtigheid. Zij worden de rechtvaardigsten aller mensen genoemd omdat hier nog het stamleven heerst met een zekere mate van communisme. Merkwaardig, dat toen ook reeds de Russen het communistische voorbeeld waren. Ook het dierenrijk wordt soms ingesloten in het vrederijk en als voorbeeld worden volksstammen in het noorden gesteld, die vegetariërs zouden zijn. Het communisme van die natuurvolken wordt dan overdreven en komt met de werkelijkheid niet overeen. Niet alleen onwillekeurig had dit plaats, maar men maakte ook romans die het staatsleven schilderden zoals men dat zich gaarne voorstelde. Sparta diende daarbij vaak als model. Deze staat, zoals men die zich idealiseerde, zonder handel over zee, zonder weelde, zonder een ding of een woord te veel, leek velen die temidden van een drukke handelswereld leefden een ideaal. Nijd, weelde, rijkdom of armoede zouden zo onmogelijk geweest zijn. Het geld had z'n aantrekkelijkheid verloren omdat men slechts ijzergeld gebruikte.
Dit was het oud-Sparta van Lycurgus zoals latere schrijvers zich dit dachten. Natuurlijk was het werkelijke Sparta nooit zo mooi geweest. Het beeld dat men zich ervan maakte, komt zo ongeveer overeen met de levensleer van de stoïcijnen. Het leven van een 'wijze' werd hier in romanvorm geschilderd.
Bij de beschrijving van deze communistische ideeën zocht men ook gaarne aansluiting aan het leven der dieren, bijzonder der bijen. Hier bij de dieren had men geheel de natuurlijke leefwijze en het leven overeenkomstig de natuur. Wanneer de natuur dan de grote leermeesteres moest zijn, waarom dan niet hier allereerst ter schole te gaan? De communistische staat dacht men zich als een bijenkorf; de maatschappij heette een met rede begaafde bijenzwerm. Men stelde zich voor dat dan in de dagen van olim, toen het overal nog zowat Spartaans was, de mensen niet veel hoefden te werken; immers in Sparta hoefde men ook niet te werken, waarbij men vergat er op opmerkzaam te maken, dat voor de Spartanen anderen werkten. Zo was dit punt gemakkelijk opgelost. Ook van de verdeling van de bodem maakte men zich een al te gemakkelijke voorstelling door te vergeten dat die eindelijk opraakt.
Op diezelfde wijze fantaseerde men zich dan de oude toestanden van andere steden. Armoede gold niet als schande voor de armen zelf, maar de rijken schaamden zich erover in het oude Athene. Niemand was bang geld te lenen. Werkeloosheid bestond niet. En zo idealiseerde men voort.
Dit is echter alles nog slechts wat in de kalme geschriften van geschiedschrijvers en filosofen voorkomt. Het is nog niets vergeleken bij wat in de volkskringen leefde. De sociale toestanden in de Griekse steden waren in de vijfde en vierde eeuw verre van rooskleurig. Politiek hadden allen dezelfde rechten. Er was een democratie. Maar sociaal was de ongelijkheid geweldig. Er bestond een talrijk, verarmd proletariaat, niet minder dan in onze dagen. Wat in deze kringen leefde, weten we natuurlijk niet uit geschriften uit deze kringen zelf. Men moet het opzoeken in het toneel van die dagen en in gedichten en fabels.
Nu weten we allen uit onze kinderjaren wel verhaaltjes over mensen die maar hoefden te wensen en het was er, te gebieden en het stond er, zoals God toen Hij de wereld schiep. Nu, wat wij daarvan hoorden van baker of kindermeid of familie, is gewoonlijk al heel oud en voor Europa komt het veelal in de Griekse komedie voor.-Hier had nu de fantasie vrij spel en droomde men van een communistische wereld die geen beperkingen meer kende. In het wensland heeft men het maar voor het zeggen. Droom en werkelijkheid vallen bij kinderen en ook bij grote mensen wel eens samen, als men de wens vrij spel laat. Zalig die met de voorvaderen leefden. Maar die tijd kan terugkomen. Het naar de natuur leven heeft toch altijd nog last van de beperktheid van de natuur. Er is niet meer dan zoveel, ook al hebben allen er evenveel part aan. Welnu, de fantasie wist daar wel raad mee. In de gouden eeuw van Kronos, waarvan het feest nog eens per jaar werd gevierd,
"kwam het brood gebakken uit de grond,
de rivieren waren met wijn gevuld,
witte broden kwamen vanzelf voor de mond,
gebraden vogels vlogen door de lucht,
de vissen kwamen in de huizen zichzelf braden.
