Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 4, p. 370–391

Weergave
Passages naar Readwise sturen

Blaise Pascal1

Ik kan het beeld van Pascal niet in de lucht tekenen. Ik moet eerst het doek weven waarop het beeld vallen moet. Waar zal ik de eerste draad vastleggen?

Ik heb Blaise Pascal de Franse Augustinus genoemd, omdat hij, evenals die grote kerkvader, een licht voor de christenheid geweest is. Vroeger heb ik hier met lichtbeelden gelezen over de kerkvader.2 Daarom wil ik even de lijn trekken, die de Franse Augustinus met de Africaanse verbindt.

De Africaanse Augustinus, waarover ik dus vroeger sprak, is de grote christenleraar voor West-Europa geworden, van de Latijnse wereld, in onderscheiding van de Grieks-christelijke wereld (Oost-Europa). Omstreeks 430 na Christus, toen Augustinus stierf, was, althans in de steden, het christendom wel zo ongeveer gevestigd. In 't zuiden van Frankrijk en aan de Rijn waren de kerken overal georganiseerd. Op 't platteland waren toen nog veel heidenen. Er bestaat een gedicht uit de vijfde eeuw over veeziekten, waarin enige boeren spreken over het belezen van vee. Een van hen weet te spreken over het kruisteken van de God, die alleen in de grote steden vereerd wordt.3-

Toen is de grote volksverhuizing gekomen. Augustinus zag op zijn sterfbed de storm rondom de stad in Noord-Afrika waar hij bisschop was. De Vandalen stonden toen voor de poorten van Hippo. In Spanje vestigden zich de west-Goten. In Frankrijk de Franken. In Italië de oost-Goten. Maar de christelijke kerk is met het Romeinse rijk niet ondergegaan. De gemeenten zijn bij de volksverhuizing blijven bestaan, althans in Europa. En de jonge volkeren hebben het van de overwonnen overgenomen. Daardoor is ook een groot stuk van de beschaving van het Romeinse rijk bewaard gebleven. De kerk nam de Goten, de Franken in de leer.

Bij de opvoeding van het jonge Europa heeft Frankrijk een heel bijzondere rol vervuld. Het is de brug geworden, waarover de oude beschaving van Grieken en Romeinen en het christendom naar ons toe zijn gekomen. Daarvoor bestaan twee redenen. Een algemene en een kerkelijke. De algemene is deze dat in Frankrijk de Latijnse beschaving met grote liefde was overgenomen. Er bestonden universiteiten te Bordeaux en te Autun, waar de jeugd het beste onderwijs kon bekomen, dat er toen te krijgen was. En zo is Frankrijk al vroeg een leerschool voor geheel Europa geworden. Men kan dat nog zien aan de plaats van het Frans op de scholen. Maar er is ook een kerkelijke reden. Toen koning Clovis van de Franken ± 500 christen werd, werd hij rooms-christen. Men kan ook zeggen, dat hij de leer aannam zoals Augustinus die beleden had. Andere volken zoals de Goten in Spanje en Italië deden dat niet. Voor Rome waren dat ketters, Arianen, geen katholieken. En nu is het merkwaardige dit dat de ariaanse rijken zijn ondergegaan en het katholieke Frankische rijk alleen is blijven bestaan. Daardoor kreeg Frankrijk wel uit christelijk-kerkelijk oogpunt een vooraanstaande positie. Frankrijk heette de oudste dochter der kerk. En de Franse koning droeg de titel van Allerchristelijkste Majesteit.

Beide, de algemeen-culturele en de kerkelijke voorsprong van Frankrijk hebben meegewerkt, ook met zijn geografische ligging, om het land die vooraanstaande positie te geven die het steeds in Europa gehad heeft. En wie zo in 't laatst van de negentiende eeuw dacht dat Frankrijk aan 't afgaan was, heeft toen weer in de Wereldoorlog met verbazing de kracht opgemerkt, die er in dit volk schuilt.

Ik liet deze dingen voorafgaan, omdat ik over een beroemd Fransman zal spreken, een genie zoals Europa er misschien geen tweede heeft aan te wijzen.

Nu is Frankrijk een rooms land. De oudste dochter der kerk is aan Rome trouw gebleven. In de tweede helft van de zestiende eeuw was het onzeker dat dit zo blijven zou. De Walen, die overal ook in ons land wonen, zijn er een bewijs van, dat het protestantisme in Frankrijk toen een grote macht geweest is. Ieder weet van de Bartholomeüsnacht in 1572 toen zoveel protestanten werden vermoord, o.a. ook de grijze Coligny, de schoonvader van prins Willem van Oranje. Vijftig jaar lang hebben de godsdienstoorlogen er gewoed. Tot Hendrik IV in 1593 de bekende woorden sprak: Parijs is wel een mis waard, en rooms werd, en algemeen als koning van Frankrijk erkend werd. Het Edict van Nantes gaf de protestanten vrijheid van godsdienstoefening, maar Frankrijk en zijn koning bleven rooms. Later heeft Lodewijk XIV het Edict van Nantes herroepen en begon de vervolging der protestanten. Thans zijn er zesendertig roomsen tegen een protestant.

De tijd waarin Pascal leeft ligt tussen de uitvaardiging van het Edict van Nantes in 1598, onder Hendrik IV, en de herroeping van dat Edict onder Lodewijk XIV in 1685. Het Edict van Nantes gaf de protestanten godsdienstvrijheid, maar metselde hen tegelijk in. Ze breidden zich niet meer uit . De herroeping van het Edict in 1685 dreef hen in grote scharen het land uit. De zeventiende eeuw is dus de tijd van de tweede verroomsing van Frankrijk. De oudste dochter van Rome wil de moederkerk trouw blijven.

Hoe vreemd het nu voor onze protestantse oren moge klinken, dit is de tijd van de grootste bloei der Franse beschaving. In deze eeuw leefden staatslieden als Richelieu, Mazarin; ministers als Louvois, generaals als Condé, Turenne, Luxembourg, vestingbouwkundigen als Vauban, dichters als Corneille en Molière, en kanselredears als de beroemde Bossuet. Toen leefde ook Pascal.

Wij kunnen zeggen dat deze eeuw van verroomsing van Frankrijk vlak tegenover ons land heeft plaats gehad, want bij ons ging de ontwikkeling precies in tegenovergestelde richting. Onze grote mannen, Jan de Wit en Willem III, waren de tegenspelers van de Franse staatslieden. Willem Ij heeft ook Engeland geleid in zijn strijd tegen Frankrijk en het katholicisme. Wij kregen in 1672 de Franse legers op ons dak. Hierheen begaven zich Franse denkers als Descartes, die het in hun eigen land niet vrij genoeg vonden. Hierheen vluchtten vele Franse protestanten. Deze honderd jaren Franse geschiedenis zijn met onze eigen historie nauw saamgeweven. Ook ons volk beleefde toen zijn Gouden Eeuw, zijn grote honderd jaren. Ook wij hadden grote staatslieden, generaals, dichters en denkers.

Pascal leefde in 't midden van dit tijdperk, 1623-1662. Op zijn twintigste jaar, in 1643, kwam Lodewijk XIV aan de regering, maar deze was minderjarig tot 1651. Van 1651-1662 heeft hij dus de eerste regering van de Zonnekoning meebeleefd, voordat nog de grote oorlogen van die vorst Europa in beroering brengen. Het is tegelijk de tijd, waarin de macht van de Franse adel, waarvan in de godsdienstoorlogen de ene helft tegen de andere over stond, aan het koninklijk gezag werd onderworpen. In 1651, toen Lodewijk XIV aan de regering kwam, kon hij praktisch reeds zeggen, wat hij later zei: De staat, dat ben ik.

Wij moeten nu zien hoe het toen op geestelijk gebied in Frankrijk gesteld was. Een grote beweging als de Kerkhervorming kon natuurlijk niet plaatselijk zijn. Dat Nederland in z'n Gouden Eeuw gereformeerd geworden is, Frankrijk in zijn gouden eeuw een rooms land, is een volstrekte tegenstelling: 't ene precies omgekeerd als 't andere. Maar men moet niet denken, dat het ene helemaal onafhankelijk is van 't andere. Denk aan Rusland en Duitsland, communisme en nationaal-socialisme. Men weet dat het laatste ontstaan is als verweer tegen het eerste. En in het nationaal-socialisme zit toch ook een stuk communisme. Ze lijken tot op zekere hoogte op elkaar. De staat totaal; de kerk in de knel.

Zo ook in de zeventiende eeuw. In de landen die toen verroomst zijn, zoals Frankrijk, werkten de krachten die bij ons tot Reformatie leidden ook. In Frankrijk heel sterk. De verroomsing heeft plaats als Contra-Reformatie, tegenreformatie, en rekent dus met de Hervorming; lijkt er in sommige opzichten op.

Nu is een van de hoofdtrekken van de Kerkhervorming dat het persoonlijk geweten meer op de voorgrond is gekomen. Vroeger was de kerk in meerdere mate het geweten van de mensen. Wie als roomse nu nog de sacramenten der stervenden ontvangt -'t staat er in de courant altijd bij sterft gerust. De protestant niet. Hij wil op een meer persoonlijke wijze weten dat God goed op hem is, hem genadig is. En nu is het merkwaardige en ook tegelijk vanzelfsprekende dat datzelfde ook in de Contra-Reformatie naar voren komt. Luthers stellingen tegen de aflaathandel - het kopen van vergeving voor geld - hebben ook in de roomse kerk hun werk wel gedaan.

