Paepse stoutigheden1
1
De ervaring die mr. Van de Laar2 in Gendringen gemaakt heeft toen hij in een lezing een zwakke zijde in de roomse levensleer wilde aanwijzen, heeft algemeen de aandacht getrokken. Het moest ieder opvallen in hoe sterke mate de politiek meespreekt in wat er van Rome gezegd of gezwegen wordt. Wij althans konden de indruk moeilijk van ons zetten dat de houding van De Nederlander aan politiek niet geheel gespeend was.3 Tegenover mr. Van de Laar en wat in De Beukelaer of De Klaroen geschreven wordt, nam dit christelijk-historisch dagblad van het begin af aan een vrij scherpe houding aan. In het begin zo scherp dat aan mr. Van de Laar niets overbleef dan zijn schuilnaam waaronder hij zijn schrijven begonnen was te laten varen en onder eigen naam zijn werk voort te zetten. Gedeeltelijk is dit misschien een gevolg hiervan dat De Klaroen niet 't minst op De Nederlander en z'n redacteur z'n pijlen richtte. Juist om de roep van eerlijkheid en onpartijdigheid waarin dit dagblad staat, scheen het voor de hand te liggen dat iemand die buiten de partijen staande met zorg de 'verleugening' in christelijke kringen gadesloeg met kracht zijn verwondering moest uitspreken wanneer hij aan die zijde soms een gedragslijn meende te ontdekken die hij niet rijmen kon. Voor een ander deel ook is het mogelijk dat meer algemene invloeden hun kracht lieten gelden en een christelijk conservatisme, misschien onbewust, in verzet kwam, instinctief tegen wat aan bestaande toestanden en verhoudingen wel eens een einde zou kunnen maken wanneer het ingang vond. Zulk een verweer pleegt dan fel te zijn. Feller dan het karakter der betrokken personen in staat is te verklaren.
Wat De Nederlander te lezen gaf bij de opzettelijke behandeling van het geval Gendringen konden we althans niet zonder verbazing lezen. Het gold hier een geval waarin cultuur tegenover cultuur staat. Mr. Van de Laar gewoon aan onze protestantse manieren die de vrije man het vrije woord gunt ook al staat hij in een omgeving die met hem niet overeenkomt, wees, nog wel in eigen kring, op de kracht van ons beginsel tegenover dat van Rome. Dat hij daarbij meer onmiddellijk dacht aan wat de praktijk in roomse streken doet zien dan wat bij goede telling kan opgesomd worden aan tekenen van beter inzicht kan ons moeilijk verwonderen. Roomse leer en praktijk liggen in eik geval veel verder uiteen dan de protestantse leer en praktijk.
Dit was echter hier de hoofdzaak niet. Mr. Van de Laar maakte hier kennis met de roomse cultuur die van zeer materiële argumenten weet wanneer de argumenten van woord en betoog niet helpen. Het zou te veel gezegd zijn wanneer we wilden beweren dat zulke argumenten onder protestanten geheel en altijd ter zijde gelaten worden. Maar we menen dat het niet te veel gezegd is wanneer we vaststellen dat de roomse bevolking, ook in ons land, nog niet die onbekrompen opvatting van het vrije woord heeft die onder ons bijna gemeengoed is geworden.
Staat men nu tegenover een uiting van deze minderwaardige roomse cultuur en wordt een onzer meest consciëntieuze en kloekhartige mannen er de dupe van, dan doet het onaangenaam aan wanneer men een onzer dagbladen als advocatus diaboli ziet optreden. Wat een roomse allicht voor in de mond ligt, wat in hun verweerschriften altijd wordt aangetroffen, Luther voor te stellen als iemand die het leven wel lustte, dat ziet men toch met verbazing zwart op wit naar aanleiding van paepse stoutigheden als te Gendringen in een christelijk-historisch dagblad. We willen gaarne aannemen dat hier billijkheidsoverwegingen hebben meegesproken. Ook ten opzichte van de tegenstander en juist tegenover hem moet men billijk zijn. Maar verdrietig is het wanneer in onze of naburige en verwante kringen de sfeer ontstaat waarin men geen kwaad meer van Rome horen wil. Anti-papisme is een onaangename geestesgesteldheid die minder uitwerkt dan men denkt. Maar des te meer komt het er op aan voor het vrije woord te waken waarin onze kracht tegen Rome ligt en waarbij wij in elk geval meer aansluiting hebben met onze liberale landgenoten.