Zelfs het kinderspeelgoed bestond uit lekkernij."
In het wensland sneeuwt het meel en regent het brij. Op die manier behoeft er geen dienende klasse te zijn die in Sparta altijd nog overbleef. Tot de tafel zegt men: tafeltje dekje. Tot de kruik: schenk in. Tot de beker: spoel je.
Op het Griekse toneel werden deze dingen tot algemeen vermaak ten gehore gebracht. Maar het zou kinderachtig geweest zijn als de dichters daarin aan het volk geen spiegel hadden willen voorhouden. Ongetwijfeld leefden in het Griekse proletariaat communistische wensen en dromen, die de dichters natuurlijk door te overdrijven gestalte gaven en aan het volk zelf voorhielden zodat ze er zelf om moesten lachen. Het luchtkastelen maken zat het Griekse proletariaat in het bloed. De Griekse dichter Aristofanes heeft daarop z'n Wolkenkoekoeksheim gemaakt, de komedie van een vogelstad.
Wanneer er echter sociale politiek gemaakt moet worden, moet men met concrete, duidelijke voorstellen komen. En dan zijn er twee grote ideeën die in de oudheid in telkens nieuwe vormen optraden en die in de politiek betekenis kregen. Nieuwe verdeling van de grond is een eis die telkens weer gesteld wordt. En de moeilijkheid en het ontoereikende daarvan leidt steeds weer in de richting van 't communisme. Wat wij ook wel vaak reeds als jongens met elkaar bedebatteerden, dat een billijke verdeling niet blijvend zou zijn, moet dan als laatste remedie een volledig communisme doen eisen.
Naast deze communistische gemeenschap waarin ieder evenveel genieten kan, komt dan - en dit moet men niet vergeten - als aanvulling de gemeenschappelijke plicht tot arbeiden. Deze idee is echter lang niet zo duidelijk naar voren gekomen in de Griekse politieke geschiedenis. Tot een praktische oplossing is het in de oudheid niet gekomen. De sociale spanning is menigmaal ontzettend geweest. De sociale vragen als landnationalisatie enz. zijn soms bij de stembus zeer actueel geweest. Maar een harmonische oplossing heeft het vraagstuk toen niet gevonden. Alleenheersers hebben straks weer orde op zaken gesteld en de onvolmaaktheid met alle leed daaraan verbonden is gebleven.
Ik heb bij de geschiedenis van de communistische gedachte in Europa nogal lang stil gestaan omdat, zoals ik reeds opmerkte, wij hier een afgesloten geschiedenis voor ons hebben. Alles ligt nu stil.
Wij hebben tot nog toe de communistische gedachte zuiver maatschappelijk beschouwd. Ik liet de bijbelse gedachten er opzettelijk buiten. Ik moet thans wijzen op een andere lijn waarmee wij bij het communisme rekening hebben te houden. Wij vinden die in de bijbel. Diezelfde ideeën die we hoorden uitspreken tegen alles wat we beschaving noemen, vinden we ook wel in de bijbel. Jesaja zegt dat Gods dag zal zijn "tegen alle hoge toren, en tegen alle vaste muur; En tegen alle schepen van Tarsis, en tegen alle gewenste schilderijen" (Jes. 2 : 15 v.). Hier is echter de gedachte een andere. Het is om Godswille dat de profeet het zegt. Het eenvoudige moet bestaan omdat de cultuur, de beschaving hoogmoedig is.