Maar terwijl de protestanten, vooral de gereformeerde protestanten waartoe wij behoren, zoveel mogelijk hebben weggedaan van het hele uitwendige apparaat, van de ceremoniën, behielden de roomsen die in de Contra-Reformatie. Ze behielden al die uitwendige middelen om de mensen te helpen om te geloven. Altaren en beelden, priesters en plechtige diensten, zeven sacramenten voor alle belangrijke ogenblikken in het leven, en de absolutie na de biecht.

Maar met behoud van dat alles heeft het katholicisme zich, naast het protestantisme, toch rekenschap moeten geven van de betekenis van het geweten en zich moeten aanpassen aan de nieuwere geschiedenis, zoals Rome dat nog steeds doet. Rome weet zich altijd goed aan te passen.

Frankrijk heeft daarbij z'n naam van de oudste dochter van Rome te zijn geen oneer aangedaan. Er zijn in de zeventiende eeuw een aantal orden ontstaan die zich op de reformatie van het leven hebben toegelegd. Innerlijk en uiterlijk beide, op nieuwe wijze, naast het protestantisme. Uitwendig door werken van barmhartigheid. Er zijn toen in Frankrijk enige orden ontstaan, die lijken op het tegenwoordige Leger des Heils. Vincentius van Paula is de bekende stichter van de Orde der barmhartige zusters (1618) en in 1624 van de Priesters der missie.4

Ons moet het nu te doen zijn om de inwendige verpleging, de leiding van het geweten, de zielzorg. Wij zeiden dat het persoonlijk geweten in de roomse kerk ook naar voren kwam. In de biechtstoel was de gewetensleiding natuurlijk altijd wel bekend en nu nog. Maar daarnaast - en dat was juist het nieuwe - trachtte men ook aan mensen van de wereld leiding te geven, zodat de kerk zich bij de wereld aanpaste en de wereld bij de kerk. De zeventiende eeuw was niet meer de twaalfde of dertiende eeuw toen de kerk en de staat, bisschoppen en edelen samen de wereld organiseren konden. Een nieuwere maatschappij was ontstaan. En dat leidde tot allerlei levensvragen, waarmee de pastoor in de biechtstoel soms ook geen raad wist. De protestanten met hun vereenvoudiging van de kerk, hun terugtrekken op het geloof en het geweten stonden dichter bij het dagelijks leven, zodat kerk en leven meer gemengd waren en de vragen samen oplosten. Maar in de roomse landen, waar men middeleeuwse instellingen en opvattingen had vastgehouden, ging dat moeilijker.

Laat mij een voorbeeld mogen noemen. Volgens de oude kerk en de middeleeuwen was het nemen van rente verboden. Men mocht wel geld lenen, maar geen rente nemen. Dat was onchristelijk. Calvijn heeft de rente geaccepteerd en daarmee heeft het kapitalisme zijn intrede in de christenheid gedaan, het bankwezen, de grootindustrie. Men bracht deze dingen met zijn geloof en geweten in overeenstemming. Men was geestelijk veel beweeglijker en leniger dan Rome. Rome behield de oude instellingen, terwijl het toch ook met nieuwere toestanden te doen kreeg. Voor Rome was het dus veel moeilijker om aanpassing te vinden. De kerk moest bij brokjes een nieuwe moraal scheppen, wat bij de protestanten geleidelijk, persoonlijk en vanzelf in 't leven plaats vond.

Bij die aanpassing nu hebben in Frankrijk de jezuïeten de leiding genomen. Ieder heeft van de jezuïeten wel eens horen spreken en ze hebben onder ons niet een al te beste naam. Ze hebben 't er in de geschiedenis ook wel eens naar gemaakt. Maar in ieder geval is 't een geweldige macht in de roomse kerk geweest.

Stichter van die orde was niet een Fransman, maar een Spanjaard, die in 1541, met goedkeuring van de paus, de orde van Het genootschap van Jezus stichtte. In sommige opzichten lijkt hij op Luther. Hij was Luthers tijdgenoot. Deze stierf in 1546. Loyola in 1556.5 Beiden hielden zich bezig met de hervorming van de innerlijke mens. Beiden waren grote zielkundigen en leiders van het geweten. Maar terwijl Luther dat deed in de grote vrijheid van het persoonlijk geloof, gebonden aan de bijbel, was Loyola de man van de methode, die met strenge oefeningen de ziel op een bepaalde wijze leerde te dwingen in een bepaalde richting. En terwijl bij Luther de mensen in de vrijheid van een gemeenschappelijk geweten met elkaar verkeerden, zette Loyola de leden van zijn orde in het strenge verband van gewetensleiding. De ene ordebroeder regeerde het geweten van de ander die aan hem ondergeschikt was. En wanneer de leider van het geweten besliste, moest de ander hem gehoorzamen als een lijk, zoals men het noemde. Dan had hij zelf geen geweten nodig. Zo zocht men oude voorschriften met nieuwe gevallen te verbinden.

Deze orde van Loyola had ook in Frankrijk grote invloed. De jezuïeten werden er niet altijd graag gezien, maar sommige van de bekende Fransen uit die tijd zijn op jezuïetenscholen opgeleid. Ik heb er al drie van genoemd: Condé, Descartes en Bossuet.

Deze orde van Loyola nu, de jezuïeten, hebben zich vooral beziggehouden met het moeilijke werk waarover ik zopas sprak. Om, waar vrije aanpassing niet mogelijk was, omdat Rome de vrije gewetensleiding der protestanten niet kent, toch een brug te leggen door de moderne wereld. De geboden Gods bij stukjes en beetjes zo te regelen en te rekken, dat men weet wat mag en niet mag in de wereld en toch voor zijn geweten verantwoord blijft. Met een vreemd woord heet dat casuïstiek. D.i. gevallenleer. Een handleiding voor wat ik doen mag en moet in dit geval en in dat geval. ⚑Gevaarlijk wordt zulke casuïstiek als men de beslissing van het geweten, met het oog op Gods gebod, uitschakelt en voor alle gevallen een regel maakt, zodat men de mensen een boekje van goed en kwaad voor alle gevallen waarin ze kunnen komen in handen geeft. En dat trachtten nu de jezuïeten in die tijd te doen. Het gebod van Christus uit te rekken tot het paste op de dingen waarmee men in de wereld in aanraking kwam. Ze schreven een groot aantal van zulke zedekundige handboeken, waarvan het publiek een maar al te gretig gebruik maakte. In de boekwinkel zag men omstreeks 1640, zo vertelt een bekend schrijver uit die tijd, slechts boeken over de moraal, de zedekunde.a Dat was de nieuwe moraal, de rekkelijke moraal, zoals ze heette, waarin de strenge regels van de christenen, zoals de kerk die altijd had hooggehouden, werden aangepast aan de wensen en behoeften van de zeventiende-eeuwse mens. Dat was toen natuurlijk wat men in iedere eeuw de moderne mens noemt. Er waren in de zeventiende eeuw in Frankrijk bijzondere redenen, waarom die moderne mensen zo'n rekkelijke moraal meenden nodig te hebben. Voor Duitsland zouden we dat toen niet kunnen zeggen. Daar was de zeventiende eeuw een eeuw van druk en nood, door de dertigjarige oorlog en de gevolgen daarvan. Onder die druk voelde men geen behoefte aan een rekkelijke moraal, maar men dichtte en zong die beroemde liederen, die naast de psalmen nog de mooiste bundel uitmaken, die de christelijke kerk kent.

Maar in Frankrijk was 't voorspoed. De godsdienstoorlogen waren sedert de troonsbestijging van Hendrik IV in 1589 ten einde. Krachtige staatslieden als Richelieu en Mazarin6 hadden de macht van het koningschap gevestigd door de macht van een woelige adel te breken. Er was vrede en orde. En de Fransman in de zeventiende eeuw wou leven, ook op deze wereld. Hij wou wel leven onder de kerk. Maar hij had niet zozeer een gezangbundel nodig om z'n ziel naar de hemel op te heffen, maar een moraal en liefst niet een strenge moraal, om hem 't leven gemakkelijk te maken, zonder al te veel last van z'n geweten. Daar zorgden dan de handboekjes over moraal van de jezuïeten voor.

Men vraagt zich onwillekeurig af, hoe een kerkelijke orde, zoals de jezuïeten toch waren, onder goedkeuring van de paus, er toe kwam om op die manier de gewetens te leiden. Nu is het bekend dat de roomse kerk - niet de eerste christenen maar de roomsen, de kerk die de jonge volkeren van Europa, de Franken, de Saksen heeft opgevoed - geleerd heeft erg toegeeflijk te zijn, als men de leiding in handen wil houden. Dat is nog zo. Rome houdt de touwtjes in handen, maar het is zeer rekkelijk. Er kan in de gemeente bij de pastoor heel wat op door. De goed-kerkelijke protestant is veel strenger en hij vindt beter dat de touwtjes hem ontglippen, dan dat hij een rekkelijke moraal zou goedkeuren.