Mocht er in sommi-e kringen een conservatieve geestesgesteldheid ontstaan die tegenover alles wat in onze dagen er op wijst dat de christelijke zuurdesem doorwerkt door een zekere vrees voor verschuiving van oude verhoudingen bekropen wordt en zich meer met Rome op haar gemak gevoelt dan met een jongere protestantse groep voor wie de traditie niet als 't hoogste geldt, dan zal er dubbel reden zijn om de rechten van het vrije woord hoog te houden. Niet sterk genoeg kunnen die atavistische uitingen van roomse cultuur gegispt worden die dit zoeken te smoren. Rome heeft onoetwijfeld elementen van christelijke beschaving en christelijk leven. Maar wanneer voor de toekomst gezocht wordt naar kringen waaruit levende belijders van het Evangelie zullen moeten aangeworven, dan zal het zeer de vraag zijn of we daarbij allereerst aan Rome hebben te denken of aan die kringen waar vaste formules en clichés troef zijn. Waar Gods Woord iets van hart en leven zal kunnen maken, moet ruimte zijn voor Gods Woord en moet niet alles van te voren vaststaan. Onze liberale landgenoten zijn vaak te kort geschoten in eerbied voor het vrije woord en hebben op hinderlijke wijze die vrijheid weinig geëerbiedigd. Toch blijft het hinderlijk wanneer in onze dagen vaak geheel vergeten wordt dat onder hen een stuk protestantisme leeft dat niet uit het oog mag worden verloren. Van Romes cultuur en geest verwachten we voor de toekomst weinig goeds.
2. Een antwoord
In ons artikel Paepse stoutigheden hadden we onze verwondering uitgesproken over de wijze waarop De Nederlander Luther mengde in de zaak 'Van de Laar'. Er bestaat een oud rijmpje dat veelal aan Luther is toegeschreven en aldus luidt:
"Wer nicht liebt Wein, Weib und Gesang, Bleibt ein Narr sein Leben lang."
Dit rijmpje moest in De Nederlander mede dienst doen om in een artikel waarin Rome op z'n breedst werd voorgesteld het protestantisme op z'n smalst te tekenen inzake drankbestrijding. Dr. Kuypers afkeer van de chocoladeketel was er ook bij te pas gekomen. Ook andere 'feiten' werden genoemd ten betoge dat we in dit stuk op Rome in 't minst geen voorsprong hebben.3
Dat Luther hier dienst moest doen om onze zwakheid in dezen te verduidelijken had onze verbazing gaande gemaakt. De Nederlander vindt nu dat hiervoor geen reden bestaat. Bovenbedoeld rijmpje toch, schrijft het blad, "is niet door roomsen, maar door de protestantse bewaarders van de Wartburg onder de motto's opgenomen, die dit historische plekje versieren." Nu heeft, zijn we goed ingelicht, rooms onderzoek geleerd, dat dit rijmpje niet van Luther is en eerst meer dan 200 jaar na Luthers dood is bekend geworden. Ook betwijfelen we of het op de Wartburg wel staat op een plekje dat ten opzichte van Luther in engere zin historisch genoemd kan worden. Misschien ware het interessant te vernemen waar het precies stond. Onze herinnering laat ons in dit opzicht in de steek.4
Met onze verwondering staat dit echter in geen verband. We hebben ons aan het spreukje nooit geërgerd voordat we het in het bewuste artikel in De Nederlander lazen. Het verband gaf het daar een odieuze bijsmaak die bij ons de herinnering opriep aan roomse polemiek.