Ook tegen het akker aan akker trekken, het liggen op elpenbenen bedden, het verdrukken van de armen, spreken de profeten. Maar alles staat in het licht van Gods wil en Gods eer. De sociale geschiedenis komt weinig naar voren. Het is godsdienst wat hier spreekt. Dit geldt ook voor het N.T. Het Lukasevangelie zou men het communistisch evangelie kunnen noemen: de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus, van de onrechtvaardige rentmeester, de zaligspreking: zalig zijn de armen, de rijke jongeling en vele andere trekken in Lukas zouden daartoe het recht geven. Maar toch zal ieder moeten toegeven dat ook dit evangelie geen plan van wereldhervorming inhoudt, maar onze gedachten naar het hiernamaals leidt. Dit geldt bijzonder in de gelijkenissen uit Lukas 16. Zo is het ook met het tweede boek van Lukas, de Handelingen der Apostelen: het bekende verhaal van de goederengemeenschap in de eerste christelijke gemeente. Het is niet gemakkelijk bij de enkele berichten die we hebben daaromtrent een voorstelling te vormen. Maar in elk geval hebben we hier te doen met een toestand in een zeer kleine kring die bovendien geheel op vrijwilligheid berustte. Hier zijn we in een geheel andere wereld dan wanneer we staatkundig over communisme spreken. Ook bij de eerste Jeruzalemse gemeente worden onze gedachten meer naar de onzichtbare wereld, de wederkomst van Christus geleid dan naar een aardse regeling.
Toch moeten we toegeven dat eeuwenlang de communistische gedachte in de wereld is wakker gehouden juist door het verhaal van de eerste christelijke gemeente. Wanneer wij de geschiedenis raadplegen, dan valt er op staatkundig gebied lange eeuwen niet zo heel veel te ontdekken van communistische proefnemingen. De oudheid gaat onder zonder dat een communistische staat werd beproefd. Het privaatbezit blijft tot op de huidige dag gehandhaafd. De kerkgeschiedenis, en dat is wel merkwaardig, is vol van communistische proefnemingen. Talloos zijn in de loop der eeuwen de communistische sekten geweest. Het spreekt ook wel vanzelf dat veel gemakkelijker kleine kerkelijke kringen zich zo iets kunnen veroorloven dan een burgerlijke samenleving. Op kerkelijk gebied gebeurt zoiets vrijwillig en zovelen als er willen doen eraan mee. Is men het spel moe, dan keert men weer in de burgerlijke samenleving terug, zoals Frederik van Eeden dat deed na de proefneming van z'n kolonie te Walden.3
Toch mogen we niet vergeten dat ook wat er in de oudheid over het gemeenschapsleven is gedacht in de christelijke wereld heeft doorgewerkt. De grote dichterlijke wijsgeer Plato had zich een communistische staat uitgedacht waarvan men gezegd heeft dat deze niet in de oudheid, maar in de christelijke kerk haar verwerkelijking heeft gevonden. Niet alleen, of misschien niet hoofdzakelijk, de eerste christelijke gemeente heeft tot voorbeeld gediend. In de katholieke kerk zijn verschillende standen. Er is een hogere en een lagere moraal. Een hoger en een lager communisme. Het hoogste communisme vond z'n doorvoering in de monnikenorde waarin de armoede de eerste leefregel bedoelde te zijn. Dat dit niet altijd het geval was, kunnen wij laten voor wat het is. Wij moeten erop letten wat de stichters bedoelden en op de mate van doorvoering die daaraan ten deel viel. Hier vinden we dan toch gemeenschap van goederen, gemeenschappelijke maaltijden, gemeenschappelijke arbeid. Het blijft merkwaardig dat in zo algemene wijze door de gehele wereld in grote kringen een zeker communisme bereikt werd. Maar wij hebben hier - en dat is een geweldige vereenvoudiging van het probleem - slechts de halve wereld. God schiep man, vrouw, kind. En de kloosterkerk experimenteerde met man of vrouw en sloot het kind uit. Dit communisme is dan ook na de Hervorming bijna geheel uitgeschakeld in de protestantse landen.