Maar ook als we dit eigenaardig roomse in gedachten houden, dan blijft het nog vreemd aandoen, dat deze rekkelijkheid in de moraal zover kon gaan, en nog wel in de zeventiende eeuw, als bij de jezuïeten.

Daarbij moeten we ons nog eens herinneren, dat we in Frankrijk zijn. Frankrijk was juist in de zeventiende eeuw het cultuurland bij uitnemendheid. Franse beschaving was de beschaving van Europa. De mode komt er nu nog vandaan. Maar toen werden de manieren waarop men zich moest gedragen door Franse meesters geleerd. Dat vraagt wat van een kerk, zo'n bloei van het wereldse leven, als dat tenminste met de zegen van de kerk moet gaan, zoals Rome dat wil. Maar in Frankrijk kwam er in de zeventiende eeuw nog iets bij. Het Franse volk heeft wel eens de naam bijzonder lichtzinnig te zijn. Ten dele is dat onverdiend. Het is een vlijtig, spaarzaam volk. In de grond is de Fransman, ik zal niet zeggen ernstiger, maar minder innerlijk opgewekt dan de Hollander. Wij lachen vermoedelijk meer. Maar het is waar dat het Franse volk ook z'n naam van lichtzinnig te zijn ten dele verdiend heeft. En daarvoor is de zeventiende eeuw voor dat volk wel een leerschool geweest. Juist in de eerste helft van de zeventiende eeuw, in de tijd van Richelieu en Mazarin, zijn er in Frankrijk kringen geweest, die een lichte manier van leven tot een soort kunst probeerden te maken, immoraliteit, onverschilligheid voor de wet van God onder een gepolijste vorm. Mooi gemaakte goddeloosheid.

Dat is er natuurlijk altijd in de wereld. Maar in Frankrijk was het in de eerste helft der zeventiende eeuw heel erg. Een soort lichtzinnigheidskerk, zonder geloof en zonder gebod. De verwildering van de godsdienstoorlogen had er mede aanleiding toe gegeven. Toen had in Frankrijk de roomse kerk even haar greep op het leven moeten loslaten. Libertijnen is het vreemde woord dat men er voor gebruikt. Mensen die de banden van het leven afwerpen. Er is in die periode ook een hele libertijnse letterkunde ontstaan. Ze zitten nog door heel Europa verspreid. 'Heel curieus', zetten de boekhandelaren er vaak bij, als ze op een verkoping voorkomen.

Het protestantisme, vooral Calvijn te Genève, heeft met de libertijnen die na de Kerkhervorming alle banden wilden verbreken een harde strijd gestreden. Te Genève heeft Calvijn die strenge geest gekweekt, die gedurende drie eeuwen en nog ten dele heersende is in de calvinistische landen. De roomse kerk, tenminste de leiders van de Contra-Reformatie, de jezuïeten probeerden het in Frankrijk in die tijd waarover wij handelen op een andere manier. Zij rekken de moraal om de libertijnen weer voor de kerk op te vangen. ⚑Daartegen is toen Blaise Pascal opgetreden. We moeten zien wat daartoe aanleiding gaf en wie Pascal was. Daartoe moet ik even teruggaan. We hebben gezien, dat het Frankrijk van de eerste helft der zeventiende eeuw zich gereed maakte om zijn gouden eeuw te vieren, de toon aan te geven in het leven - En dat de Franse kerk en het Franse volk opnieuw rooms werden in die eeuw. Dat ze niet de innerlijke vorming en scholing van de innerlijke mens en van het geweten meekregen als de protestantse, met name de calvinistische landen. Dat de Tegen-Reformatie, door de jezuïeten geleid derhalve een gewetensleiding organiseerde, die zeer werktuiglijk was.

Maar Frankrijk bleef toch de oudste dochter van Rome, de allerchristelijkste natie. En we kunnen van te voren verwachten, dat er in de Franse kerk en het Franse volk zich krachten zullen openbaren en stemmen zullen opgaan, die tegen deze verwereldlijking zullen ingaan. Die op het binnenste, het hart van het christendom zich zullen terugtrekken, op Christus, op het kruis, op de genade, op de belijdenis van de erfzonde, dat een mens ook in een gouden eeuw, in iedere eeuw een schuldig en ellendig schepsel blijft. En dat het ware leven elders is. Die met Augustinus en zijn moeder blijven kijken naar een land, waarvan de kaart niet kan getekend worden.

Die oorspronkelijke christelijke levensernst openbaarde zich op 25 september 1609 op bijzondere wijze in een zeventienjarig meisje. Ze was van de aanzienlijke Parijse familie Arnauld. Haar vader was advocaat. Ze heette Angélique Arnauld en was als kind van elf jaar reeds abdis geworden van het klooster Port-Royal, gelegen in een ongezonde vallei op enige afstand van Parijs. Ze was abdis zoals er zovele waren, die het postje bij wijze van unst gekregen hadden, omdat ze van goede familie was. Door de preek van een reizend monnik werd ze getroffen en besloot haar klooster te hervormen volgens de strengere regels, die het concilie van Trente daarvoor had opgesteld. Op de genoemde 25e september kwamen haar ouders haar bezoeken - ze was toen zeventien jaar - maar werden niet binnengelaten. De banden des bloeds mochten de geestelijke banden niet storen. Daar stond de familie Arnauld. Het werd een scene. Men wond zich op. Men dreigde. Men smeekte. Niets hielp. De deur bleef gesloten. De jonge abdis viel zelf flauw van de spanning. Het was geen uiting van een buitengewoon zelfstandig karakter, maar de openbaring van hogere kracht in een zwak meisje. Hier was het uit met de rekkelijkheid.b

Dit klooster Port-Royal, dat een Europese naam heeft gekregen is het middelpunt geworden van een streng christelijke beweging in de Franse kerk, die bekend staat onder de naam van jansenisme. Ze heeft tot een afscheiding geleid, die ook nu nog in ons land is vertegenwoordigd.7 Hier wilde men niet weten van rekkelijke gewetensleiding, maar trok zich tegenover de verwereldlijking der kerk terug op haar middelpunt: de alleenheerschappij van de goddelijke genade over het mensenhart.

Leider van het klooster, biechtvader, was de abt van het klooster, Saint-Cyran, een van de merkwaardigste figuren uit de Franse kerkgeschiedenis. De beweging greep om zich heen. Onder de invloed van de prediking van Saint-Cyran sloten zich een aantal bekende mannen er bij aan, o.a. verschillende familieleden van Angélique Arnauld, haar oudste broer, haar zwager, een beroemd Parijs advocaat Le Maitre, die ineens een schitterende carrière neerlei, om zich uit de wereld terug te trekken. Een aantal van deze mannen vestigde zich in de omgeving van het klooster om er een teruggetrokken leven te leiden. Van hen is grote invloed uitgegaan op het Franse geestesleven tot op heden toe en ook op het onderwijs.

Natuurlijk trok dit alles de aandacht van de Parijse kringen en ook van het hof. Er ontstond oppositie, die tenslotte Lodewijk XIV voor zich heeft zien te winnen, wat tot vernietiging van het klooster heeft geleid.

Naast Saint-Cyran, die ik zoëven noemde en die de geestelijke leider van de beweging was, stond nog een ander: Cornelis Jansen (Jansenius),8 uit Acquoy bij Leerdam, die in Leuven theologie studeerde en later bisschop van leper werd. Hij was de wetenschappelijke leider en naar hem is de beweging genoemd. Saint-Cyran en Jansenius waren vrienden en hadden een tijdlang samen Augustinus bestudeerd. Jansenius had de hele Augustinus tienmaal gelezen en een groot deel dertigmaal. Elf folio-delen. Dat is geen kleinigheid. De beweging is dus een Augustinus-réveil in de Franse kerk. Jansenius schreef een dik boek over de kerkvader.

Over dat boek ontstaat nu een heftige kerkelijke strijd. Een lid van de familie Arnauld, een broer van de abdis, die zich ook teruggetrokken had uit de wereld, mengde er zich in. De zaak komt voor de Sorbonne, de beroemde theologische faculteit van de universiteit van Parijs. De jezuïeten leidden de aanval. Vijf strenge stellingen uit het boek werden als ketters aangewezen. - De Sorbonne wou ze veroordelen, maar het Parlement van Parijs verbood het. Dan wordt de zaak voor de pauselijke stoel gebracht. De geestelijke leiders van de beweging wilden de stellingen maar opgeven. Ze zeiden: Laat ons die beschouwingen maar loslaten, als we de leiding van het geweten door de genade zelf maar hebben. Maar de theologen, vooral de theoloog Arnauld, wilden er niet van horen. Toen veroordeelde de paus de vijf stellingen. Port-Royal moest, als het goed rooms wou blijven, zich daarbij neerleggen. Maar men verschanste zich achter een fijne onderscheiding: van 'feit' en 'recht'. Men zei: De paus is in zijn recht om de stellingen te veroordelen. Maar over het feit of ze in het boek van Jansenius staan, heeft hij niet te beslissen. Wij ontkennen dat ze er in staan.

Intussen komt het grote publiek met de zaak in aanraking. Een jansenist kon van zijn pastoor geen absolutie krijgen bij de biecht. En de Sorbonne maakte zich klaar om over die onderscheiding van feit en recht een uitspraak te doen. Arnauld deed een beroep op 't Parlement, maar - tevergeefs. Port-Royal was schaakmat gezet.c

Er bleef voor de strengen - zo heeft een bekend schrijver over Pascal het uitgedrukt -'er bleef maar één rechtbank over: de publieke opinie en maar één advocaat: Pascal'.d Hij heeft het tegen de jezuïeten, de gewetensleiders van de rekkelijke moraal, opgenomen in zijn beroemde Brieven uit Parijs aan iemand in de provincie.

Wie was Pascal?, dat moeten wij nu eerst vragen. Ik zal er hier niet te lang over uitweiden, omdat het ons om zijn brieven te doen is. Pascal was ook onder invloed van de strenge beweging gekomen en had zich uit de wereld teruggetrokken en zich in de omgeving van het klooster gevestigd.

Pascal werd in 1623 te Clermont geboren. Z'n familie behoorde tot de hogere ambtenaarsstand. Hij was een vroegrijp genie, zoals onze Hugo de Groot, maar had tegelijk ziekelijke afwijkingen, die misschien met zijn genialiteit samenhingen. De vader ging in 1631 met z'n kinderen naar Parijs om zich aan hun opvoeding te wijden. De wiskunde mocht hij aanvankelijk nog niet leren. Zijn zuster vertelt dat de vader hem toen eens vond zittende op de vloer van z'n kamer tussen meetkundige figuren. Hij had, uit een algemene bepaling van meetkunde die zijn vader hem had gegeven, de meetkunde voor een groot deel zelf uitgevonden.e Later behoort hij tot de vooraanstaande mannen die de grondslag hebben gelegd van de nieuwere natuurwetenschap. Door zeer bijzondere crises in zijn leven, zoals Paulus en Luther die ook beleefd hebben, komt hij er toe zich bij de kring van Port-Royal aan te sluiten.

Met deze kringen verkeerde hij, toen, zoals ik zei, Port-Royal door de jezuïeten schaakmat gezet dreigde te worden en de rekkelijkheid de ernst van de Franse kerk ging overwinnen.

Zo stonden de zaken en ze stonden er voor de jansenisten slecht voor. Hun schrijver, de theoloog Arnauld, verdedigde de zaak wel, maar in't Latijn en in zeer schoolse vormen. Terwijl de heren van Port-Royal bij elkaar stonden en er over praatten, zei men tegen Arnauld: Ge zult u toch niet als een kind laten veroordelen? Richt u tot 't publiek. Arnauld probeerde het en las het na een dag of drie voor. Maar de kring zei er niets op: 't was veel te veel werk van een vakman. Arnauld merkte het en draaide zich plotseling om naar Pascal die er ook bij stond, met de woorden: Maar gij zijt nog jong, gij moest iets maken. Pascal had alleen nog maar wetenschappelijke geschriften opgesteld. Hij wou 't echter wel proberen. De volgende dag liet bij een proef zien. Dat is excellent, dat zal er ingaan, riepen de vrienden, toen ze 't hoorden.f Het eerste ontwerp was direct de eerste brief, zoals wij die hebben. De eerste greep was een meestergreep. Ook uit een oogpunt van taal. Zoals Pascal toen schreef, zo is het Frans gebleven. Hij heeft het nieuwe Frans geschapen.g Hier was nu een man van de wereld, die tot voor korte tijd gewend was met een tweespan door Parijs te rijden, beroemd wis- en natuurkundige, en die op zijn manier, op dezelfde wijze waarop men gewoon was in het salon te doen, als men op visite was, over de theologische kwesties schreef, die het land in spanning hielden. Een advocaat die zich tot het grote publiek richtte.

Daar hebt ge 't al, denkt misschien iemand, die theologische kwesties worden maar ingewikkeld gemaakt. Men kan er wel zo over praten, dat er niets aan is.

Maar niet iedereen kan dat. Pascals zuster schreef van hem: "Hij had een natuurlijke welsprekendheid die het hem bewonderenswaardig gemakkelijk maakte alles te zeggen wat hij wilde; maar bovendien had hij zich nog zekere regels uitgedacht ... waarvan hij zich zo gelukkig bediende, dat hij meester van zijn stijl was, zodat hij niet alleen kon zeggen wat hij wilde, maar het ook kon zeggen op de manier waarop hij wou en de indruk maken precies die hij wilde."h

Zo'n man kan alles, denken wij, en dan wil ieder nog wel luisteren, denken wij. Maar dan weten we 't nog niet precies. Pascal heeft het ons zelf gezegd. Vroeger had hij een samenspraak gemaakt, waarin hij zichzelf in gesprek bracht met een libertijn, zo'n zeventiende-eeuwse twijfelaar. Wel, liet hij hem zeggen, die manier om mij de hogere dingen uit te leggen bevalt mij wel. En dan antwoordt Pascal: Als het discours u bevalt en de argumenten u sterk voorkomen, weet dan dat het gemaakt is door een man, die vooraf zijn knieën voor God gebogen heeft en daarna zijn knieën voor God gebogen heeft, om het oneindige Wezen, waaraan hij zich geheel onderwerpt te smeken, of Hij u ook aan zich wil onderwerpen, voor uw eigen welzijn en tot zijn eer.i

Dat laatste moeten we goed in gedachten houden wanneer we Pascal zo gemakkelijk over de hoogste dingen horen praten, alsof hij in een Parijs salon de laatste nieuwtjes aan z'n gastvrouw zat te vertellen.

Over de inhoud van de eerste vier brieven zal ik niet veel zeggen. Het betrof de stellingen uit het boek van Jansenius, waarover ik sprak. En dan de vraag van feit en van recht, waarachter de jansenisten zich verscholen. Deze dingen werden in de Sorbonne op de zwaarwichtigste wijze verhandeld. Pascal begint met te zeggen dat hij er geen verstand van heeft, maar dat hij eerst even is gaan praten met een paar theologische kennissen en in korte tijd een groot theoloog is geworden.j Hij heeft toen gemerkt, dat het helemaal niet zo ingewikkeld was. Er waren in de Sorbonne thomisten, ouderwetse roomsen, en jezuïeten, de nieuwerwetse. De jansenisten en de thomisten (dat zijn gewone kerkelijke schrijvers) waren het over de zaak eens.9 Maar de thomisten, die in de Sorbonne samenspanden met de jeztuïeten tegen de jansenisten, gebruikten voor die zaak een woord dat de jezuïeten voor een andere zaak gebruikten, waar ze 't niet mee eens waren. Dus de thomisten en jezuïeten waren het over een naam eens. En nu hielden ze 't met degenen waarmee ze 't over een naam eens waren tegen degenen waarmee ze 't over de zaak eens waren.

Ik moet u dat toch een beetje duidelijker proberen te maken. Laten we zeggen: er loopt een dier hier door de zaal. Er zijn drie partijen. Sommigen zeggen:'t is een hond, anderen: 't is een haan. Dan moeten er twee partijen zijn, zegt ge. Neen, er zijn er drie, ik zal u uitleggen hoe. De eerste partij zegt: 't is een beest met vier poten, dat ik een hond noem. De derde partij zegt: neen, een dier met twee poten, dat ik een haan noem. Maar de middelste partij zegt: ik ben 't met de eerste partij eens wat de zaak betreft: 't is een dier met vier poten, en met de derde partij wat de naam betreft: ik noem het een haan. Ik mag het toch wel de naam geven die ik wil? En nu jaagt 2 met 3 partij 1 de zaal uit, omdat die niet wil zeggen, dat een hond een haan is.

Zo loopt de eerste brief van Pascal over een theologische kwestie. In een allergezelligst, allergemoedelijkst, in allerbeschaafdst Frans geschreven briefje ging het geschil tussen jansenisten en jezuïeten het land door. Iedereen las het en iedereen begreep het.

Natuurlijk zit er meer achter en dat heeft Pascal later ook nog wel wat ernstiger naar voren gebracht. Het was een kwestie van diepe en oppervlakkige theologie. En van strenge en rekkelijke moraal. De roomse kerk moest kiezen tussen de diepen en de oppervlakkigen, de strengen en de rekkelijken. Zij is vaak geneigd met de laatsten mee te doen tegen de eersten. Het Evangelie te vergemakkelijken aan de wereld, om de mensen te winnen. Dit verraad laat Pascal zien in zijn eerste brief op een zo vernuftige, eenvoudige, grappige manier, alsof het een rekensommetje was en geen strijd tussen kerk en wereld, ernst en lichtzinnigheid. Een hond een haan noemen om de waarheid de zaal uit te jagen. Het kwade goed noemen om lichtzinnig te kunnen wezen. Een aan de zonde verkocht mens vrij noemen om geen Evangelie nodig te hebben.

Pascal vereenvoudigde deze geweldige dingen, het duel op leven en dood, tussen de leer van Augustinus en die van de jezuïeten, in een met volmaakte eenvoud geschreven briefje, dat ieder lezen wilde, dat ieder begreep, waar ieder om lachte, en waar ieder 't mee eens was. Met wiskundige juistheid zijn alle delen van de brief op de juiste plaats gezet; alles is natuurlijk en alles is berekend, het is een rekensom en tegelijk een gezellig praatje. Het is wat Pascals zuster zei: van nature kon hij zich goed uitdrukken, maar hij had zich ook nog een manier bedacht en hij kon alles zeggen wat hij wou en zoals hij 't wou en het effect eraan geven dat hij wou. Hier is een wiskunstenaar, die de gedachte en de taal weet te hanteren met dezelfde juistheid, waarmee hij het de cijfers doet.