Toch was dit niet het enige wat de kerk te zeggen had. De kerk beschouwde eigenlijk haar eigen goed als het goed der armen. Ook ten opzichte van de complete wereld, de echte maatschappij. De goederen der kerk, dat zijn de goederen Gods, dat zijn de goederen der armen, der gemeenschap. De zo strenge scheiding die er later tussen de kerkegoederen is ontstaan, bestond op die wijze in de oude kerk nog niet. Zoals de genade der kerk een schat was waartoe allen gerechtigd waren en die allen werd uitgedeeld, zo is ook het goed der kerk het goed van allen en wie er het meest behoefte aan heeft, die kan het krijgen. Onder ons protestanten hebben deze dingen zich weer veel kapitalistischer ontwikkeld. En gij weet misschien wel, welk een heilig huisje in onze dagen het vrij beheer is waaraan men niet raken mag.
Ook het middelpunt van het kerkelijk leven, het Heilig Avondmaal, stelt deze gemeenschap van eten en drinken aanschouwelijk voor. Dit is nu weer in de protestantse kerken getrouwer bewaard gebleven, waar in de R.-K. kerk de leden van het gebruik der tekenen zijn uitgesloten.
In het algemeen kan men zeggen dat aan de christelijke kerk, niet het minst in haar armenzorg, de gedachte aan gemeenschap ten grondslag ligt niet alleen, maar dat in die gemeenschap een stuk communisme verwerkelijkt ligt. Zoals we in de kerk niet zweren, maar eenvoudig ja en neen zeggen als we iets moeten bevestigen, zo verschilt ook de kerkelijke idee omtrent het bezit en het aardse goed van die der maatschappij. Wanneer wij dit zeggen, dan kunnen we echter, hoezeer we ook moeten erkennen dat de kerk in de loop der eeuwen op dit moeilijke terrein veel heeft bereikt, toch niet verhelen hoe zielig de kerk met haar gemeenschapsidee in de moderne maatschappij staat. Alles wat wij er van hebben overgehouden in Avondmaal en armenzorg, zinkt in het niet in de grote begeerlijkheid van het maatschappelijk leven.
Te allen tijde zijn er mensen geweest die lang niet tevreden waren met wat de kerk in dit opzicht van de gemeenschap der heiligen in praktijk bracht. Zij vonden dat de kerk eigenlijk haar ideaal losliet en de wereld liet geworden.
Wij zien deze reactie tegen de kerk zeer sterk optreden bij sommige volgelingen van Johannes Huss in Bohemen.4 Deze mensen (Taborieten) waren niet tevreden met de enkele oefeningen en toepassingen die de christelijke kerk van het leven in liefde en gemeenschap op de basis van de vrijwilligheid gaf, maar zij wilden ook staan op het recht dat ieder op de gemeenschap had. Zij wensten dat recht ook gewapenderhand door te zetten. Hoe deze ideeën in Bohemen ontstaan zijn, weten we niet recht, maar de gedachte van de natuurlijke gelijkheid van allen vermengt zich hier met het kerkelijke liefdecommunisme. De natuurlijke gelijkheid is meer de oude Griekse gedachte, waarover ik breedvoerig heb gesproken en die door de stoïcijnen is uitgewerkt en bij de kerkvaders min of meer is bewaard gebleven. Deze Oudgriekse gedachten zijn ook in de middeleeuwen nooit geheel verloren gegaan en komen hier en daar te voorschijn. In de dagen der Hervorming maakt het christelijk leven een crisis door. Enerzijds wordt het wereldleven, het aardse leven sterker en kloosters raken aan de kant. De schijn dat de kerk het leven kon bevatten week. Het leven der volkeren brak uit de kerk. De vraag was, of de christelijke geest nu het leven geheel zou kunnen doortrekken, ook buiten de kerk. Of het communisme der kerk de maatschappij zou kunnen beheersen, en niet alleen symbolisch, maar ook in werkelijkheid voor het hele leven regelend zou kunnen werken.