Pascal gaf aan zijn brieven de titel: Brieven aan een provinciaal. De provincie, dat is in Frankrijk alles wat buiten Parijs ligt. 'Brieven aan een buitenman' zou dus niet een juiste vertaling van de titel zijn. 't Is een bericht uit Parijs over wat in de hoofdstad gebeurt aan mensen, die ergens elders een betrekking hebben en graag op de hoogte willen blijven.

De eerste brief verwekte dadelijk groot opzien. De kanselier van de universiteit moest zeven keer gelaten worden, uit vrees voor een beroerte. De drukkerijen waar Port-Royal liet drukken werden op last van koning en kanselier doorzocht en de persen verzegeld. Maar de volgende morgen kwam de loopjongen van een der drukkerijen bij de Eerste President aanlopen met een fris exemplaar van de tweede brief, om te laten zien, dat men 't daar niet gedrukt kon hebben. Immers alles was verzegeld. Maar ze waren er wel gedrukt. De vrouw van de drukker had de drukvormen in haar schort naar een buurman gebracht, toen ze met het zegel kwamen.

Er kwamen meer zulke aardige ogenblikken. Pascal schreef anoniem, zonder z'n naam eronder te zetten. Men raadde alle kanten uit. En de schrijver had zich onder de schuilnaam van mijnheer De Mons in een kleine herberg gevestigd, met uithangbord 'Koning David', vlak achter de Sorbonne en tegenover het jezuïetencollege. De zwager van Pascal kwam in Parijs en logeerde in dezelfde herberg. Een jezuïet, een beetje familie, kwam hen daar opzoeken en zei, dat men Pascal voor de schrijver van de brieven hield. Deze maakte zich eraf, maar intussen lagen op z'n bed achter het gordijn een twintigtal exemplaren van de zevende en achtste brief te drogen.k

Dit is de humor die ook de gewichtigste en meest tragische ogenblikken in de geschiedenis der Franse kerk verguldt. Want wij mogen niet vergeten, dat het een duel was tussen leven en dood, ernst en lichtzinnigheid in Frankrijk.

De eerste brief verscheen 23 januari 1656, de tweede op 29 januari 1656. Wij springen nu over op die van 20 maart 1656, de vijfde brief. Een vriend van Pascal had hem aangeraden niet te vaak over de theologische kwesties te schrijven: het publiek zou dan belangstelling verliezen. Intussen was de uitspraak van de Sorbonne ook gevallen: Arnauld had ongelijk gekregen. Om beide redenen besloot Pascal nu van batterij te veranderen en de jezuïeten aan te vallen op hun rekkelijke moraal. En daarmee zijn we waar we eigenlijk wezen moeten. In de brieven 5-16 heeft Pascal dit werk verricht.

Wij moeten de rekkelijke moraal een beetje nader bekijken. Er komen twee vreemde woorden bij te pas, die ik u even moet uitleggen. Het eerste is het woord probabilisme. 'Probabel' wil zeggen: waarschijnlijk. Probabilisme wil zeggen dat, als ik te doen krijg met een kwestie van goed of kwaad, als ik voor de vraag sta of ik iets wel of niet doen mag, als ik dus met een gewetensvraag te doen krijg, dat ik dan aan 't zoeken mag gaan of er ook een uitweg te vinden is. Als ik het toch zo graag doen wil, maar het mag eigenlijk niet, dan koop ik een handboek voor moraal, waarin de castiistiek aan 't woord is, de leer van de verschillende gevallen. Die zijn door de jezuïeten zo ingericht, dat men er aardig mee door 't leven kan komen. Men moet het iemand wat gemakkelijk maken om een christen en lid van de kerk te zijn. Als we nu eens op zoek gingen of er ergens ook een doctor in de zedekunde geweest is, die vindt dat ik het wel doen mag, wel, dan maakt die de mening probabel, dan mag het. En voor de zedenleer, zo leerden de jezuïeten, behoeft men niet bij de oude strenge kerkleraars te zijn. Dat is goed voor de geloofsleer; die is oud en onveranderlijk, maar de wereld staat niet stil. Voor de moraal van z'n gedrag moet men de nieuwe schrijvers hebben. Die zijn helemaal bij. Die maken werk van allerlei gevallen, waarin men komen kan. Ik kan dus gaan snuffelen in zo'n handboek over casuïstiek en mijn geval komt er misschien wel in voor. Is er maar een doctor die vindt dat 't mag, dan ben ik 'safe'. De kerk en God kunnen mij niets maken. - En kan ik 't niet vinden in 't boek, wel, dan ga ik naar zo'n specialist in de castfistiek, een pater jezuïet, die is er in doorkneed en die weet mijn geval wel probabel te maken, door een of andere doctor op te snorren die vond, dat 't er wel op door kon.

Men ziet hoe ver we hier van de echte zedelijkheid af zijn. Die zegt: als men niet in 't water wil vallen, moet men oppassen niet te dicht op de kant van de sloot te komen. Jezus zegt: Indien uw oog u ergert, werp het van u; het is u nutter één oog hebbende in het eeuwige leven in te gaan dan twee ogen hebbende in het helse vuur geworpen te worden (Matth. 5 : 29). ⚑De jezuïeten zeiden, dat men naaste gelegenheid tot zondigen niet altijd hoefde te vermijden. Men hoefde de veilige afstand tot kwaad niet te zorgvuldig te bewaren. Het kon meevallen. Als men al wat dichter bij het kwaad kwam, dan waren er misschien nog een aantal gevallen die probabel te maken waren. Waarvoor een doctor te vinden was, die 't wel goed vond. En zo kon men toch leven, want een mens moest toch ook leven.

Men ziet wat een verschil er was tussen de strenge predikers van Port-Royal, zoals Saint-Cyran en zijn opvolgers, die de mensen uit de wereld weghaalden, zodat ze een prachtige positie opgaven, om voor hun ziel te zorgen en deze rekkelijke moraal. En het gebeurde allebei in de Franse kerk, de oudste dochter der christenheid.

Daartegen schreef Pascal nu zijn brieven 5 -16. Arnauld, de theoloog, had er al een boek tegen geschreven. Maar't was te zwaar. Alleen doctoren lazen het. Het bleef bij een dispuut in de Sorbonne. Pascal richtte zich tot 't publiek.

't Begint al aan 't eind van de vierde brief. In deze brief gaat het over de verantwoordelijkheid van de mens, of ik alleen verantwoordelijk ben voor de oppervlakte of ook voor wat in de diepte van mijn wezen schuilt, niet alleen voor wat ik willens en wetens doe, of zeg, maar ook voor wat ik onwetend ben, de bron van al mijn doen en denken.

Pascal, en dit is een van de aardige dingen in zijn brieven, werkt dan niet met zware argumenten, maar hij laat een heel goedmoedige pater jezuïet praten. De pater heeft een dik boek bij zich en met zijn welverzorgde vinger wijst hij hem dan de plaatsen aan die voor zijn mening pleiten. Welnu, zijt ge tevreden?, vraagt hij dan. Pascal maakt nog een tegenwerping. Helemaal vrijwillige en bewuste daden, zegt hij, zijn er haast niet. Als iemand vloekt bij het spel, als hij bij 't carnaval zich te buiten gaat, dat doet hij niet helemaal opzettelijk? Dan doet de goeie pater z'n boek weer open en haalt Augustinus, Aristoteles aan. Maar Pascal speelt die schrijvers tegen de pater uit. De goeie man is wat verrast. Maar terwijl hij nadenkt wat hij zeggen zal, komt iemand hem waarschuwen, dat mevrouw de maarschalk zo-en-zo, en mevrouw de markies zo-en-zo hem nodig hebben. - De pater moet weg om de moraal te rekken. Haastig gaat hij weg. Ik zal er met onze paters over spreken, zei hij, zij zullen wel een antwoord vinden; ze zijn heel fijn in die dingen.

Maar, zei Pascal tegen z'n vriend, de jansenist, wat brengen deze opvattingen de moraal in de war. Wist ge dat niet?, zei hij, en hij gaf mij enige sterke voorbeelden. Zo eindigt de vierde brief.

De vijfde begint met een gesprek met z'n vriend, de jansenist, die hem allerlei vertelt, wat hem ongelooflijk voorkomt. En dan zal hij zelf maar met een pater jezuïet gaan praten. Hij heeft er nog een oude kennis onder. ⚑Hij brengt het gesprek op het vasten, om zo ongemerkt te komen waar hij wezen wil. Ik zei, zo loopt de brief, dat ik er niet best tegen kon. Hij spoorde me aan om door te zetten, maar toen ik doorging met klagen, was hij er toch door getroffen en hij ging zoeken om een reden tot vrijstelling. Verschillende vrijstellingen pasten niet op mij, maar eindelijk zei hij: Kunt ge wel slapen na 't vasten? Juist niet, zei ik, en daarom moet ik in de vasten vaak 's middags koud eten en 's avonds warm. Ik ben blij, zei hij, dat middel gevonden te hebben om u te helpen zonder zonde, ge kunt gerust gaan, ge zijt niet verplicht te vasten. Ge hoeft mij niet op mijn woord te geloven; ga maar mee naar de bibliotheek. Ik ging mee en hij nam een boek en zei: Kijk, hier is 't bewijs, dat is Escobar.10 Wat is Escobar, zei ik, m'n vader? Wat, kent ge Escobar niet, die uit vierentwintig van onze grote schrijvers over de moraal een uittreksel gemaakt heeft? En hij wees mij met de vinger aan: 'Hij die niet kan slapen als hij niet warm gegeten heeft, moet die vasten? Volstrekt niet'. Zijt ge tevreden? Niet helemaal, zei ik, want ik kan 't vasten wel verdragen als ik 's middags koud eet en 's avonds warm. Nou, lees dan verder, zei hij, ze hebben overal aan gedacht. Kijk, daar staat het: 'hoe moet het, als men 's morgens wel buiten een boterham kan als men 's avonds warm eet?' We zijn er: daar staat: 'Men is niet verplicht om te vasten, want niemand is verplicht om de volgorde van z'n maaltijden te veranderen'. Een prachtige reden, zei ik. Maar, zei hij, zeg eens, gebruikt ge veel wijn ? Neen pater, zei ik, daar kan ik niet tegen. Ik vroeg het maar, zei hij, om er u op attent te maken, dat ge die 's morgens kunt drinken en wanneer ge maar wilt zonder de vasten te breken. Kijk, beslissing nr. 75, daar wordt gevraagd: 'Kan men zonder de vasten te breken op elk uur van de dag wijn drinken? En zelfs in grote hoeveelheden? Dat kan en zelfs hypocras'. Ik kende die hypocras niet, zei hij, ik zal het merk noteren.

Dat is een aardige man, zei ik, deze Escobar. Ieder houdt van hem, zei hij, hij stelt van die aardige vragen. En dan krijgt men een paar pikante voorbeelden.

Hadt ge 't kunnen geloven?, zei hij. Werkelijk pater, zei ik, ik geloof 't nog niet. Hoe is 't geen zonde om niet te vasten, als men 't wel kan? En moet men de gelegenheden om te zondigen niet ontvluchten? Dat zou al heel makkelijk zijn. - Niet altijd hoeft het, zei hij, het is er naar. Waarnaar?, zei ik. Ho, ho, zei de pater. En dan haalt hij het gevoelen aan van een pater Bauny,11 p. 1084 in Escobar: 'Men hoeft de absolutie niet te weigeren aan degenen die met de zondige gelegenheid niet willen breken, als ze dat niet kunnen doen zonder opspraak te geven'. Waarlijk, zei ik, 't is me of ik droom, als ik een monnik zo hoor spreken. Maar pater, zeg mij, op uw geweten af, zijt gij 't er mee eens? Werkelijk niet, zei hij. Dus ge spreekt tegen uw geweten? Helemaal niet, zei hij, ik sprak daarvan niet volgens mijn geweten, maar volgens 't geweten van de vaders Ponce12 en Bauny, en ge kunt ze veilig volgen, want 't zijn knappe lui. Wat, pater, omdat er drie regels in hun boeken staan, mag ik daarom gelegenheid zoeken om te zondigen? Ik dacht dat men de bijbel en de christelijke over levering voor richtsnoer moest nemen en niet uw casuïsten. Oh, goede God, zei de pater, ge doet mij aan de jansenisten denken. Kunnen de vaders Ponce en Bauny een opinie niet probabel maken? Ik heb niet genoeg aan waarschijnlijkheid, zei ik, ik moet zekerheid hebben. Ik zie, zei de pater, dat ge niet weet wat een probabel gevoelen is, gij zoudt anders praten, als ge 't wist. Het is het abc van onze moraal. Ik moet er u les in geven.

En dan vertelt hij hem dat een enkele doctor een opinie probabel kan maken. Want, zei hij, een man die ernstig studeert, zou zich niet aan een mening hechten, als hij er geen goeie reden voor had. Dus, zei ik, een doctor kan met een geweten doen wat hij wil? Gij moet er geen grapjes over maken, zei hij, en niet denken dat gij deze leer omver kunt werpen. Toen de jansenisten het probeerden, hebben ze allen hun tijd er bij verloren. Kijk, zei hij, als een geleerd en vroom man mij vertelt, dat er iets gebeurd is, bijv. te Rome, dan geloof ik dat. Waarom zou dat in de moraal ook niet zo zijn?

Een mooie vergelijking, zei ik, historische dingen met gewetenszaken. Wacht even, zei hij, hier staat het: Sanchez13 antwoordt daarop een paar regels verder, hij schrijft: 'Als sommige schrijvers de probabiliteit zo beperken, dat het wel voor menselijk, maar niet voor goddelijk recht geldt, dan ben ik 't daar niet mee eens. Want ze is in beide gevallen van groot gewicht'. Maar, beste pater, zei ik openhartig, de een kan er anders over denken dan de ander. Gij begrijpt het niet, zei hij, terwijl hij mij in de rede viel, dat geeft niets, iedere doctor maakt zijn eigen gevoelen probabel. Ze zijn het bijna nooit eens. Daarom zegt de schrijver Diana:14'Stel, dat Ponce en Sanchez van tegenovergesteld gevoelen zijn; dan maken ze beide toch, omdat het geleerde mannen zijn, hun gevoelen probabel'. Gij volgt dan de mening die u 't best te pas komt.

Inderdaad pater, dat is gemakkelijk. Men komt er altijd uit op die manier. Maar als de biechtvader 't er niet mee eens is en geen absolutie wil geven! Dat staat hier, zei de pater, bij Bauny: 'Wanneer een biechteling een probabel gevoelen volgt, dan moet de biechtvader hem absolutie geven, ook al is hij 't er niet mee eens. 't Is doodzonde als hij 't niet doet'. En op dat punt haalde hij nog drie bekende schrijvers meer aan.

Dat is alles met wijsheid geregeld, zei ik. Ik meende, dat gij de zonden kondt wegnemen, maar ik wist niet dat gij ze ook kondt maken. Ik zie, gij kunt alles. Maar, zei ik, een ding begrijp ik nog niet. Als de kerkvaders nu eens van een ander gevoelen zijn, hoe dan? Gij begrijpt er nog niet veel van, zei de pater. De kerkvaders waren goed voor de moraal van hun tijd, maar ze zijn te ver af voor de moraal van onze tijd. Die regelen zij niet meer, dat doen de nieuwe castiisten. En dat is dus, zei ik, met uw sociëteit op de wereld gekomen? Zo ongeveer, zei hij. Dus Augustinus, Chrysosthomus, Ambrosius, Hieronymus, die gingen toen wat de moraal betreft aan de kant? Maar wie zijn die nieuwe dan?

En dan noemt de pater ze op: Villalobos, Coninck - volgen er veertig onbekende namen. Oh, beste pater, zei ik, zijn al die mensen christenen?

Hoe christenen, zei hij, heb ik u niet gezegd dat wij tegenwoordig met hen de christenheid regeren? Maar, zei ik, ik zie drie of vier andere grote moeilijkheden die u in de weg zouden kunnen staan. Wat dan?, zei de pater zeer verwonderd. Wel, zei ik, de bijbel, de pausen en de grote kerkelijke synoden, die alle drie in de enige weg van't Evangelie zijn. Is dat alles?, zei hij. Gij hadt me laten schrikken, denkt ge dat we daar niet aan gedacht hebben?

Hiermee heb ik u de hoofdinhoud van de vijfde brief gegeven. Zij geeft een indruk van de fijne manier, waarop Pascal voor het publiek de zaak voor de jansenisten en tegen de jezuïeten bepleit. Terwijl heel Frankrijk van het ene eind tot het andere er in betrokken werd. Ik kan dat natuurlijk niet met alle brieven 5-16 zo uitvoerig doen. Slechts hier en daar een greep:

In de volgende brief zoekt hij de pater weer op, die hem vertelt hoe ze klaarkomen met het Evangelie, de concilies en de pausen. Zo staat bijv. in een bul van paus Gregorius XIV, dat moordenaars geen recht op asiel in de kerken hebben. - Een van de vierentwintig oude vaders in Escobar zegt andersom. Hoe dan? Dan leggen wij 't woord moordenaar anders uit, zei de pater. Moordenaar is een gehuurde sluipmoordenaar. Maar in andere gevallen mag 't wel. De pater zei, dat als men de bepalingen maar wist, dan was men niet schuldig. Ik zei, dat in 't Evangelie staat, dat de wet iemand juist schuldig maakt. Die 't niet weet is dan minder schuldig. Helaas, zei de pater, ons hoofddoel was eigenlijk het Evangelie in al zijn strengheid te laten spreken. Maar wij rekken de moraal opzettelijk. Wij moeten wel. De mensen zijn tegenwoordig zo slecht, dat, als ze niet bij ons komen, dan moeten wij naar hen afzakken. Dan legt de pater hem uit hoe ze de priesters bij hun werk tegemoet komen. Dat begrijp ik, zei ik, maar nu wou ik eens horen bijv. over een knecht.