Dit hebben de wederdopers trachten te bewerkstelligen. Wij zijn gewend deze sekte met een zekere afschuw te beschouwen. Haar geschiedenis vormt een wilde en tenslotte bloedige bladzijde in de geschiedenis van Europa. Maar toch laat het zich zeer goed begrijpen dat een brede, over heel Europa verbreide beweging de overgang van het kerkelijk Europa naar het wereldlijk Europa niet heeft willen maken zonder met alle geweld te trachten de bergrede uit de kerk naar het buitenkerkelijke leven mee te nemen. Wanneer het nu ernst werd met het priesterschap der gelovigen, dan begrepen de wederdopers niet waarom men er dan ook niet volle ernst mee zou maken. De R.-K. kerk had het communisme tot een enkele klasse van mensen beperkt. Zij had verschillende trappen van geestelijk leven en van communisme ingesteld. Zij was met de menselijke natuur en met de zonde te rade gegaan en had aan de nodige voorzichtigheid gedacht. Ze had als het ware het hemelse leven, zoals het sacrament in de altaarkast, in haar gewijde ruimte ingesloten en er niet meer van uitgedeeld en losgelaten als ze meende dat de wereld dragen kon. Nu vielen echter de muren der kerk en het heilige stond open en bloot voor de wereld ten toon. Was het wonder dat half Europa begeerde dat heilige nu ook zelf te hoeden en, zoals vroeger de Moravische broeders zelf de tekenen des Avondmaals begeerden te genieten, nu in algemener zin de toepassing en de algemene verbreding van de hoogste zedelijkheid der kerk begeerde? Wij begrijpen dat men in verheven enthousiasme de heilige vaten in eigen huis ten toon wilde stellen en de hele wereld wilde doen delen in de zegeningen van het zuivere christendom.
Geen oorlog en wapens meer, maar een vrederijk. Geen kapitalisme meer, maar communisme. Geen heer en knecht meer, maar allen broeders. Gij weet misschien dat in Münster een poging gewaagd is om dit hemelse Jeruzalem op te richten. Wie daarvan de geschiedenis enigszins kent, weet dat hier geest en vlees op vreselijke wijze vermengd waren. Niet een pinkstergemeente, maar de wereld uit de Griekse komedie kwam eruit te voorschijn. En toch is het zo logisch en zo goed te begrijpen dat half Europa een tijdlang naar deze geesteshouding heeft overgeheld. Wat is het menselijk en ook het christelijk leven toch een wonder ding dat we zo weinig peil kunnen trekken op onze geestelijke berekeningen en onze meest geestelijke beginselen zo weinig kunnen vertrouwen. Want ligt het verwijt niet voor de hand dat de hervormers halven zijn geweest en uit voorzichtigheid het Evangelie niet hebben durven toepassen? En toch, deze doperse toepassing ging niet op. Ze leed schipbreuk. Waarop? Op de menselijke natuur.
Na deze ontzaglijke geestesbeweging heeft het kerkelijk communisme wel hier en daar in kleinere sekten het hoofd opgestoken, maar het waren niet meer dan verspreide vonken van een uitgedoofd vuur. Ook de doopsgezinden waren slechts gematigde dopersen, wier broederschap geestelijk werd getemperd en in het maatschappelijk leven zich aansloot bij het wereldleven. Wel bestaat de naam broederschap nog en is elke gemeente een afzonderlijke vrije kring, maar het revolutionaire element sloeg juist om in een lijdelijke houding, een zwijgend protest tegen de wereld, terwijl men zich uiterlijk tot op zekere hoogte bij haar aansloot.
Tot dusver de geschiedenis van het communisme. Er is niets nieuws onder de zon. Is het daarmee afgedaan? Natuurlijk niet. Wanneer van de eerste ons bekende geschiedenis van Europa af een communistische drang door de politieke en kerkelijke geschiedenis gaat, dan moet er iets zijn dat zich zoekt te openbaren. De nood der wereld dringt enerzijds tot het zoeken van middelen die aan het lijden van de grote meerderheid der mensheid een eind kunnen maken. En anderzijds houdt de roep niet op dat om Godswille allen broeders behoren te zijn.