Dat is nu het bijzondere van Pascal. Arnauld had die moraal heel stelselmatig behandeld. Eerste gebod, tweede gebod -zo op de theologie-manier. Maar Pascal gaat zo te werk: Hoe doen jullie met een priester, een rechter, een dokter, een winkelbediende, een knecht. Nou, die knecht dan: als hij een slechte meester heeft. Ik zal u enkele bepalingen geven, zei de pater: Hij mag als zijn meester ergens in wil klimmen deuren en vensters openen, de ladder vasthouden als hij er in klimt. Om de ladder vast te houden moet hij weliswaar meer dan gewoon gedreigd zijn als hij 't niet deed; anders was 't zonde. Want hij doet toch die andere huisheer onrecht. Zo mogen knechts die weinig verdienen ook stelen. Maar dat is precies het geval Jean d'Alba, zei ik. Welke Jean d'Alba?, zei de pater. Herinnert ge u niet uit 1647, zei ik, waar waart ge toen? Een heel eind van Parijs, zei de pater. Dat geval zat zo, die Jean d'Alba had als knecht tinnen borden van de paters jezuïeten gestolen, waar hij diende. Toen hij voor de rechter kwam, beriep hij zich op een van die boeken, pater Bauny, waar in stond, dat dat dan wel mocht. En hij leverde 't boek bij de rechter in. Maar de rechter zei: dan gaat de hele maatschappij op de fles. Hij zei dat de knecht gegeseld moest worden voor de deur van 't jezuïetencollege en die boeken moesten verbrand worden. Men wachtte op de uitvoering van dat vonnis, toen er iets tussenbeide kwam. 't Werd uitgesteld en de knecht verdween, men wist niet waarheen, en men sprak er niet meer over. Ge kunt 't nalezen, pater, in de registers van 't Chátelet.15

Wat betekent dat, zei de pater, wij weigeren zo'n rechter eenvoudig absolutie, dan moet hij toegeven. Ik begrijp het, zei ik, aan de ene kant zijt gij de rechters van de biechtvaders, en aan de andere kant de biechtvaders van de rechters. Zo kunt ge voorkomen, dat wie in theorie onschuldig zijn, in de praktijk gegeseld of opgehangen worden. Ja, zei de pater, dat is een belangrijk punt, ik zal erover spreken met onze provinciale hoofdpater.

In de zevende brief gaat het over het richten van de aandacht zo, dat men wat anders in gedachten neemt dan wat men werkelijk doet. Men liegt, maar denkt tegelijk: ik bedoel het andersom. Dan is men niet schuldig. En zo verder en verder. Met behulp van dat gedachtenvoorbehoud mag dan volgens zo'n schrijver een priester iemand doden, als hij kwaad van hem spreekt. Bijv. de schrijver Caramuel16 onderzoekt de vraag of de jezuïeten de jansenisten mogen doden. Dat is van belang, zei ik, ik zie de jansenisten al dood. Daar betrap ik u, zei de pater, net andersom. Hoe dan?, zei ik. Omdat ze onze reputatie niet schaden, net zo min als een uil de zon verduisteren kan. Dus, pater, daar hangt dan 't leven van een jansenist van af, of hij uw reputatie kan schaden. Dan acht ik ze niet erg veilig.

Wat een fijn trekje in deze zevende brief. Pascal tegenover de pater, de schrijver van de brieven en de pater die zegt, dat ze niet schaden kunnen, de jansenisten.

Ik zei tegen de pater, dat ik, geloof ik, nog liever was doodgestoken door iemand opzettelijk dan door iemand, die 't met een goed geweten deed door aan iets anders te denken. Ik zei, dat die dr. Caramuel mij niet beviel. Waarom niet, zei de pater, zijt ge jansenist? Ik heb een andere reden, zei ik, ik schrijf van tijd tot tijd aan een vriend op 't land over wat gij mij leert. Hij kon er eens slecht van worden. Gerust, zei de pater, er komt geen kwaad van; ik ben er u borg voor. Onze superieuren hebben de boeken geapprobeerd. ⚑Dan gaat het in de achtste brief verder over rechters. Ook over rente; d.i. de zakenmensen, de kooplui. Rente nemen was door de oude kerk verboden. De verhoudingen in 't Romeinse rijk waren ook heel anders. De slaven waren kapitaal en brachten door hun werkkracht rente op. Maar de kerk had bovendien in aansluiting aan de absolute eisen van het Evangelie rente verboden. Lukas 6 : 35: Leent zonder iets weder te hopen. Eerst voor geestelijken, maar steeds meer ook voor leken. Eerst in 't kerkelijk recht.

Later in de veertiende eeuw ging ook het burgerlijk recht zich meer en meer daarbij aansluiten. Natuurlijk gaf dit spanning in 't zakenleven. Men zocht naar uitwegen. Bijv. de rentekoop, een soort hypotheek. - Ook de wissel is uit die behoefte ontstaan en was eerst een ontduiking van 't renteverbod.

Calvijn heeft zich op ander standpunt gesteld. Luther niet. Maar de roomsen bleven bij het oude kerkelijke recht. Men kan zich nu wel voorstellen hoe de paters jezuïeten in hun boeken zich hieruit weten te redden. Ik wijs op het verschil. Ik heb vroeger al opgemerkt, dat deze sociëteit van Jezus een moderne trek over zich had. Ze probeerden de nieuwe tijd met de kerk te verzoenen. Ze stichtten goede scholen; ze gingen mee met hun tijd. Ze probeerden de klok van de kerk bij die van de tijd te houden. Maar wat een verschil met de calvinisten. Ze probeerden het zelf in handen te houden en de gewetens kunstmatig te regeren. 't Wordt een soort mechanische moraal, gewetensleiding zonder werkelijk geweten.

Calvijn sluit ook aan bij de nieuwe tijd. Maar het verschil is groot als men ziet de zedelijke ernst, die hij gekweekt heeft, ook in zaken doen in West-Europa, Nederland, Engeland. Toch heeft ook hij de zaak niet opgelost. Het kapitalisme is het meest ontwikkeld in calvinistische landen. En die landen zitten er nu ook mee vast. Evangelie en wereld bij elkaar brengen en houden is tenslotte geen mensenwerk. Maar in een ding zien wij nog het verschil: juist in West-Europa wil men nog niet aan een al te werktuiglijke opvatting. Men hoopt nog op een overwinning van de moeilijkheden in de weg van een meer geestelijke leiding en oefening van het geweten.

Tot welke gekke dingen de jezuïeten met hun gewetensmechaniek kwamen blijkt uit deze achtste brief: De pater spreekt over een contract Mohatra. Mohatra, pater?, zei ik. Ik zie wel, zei hij, dat ge dat niet weet. 't Staat in Escobar, hier: 'Het contract Mohatra is als men stoffen duur inkoopt op krediet en ze dadelijk verkoopt aan dezelfde persoon, goedkoop en contant'. Men krijgt dan geld in handen en moet de hoge prijs later uitbetalen. Dat is dus rente en 't is toch geen rente. Maar, pater, dat woord komt toch bij Escobar zeker alleen maar voor? Wat zijt ge slecht op de hoogte, zei de pater. 't Staat in 't laatste boek over moraal dat er te Parijs gedrukt is.

In de negende en tiende brief gaat het gesprek verder, ook op godsdienstig gebied: over gemakkelijke manieren om kerkelijk vroom te zijn; over weelde bij de vrouwen; over het bijwonen van de mis; over de biecht en hoe men zich gemakkelijk van de boete af kan maken. Over een gemakkelijke en prettige manier om berouw te hebben en eindelijk, boe men God lief kan hebben zonder Hem lief te hebben. Als het zover is breekt het gesprek af.

Een enkele keer staat er vroeger ook wel eens dat de schrijver moeite heeft om z'n rol vol te houden, maar aan 't slot van de tiende leest hij dan de pater de les en laat de briefschrijver de inkleding van een olijk gesprek varen.

Waarom heeft Pascal deze figuur niet tot aan 't eind toe volgehouden? Een minder schrijver zou dat misschien gedaan hebben. Pascal weet van beginnen, maar ook van ophouden. En de grond van de zaak was ontzaglijke ernst. Die breekt dan door de lachende vorm tenslotte door.

Ook Pascals vrienden in Port-Royal, de uit de wereld teruggetrokken kring rondom het klooster, zullen er invloed op gehad hebben. De abdis Angélique - nu geen meisje van zeventien jaar meer - las de brieven ook, maar vond de spottende toon maar zo-zo. En ook sommige anderen hadden wel hun bezwaren tegen de vorm.

Met de elfde brief laat Pascal die vorm dan los. Hij gaat over tot een directe aanval. De jezuïeten hadden er iets tegen geschreven. En zij hadden zich ook over de spot beklaagd. Nogal begrijpelijk.

Zo gaat Pascal dan eerst verdedigen dat men zulke dingen mag proberen dood te spotten. Maar verder gaat het dan over in een openlijke polemiek.

Het hoogtepunt bereikt die polemiek aan't eind van de veertiende brief: "Want eindelijk, paters, waar moet men u voor houden? Voor kinderen van het Evangelie of voor vijanden van het Evangelie? Men kan maar aan de ene of de andere kant zijn; er is geen midden. Wie niet met Jezus Christus is, is tegen Hem. In deze twee soorten is de mensheid verdeeld. Er zijn twee volkeren en twee werelden over de hele aarde, volgens de heilige Augustinus: de wereld van de kinderen Gods die één lichaam vormen, waarvan Jezus het hoofd en de koning is; en de wereld die vijandig is tegen God, waarvan de duivel het hoofd en de koning is. En daarom wordt Jezus Christus de koning en de God der wereld genoemd, omdat Hij overal zijn onderdanen en aanbidders heeft, en daarom wordt de duivel in de Schrift de overste en de god dezer wereld genoemd, omdat hij overal zijn suppoosten en slaven heeft. Jezus Christus heeft in de kerk, die zijn rijk is, de wetten gegeven, die Hem behagen, volgens zijn eeuwige wijsheid; en de duivel heeft in de wereld, die zijn rijk is, de wetten gegeven, die hij heeft willen uitvaardigen. Jezus Christus heeft er zijn eer in gesteld om te lijden. De duivel z'n eer om niet te lijden. Jezus Christus heeft hen die een slag op de wang krijgen gezegd de andere toe te keren; en de duivel heeft aan hen aan wie men een kaakslag wil geven gezegd degenen te doden, die hun dat willen doen. Jezus Christus verklaart zalig degenen die zijn schande delen; en de duivel verklaart rampzalig degenen die in de schande verkeren. Jezus Christus zegt: Wee u, als alle mensen wel van u spreken; en de duivel zegt: Rampzalig zijn zij, waarvan de wereld niet met achting spreekt.

Let dan op, paters, tot welk rijk gij behoort. Gij hebt gehoord de taal van de stad des Vredes, die men het mystieke Jeruzalem noemt, en gij hebt de taal gehoord van de stad des verderfs, die de Schrift het geestelijke Sodom noemt. Welke van die twee talen verstaat gij? Welke spreekt gij?"

Hier is de Franse Augustinus aan 't woord. De schrijver van de Pensées, de gedachten. Hier horen wij de christelijke ernst van de Franse kerk der zeventiende eeuw. De oudste dochter van Rome.

Voetnoten

  1. a

    Aangehaald bij F. Strowski, Pascal et son temps, 3 dln., Parijs 1907-1908, dl. 1, Parijs 19226, p. 255. De aanhaling is van Pascals tijdgenoot Antoine Arnauld.↩

  2. b

    Zie voor deze alinea C.-A.Sainte-Beuve, Port-Royal, 7 dln.,Parijs z.j.9,dl.1,p.106-115.↩

  3. c

    Zie voor de strijd over Jansenius' boek Augustinus Sainte-Beuve, a.w., dl. 3, p. 7-40. Voorts ook Strowski, Pascal et son temps, dl. 3, hfdst. 2.↩

  4. d

    F. Strowski, Pascal et son temps, dl. 3, p. 52.↩

  5. e

    Gilberte Périer, Vie de Blaise Pascal, in Pensées et opuscules, L. Brunschvicg ed., Parijs 1951, p. 5 v.↩

  6. f

    In deze alinea parafraseert N. Sainte-Beuve, Port-Royal, dl. 3, p. 43 v.↩

  7. g

    Zie p. 346, noot e.↩

  8. h

    Gilberte Périer, Vie de Blaise Pascal, in Pensées et opuscules, p. 17.↩

  9. i

    Pensées et opuscules, p. 442 (pensée 233).↩

  10. j

    Eerste provinciale. Zie Les provinciales, L. Cognet ed., Parijs 1965, p. 8.↩

  11. k

    Zie voor deze voorvallen rond de verschijning van de brieven Sainte-Beuve, Port-Royal, dl. 3, hfdst. 7.↩

Eindnoten

  1. 1

    N. hield zijn lezing Blaise Pascal op 14 februari 1936 te Laren, waarschijnlijk voor de jongelingsvereniging van de Hervormde Kerk. De lezing is in manuscript voorhanden.↩

  2. 2

    N. doelt op zijn lezing Augustinus, opgenomen in VW., dl. 3, p. 239-248.↩

  3. 3

    Waarschijnlijk doelt N. op het gedicht dat voorkomt in W. Moll. Geschiedenis van het kerkelijke leven der christenen gedurende de zev eeryte eeuweii, 2 dln., Leiden 1855-18572 dl. 2, p. 336, noot 3: "De christelijke herder spreekt hier aldus:

    Signum quod perhibent esse crucis Dei Hoc signum mediis frontibus additum Cunctarum pecudum certa salus fuit.

    Sic vero Deus hoc nomine praepotens Salvator vocitatus est.

    Fugit continuo saeva lues greges, Morbis nil licuit. - -

    De heidense herder:

    Nam cur addubitem, quin homini quoque Signum prosit idem perpete saeculo, Quo vis morbida vincitur? -↩

  4. 4

    Vincentius a Paulo (± 1581-1660), Frans heilige. V. kwam onder de invloed van kardinaal De Bérulle (zie p. 343, noot 15), wiens christocentrische spiritualiteit hij verbond met een nederig en voorzichtig apostolaat. Taak van de door hem gestichte Orde der Barmhartige Zusters was de verzorging van armen, zieken en gevangenen, die van de Congregatie van de Missie de zielzorg onder de plattelandsbevolking. V. was tegenstander van het jansenisme.↩

  5. 5

    Zie voor Loyola VW., dl. 5, p. 273 v., noot 2.↩

  6. 6

    Armand Jean du Plessis, hertog de Richelieu (1585-1642), Frans staatsman en kardinaal (1622). R. streefde als eerste-minister tijdens Lodewijk XIII naar een politiek overwicht van Frankrijk in Europa. Binnenslands beperkte hij de invloed van adel en Hugenoten, o.a. door regionaal de aanstelling te bewerken van intendanten, koninklijke ambtenaren, waartoe ook Pascals vader behoorde. in de godsdienstige verhoudingen koos hij de zijde van de jezuïeten. Zijn opvolger Jules Mazarin (1602-1661), Frans staatsman van Italiaanse afkomst en sinds 1641 kardinaal, zette zijn anti-Habsburgse politiek voort en versterkte de positie van de kroon.↩

  7. 7

    N. doelt op de zgn. Oudbisschoppelijke Cleresie, sedert 1870 Oud-katholieke Kerk genoemd, ontstaan door verzet tegen de groeiende centralisering van kerkgezag in Rome (schisma van Utrecht: 1723). De leiders van de Cleresie hadden een opleiding in jansenistische zin genoten en huldigden een episcopalistische kerkopvatting, gekenmerkt door het inzicht dat de constitutie van de geloofsgemeenschap niet beschouwd kan worden als voortkomend uit één gezagsbron. De Oud-katholieke Kerk in Nederland omvat één bisdom (Haarlem) en een aartsbisdom (Utrecht) en kent drie bisschoppen. In 1966 werd de dialoog met de Rooms-Katholieke Kerk hersteld. Zie voor een recent werk over geschiedenis en huidige situatie van Nederlandse oud-katholieken P. J. Maan e.a., De Oud-katholieke Kerk van Nederland. Leer en leven, Hilversum 1979.↩

  8. 8

    Cornelius Jansenius (1585-1638), Nederlands godgeleerde en bisschop van leper. In zijn postuum verschenen Augustinus (1640) ontwikkelde bij een antipelagiaanse genadeleer en verwierp hij probabilisme en casuïstiek.↩

  9. 9

    De zaak waarover jansenisten en thomisten het eens waren betrof het vermogen om de geboden Gods te vervullen. De thomisten noemden dit vermogen 'pouvoir prochain', welke uitdrukking ook werd gebezigd door de jezuïeten, echter in een andere betekenis. Zie in dit deel, p. 352.↩

  10. 10

    Antoine de Escobar y Mendoza (1589-1669), Spaans jezuïet, theoloog en prediker. Zijn Liber theologiae moralis viginti quatuor Societas Jesu doctoribus reseratus (Lyon 1644) is een bewerking van een Spaanstalig werk dat meer dan veertig edities beleefde.↩

  11. 11

    Ütienne Bauny (1564-1649), Frans jezuïet, van 1618 tot 1625 hoogleraar moraaltheologie aan het College te Ciermont. Hij schreef o.a. Somme despéchés quise commettent en tous états (1634), welk werk door Pascal wordt geciteerd in de vierde brief.↩

  12. 12

    Basilius Ponce de Léon (± 1569-1629), Spaans theoloog, lid van de augustijnenorde, hoogleraar te Alcala en Salamanca. Zijn bekendste werk is een Apologia ter verdediging van de heilige Johannes van het Kruis. Daarnaast schreef hij o.a. enkele werken over het huwelijk.↩

  13. 13

    Thomas Sanchez (± 1550-1610), Spaans jezuïet. In de vijfde brief wordt geciteerd uit zijn postuum verschenen Opus morale in praecepta Decalogi (1613).↩

  14. 14

    Antoninus Diana (± 1585-1663), beroemd Italiaans casuïst. Zijn Resolutiones morales, (12 dln., 1629-1659) werd meermalen herdrukt.↩

  15. 15

    Met het Chátelet is bedoeld het gerechtshof te Parijs voor criminele zaken.↩

  16. 16

    Jean de Lobkovitz Caramuel (1606-1682), Spaans theoloog, lid van de orde der cisterciënzers, trad als hoogleraar te Leuven op tegen de jansenisten. Zijn Theologia moralis verscheen in 1652.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← De Pensées van PascalDeel 4Heidegger en Augustinus →