Enerzijds zien wij de gedachte van beneden uitgaan, van de natuur: de dierenmaatschappij wordt tot voorbeeld gesteld voor de mensenmaatschappij en een natuurrecht, ook wel rechten van de mens genoemd, wordt geproclameerd. In naam van die rechten, van die eisen der natuur zien we revolutionaire bewegingen losgaan; roof, moord, plundering breekt los. Alles wordt aan de natuurgrond gelijk gemaakt. Anderzijds komen de gedachten van boven, het zijn Gods gedachten, niet die van de natuur; zij komen niet uit de dierenwereld, maar uit de geestenwereld en willen een gemeenschap des geestes in de eerste plaats en daardoor van alle dingen te voorschijn roepen. Maar ook deze laatste komt in mensenhanden en wat de kerk daarvan bewaart, is soms een bespotting van wat God bedoelde.
Wanneer wij van beneden uit de natuur, uit de dierenwereld uitgaan, staat op de voorgrond het recht om mede te genieten. De gemeenschap van de goederen is het waar het eigenlijk om gaat. Wanneer wij van boven uit het rijk des geestes komen, staat de gemeenschap van de arbeid, de arbeidsroeping op de voorgrond. Deze laatste, de arbeidsroeping, de arbeidsplicht stond, zoals we ons herinneren, in de Oudeuropese beweging nogal op de achtergrond en ze doet het ook in de meeste revolutionaire communistische bewegingen. Zodra echter een communistische toestand toegepast wordt en enige tijd duurt, zoals men dat in Rusland tracht te doen, horen we hoe spoedig juist deze tweede eis van het communisme naar voren komt. De arbeidsplicht blijkt dan de andere helft van het recht om te genieten te zijn en dit zal voor velen de aantrekkelijkheid van het communisme niet groter maken. De gemeenschap des geestes en der liefde begint steeds met de eis der roeping op de voorgrond te zetten en in verband met die roeping de noodzakelijkheid om z'n kruis op zich te nemen. Wanneer het woord communisme genoemd wordt, dan is dat vaak ook een mengsel. Er zijn in onze dagen theorieën gangbaar die voor een deel uit onze christelijke beschaving stammen, deels uit het natuurrecht.
Er bestaat een brandende haat tegen kapitalisme en tegen het denkend deel der natie in het algemeen. Communisme heet nu soms ook de nieuwe wereld die er komen zal als alle kapitalisme en alle moderne wetenschap, zoals wij die kennen, zal zijn teniet gedaan. Het betekent dan niet slechts goederenverdeling, maar een geheel nieuwe beschaving. Een nieuwe theologie, een nieuwe zedeleer, een nieuwe opvoeding, een nieuwe politiek. Wanneer wij nu vragen, of daarvoor reden is, dan zal zeker juist een christenmens niet gaarne absoluut ontkennend antwoorden. Is dit precies de van God gewilde levensorde waarbij het grootkapitaal de wereld regeert en dat hoe langer hoe meer doet? Geen christenmens, die God en Mammon uiteenhoudt, zal de goddelijke orde en de kapitalistische orde zo maar met elkaar vereenzelvigen. Er is ontzaggelijke ongerechtigheid in de maatschappelijke wereld. Wij kunnen dit zelfs niet zeggen van de grondvraag die zich ten opzichte van het communisme voordoet, de vraag van de eigendom. Mag men zeggen dat de eigendom een goddelijke instelling is en dat dus het communisme tegen Gods bestel ingaat? Ik zie geen grond om dat zo maar te verzekeren. Wij zijn met zulke dingen niet zo maar ineens met een machtspreuk klaar. Ten opzichte van onze maatschappelijke instellingen wijst God ons de weg dikwijls langs praktische weg. De tijd leert ons wat het beste is. Maar dan juist, als wij de zaak niet dogmatisch, maar praktisch bezien, dan moeten wij ook verschoond blijven van communistische machtspreuken.
Nog in de wereldoorlog, kort na het uitbreken der Russische revolutie, gaf een Nederlandse aanhanger van het communisme vol enthousiasme een opsomming van de verbeteringen die de Russen in de maatschappij hadden aangebracht.
"Zij onteigenden de bodem.
Zij maakten vrede.
Zij onteigenden de banken.
Zij annuleerden de staatsschulden.
Zij onteigenden de vermogens.
Zij voerden de algemene arbeidsplicht in.
Zij voerden de eenheidsschool in.
Zij voerden groter onderricht in. ⚑Zij stelden de controle der arbeiders op de fabrieken in.
Zij begonnen de grote bedrijven zelf te exploiteren als gemeenschappelijke bedrijven.
Zij begonnen de grote landbouwbedrijven door coöperatie van arme boeren te doen exploiteren.
Zij voerden het gemeenschappelijke bezit en de gemeenschappelijke produktie in."
De schrijver, Herman Gorter,5 jubelt verder: "De socialistische ziel zal nu spoedig geboren worden. Nu komt het communistisch karakter. Het communistisch gevoel; de communistische vreugde; het communistisch verlangen; het communistisch geluk; het communistisch hart. Spoedig komen ook de hoogste geestesuitingen; het hoogste nieuwe weten; de hoogste nieuwe kunst; zullen uit het begin van het communisme, uit de dageraad, uit de knop te voorschijn breken. De wereld Dageraad is er."
Nu mag men aan zulke grote wereldgebeurtenissen als deze niet de eis stellen dat alles in een week, of laten we zeggen in een veertien dagen klaar zal zijn. Maar toch weten we wel zoveel dat evenmin als in de dagen van Aristofanes, de Griekse blijspeldichter, de wereld er veel mee gebaat is, als men een wolkenkoekoekshuis opricht. Of wij al zeggen:
"Tafeltje dek je
Bekertje spoel je",
de wereld heeft een zekere koppigheid over zich en het toverpaleis blijkt alleen in de droom te bestaan. Nergens is op dit ogenblik de ellende zo groot als juist in Rusland, al wilde men de Russen evenals een 2500 jaar geleden gebeurde de rechtvaardigste van alle mensen noemen, de cultuur heeft ook haar structuur en hangt niet in de lucht. Wij kunnen wel decreteren:
"Alle eigendom weg
Alle standen weg
Alle kapitaal weg
Alle banken weg enz.",
maar dan is dat alles ook weg. En het huidige Rusland behoort ook tot de lessen der wereldgeschiedenis.
Intussen blijven en zullen blijven denkers en dichters, denkers en dromers van een toestand der wereld, die in beginsel van de onze verschilt. Is niet ook het Koninkrijk der hemelen uit het Evangelie, als gij wilt, zulk een droom die over de wereld zweeft? We kennen toch wel de gelijkenissen van de onrechtvaardige rentmeester, de rijke man en de arme Lazarus? De zaligspreking der armen, het wee tegen de rijken? De spreuk yan de twee rokken en van de rechter- en de linkerwang? Waar is het praktisch in de wereld nog toegepast? En toch, wat zou de wereld zijn als dat Evangelie niet gepredikt werd? Dus zegt gij: prediken en niet toepassen? Inderdaad, met die vraag brengt gij mij in het nauw. Ik heb reeds gezegd in het begin dat ik er tegen opzag om over communisme te spreken. Het zijn geen vragen die in de macht van een mens staan wanneer de hele voltooiing der wereld op het spel staat. Wanneer het Evangelie als een zuurdeeg de wereld zal hebben doortrokken, dan zal het principieel, in beginsel anders zijn dan thans. Zullen wij dan de toepassing van het Evangelie verbieden? Leidt de toepassing in het Evangelie zelf ook niet terstond tot ondergang? Wij mogen het Evangelie niet weren. Zo gemakkelijk echter is de zgn. toepassing geen ware toepassing. Terugkeer tot de natuur is niet de kern van het Evangelie. Het Evangelie is de overwinning van zonde en dood en deze toepassing vordert het hele wereldbeloop. Wanneer wij gemeenschap der heiligen zeggen, dan bedoelen wij ook communisme, maar wij vergeten niet dat het staat in een verband met de opstanding des vleses en het eeuwige leven.
Dus op de lange baan schuiven, vraagt ge. En alweer brengt gij mij in verlegenheid. Wij mogen de bekering niet uitstellen. En zo komen we hoe langer hoe verlegener.