De metafysica van Descartes1
De bedevaart, die de Fransen dezer dagen naar Frieslands oude academiestad ondernemen,2 roept weer eens de figuur van Descartes voor ons op. Hij was de grootste van de vele beroemde Franse geesten, die ons land in vroeger eeuwen heeft geherbergd en waaraan Gustave Cohen z'n bekende studie heeft gewijda. Het is merkwaardig hoe immaterieel het spoor is, dat hij, niettegenstaande een verblijf van meer dan twintig jaren, heeft nagelaten. Beminnelijk is de bescheidenheid, waarmee hij z'n aanwezigheid als gast, naar het uiterlijke, bijna geëffaceerd heeft. Z'n baan te volgen is verre van gemakkelijk en een beschrijving daarvan bestaat voor een groot deel uit lacunes. Des te aandachtiger staart men naar z'n naam in het album van studenten te Franeker, als men zich die in de Kanselarij te Leeuwarden laat tonen.3
Ruimte heeft de wijsgeer in ons land dus bijna niet ingenomen. Hij kwam er om te denken en vond dat hier de voorwaarden daarvoor gunstig waren. Hij deed dat om heel andere redenen dan de protestantse refugiés. Descartes was goed katholiek. Cohen heeft de vriendelijkheid gehad op te merken, dat ons land evengoed voor katholieken als voor protestanten een toevluchtsoord is geweest. bHet is niet zo gemakkelijk uit te maken, waarom de filosoof z'n eigen land verliet. Dat bij door z'n denkbeelden daar moeilijkheden zou hebben gekregen, mag men niet zomaar aannemen. Daartegenover staat, dat hij hier ook niet geheel ongemoeid bleef. Een Frans schrijver spreekt in dit verband van 'ce terrible théologien Voët'.c4 Descartes' overwegingen zullen wel van verschillende aard geweest zijn. Ten eerste heeft hij het nodig gevonden, met het oog op z'n levenswerk, waarvan hij zich klaar bewust was, alle meer vaste sociale banden te verbreken. Verder kan een verbod om tegen Aristoteles te schrijven, dat in 1624 in Frankrijk werd uitgevaardigd mede aanleiding hebben gegeven. Ch. Adam, de redacteur van de grote Descartes-uitgave, vermoedt dit.d Immers het was juist z'n bedoeling een andere logica voor die van Aristoteles in de plaats te stellen. Hoe dit zij, vast staat, dat de geestelijke atmosfeer in ons land een gunstig klimaat is gebleken voor de immateriële, geconcentreerde bestaanswijze van Descartes en de schouwende klaarheid van z'n gedachte.
Het denken van Descartes blijft een van de merkwaardigste verschijnselen uit de geschiedenis van de menselijke geest. Het eerste kenmerk daarvan is, dat het zich zo beslist mogelijk ontdoet van alles waarmee het belast was en zo zuiver als het kan, afzondert van alle bestanddelen, waarmee het vermengd is. Men kan dit niet korter uitdrukken dan door te zeggen, dat hij lichaam en geest van elkaar scheidt. In de oude wijsbegeerte komen de dingen vermengd, onzuiver voor. Laat ons zeggen: zoals de grondstoffen in de industrie. Deze stoffen worden dan eerst geclassificeerd, onder hoofden gebracht: engelen, mensen, dieren enz. Het eindpunt van deze classificatie is de definitie. Dit is het werk van de logica. Zo krijgt men een voorlopig overzicht van wat de wereld bevat, een systeem. Maar de dingen komen daarin onzuiver voor, met lichaam en ziel, met huid en haar. - Als dit werk gedaan is wordt naar de natuur der dingen gevraagd, opklimmende van het lichaam tot de geest. Dat is de fysica. De kennis der zinnen is hier uitgangspunt ook voor de kennis van de geest. - Verder wordt dan in de moraal de wereld nog eens beschouwd onder het gezichtspunt van doel, geluk, goed en kwaad, terwijl in de metafysica de laatste gronden en de eenheid en samenhang der dingen gezocht wordt.
Bij deze manier van denken laat men de dingen tot op zekere hoogte in hun geheel. Men wisselt slechts het gezichtspunt van waaruit men ze beschouwt. De mens is bijv. in de logica: 'animal nationale' = een dier, dat denkt; in de fysica bezitter van lichaam en ziel; in de moraal drager van deugden en zoeker van geluk. Maar het is telkens de mens, die men op straat tegenkomt.
Descartes kan zich hierin helemaal niet vinden. In de logica vindt hij het niets gewonnen als men een mens'animal rationale'noemt. Dan moet men weer vragen: wat is animal, wat is ratio en als daarvan een definitie is gegeven is er weer een definitie achter de definitie nodig en zo in 't oneindige of in 't rond. In de fysica hindert hem de vermenging van lichaam en ziel. Deze belet alle klaarheid. Allerlei geheimzinnige vormen en krachten maken de natuurkennis meer tot een sprookje dan een wetenschap. Daarom zuivert Descartes het denken van alle vermenging dwz. van alle inhoud. De hele catalogus van de wereld, met de hele classificatie en alle definities, wordt in de papiermand gedeponeerd. Het denken zelf blijft dan alleen over. Denken waarin niets bevestigd wordt, waarin geen enkele logische beslissing genomen wordt, geen waarheid erkend. Dit denken kan geen andere naam meer dragen dan die van: twijfelen. Dat is de absolute twijfel. Het betekent de onmogelijkheid om niet te denken, terwijl er toch geen inhoud voor de gedachte mogelijk is, omdat niets klaar genoeg is om voor waar gehouden te worden.
Een ding kan echter niet ontkend worden. Er wordt gedacht. Het denken kan niet stilstaan. Denken is willen, vóór het denken is. De filosofie van Descartes is tenslotte wilsfilosofie. Het is: willen, moeten en niet kunnen denken: twijfelen. Dat is het nulpunt van de fysica, de wereldkennis, waartoe Descartes teruggaat. Tegelijk het nulpunt van de moraal: willen en niet kunnen. Dit punt betekent levensnood en hier is het dan ook, dat Descartes Z'n metafysica, niet aan 't eind, zoals de oude filosofie, maar aan 't begin inzet. De twijfelaar, zonder wereld en zonder gedachteninhoud, heeft in z'n twijfel de kennis van God. Z'n twijfel is de holle zijde van het denken, de negatieve. God is er de bolle zijde van, de positieve. De absolute twijfel betekent dat God borg moet zijn voor ons weten. De denker die de hele wereld, z'n hele gedachteninhoud verloor, leert de Denker en Schepper der wereld op datzelfde ogenblik beseffen. Zo keert Descartes de orde in de filosofie om en komt de metafysica voorop te staan.
Er is heel verschillend over gedacht hoe we over deze wijsgerige constructie moeten denken. Ze is bekend en beroemd geworden, veel meer Igemeen dan de mathematische en natuurwetenschappelijke prestaties van de Franse wijsgeer. Toch was z'n hart veel meer bij het zoeken naar een natuurwetenschappelijke methode en z'n wijsgerige stellingen kunnen ook als toegift daarbij worden beschouwd. Men heeft zelfs gemeend dat onze denker ze, had hij in later eeuw geschreven, nooit zou hebben opgesteld. Dat hij het gedaan heeft ter geruststelling van de theologen.e Uit de aard der zaak zijn zulke vragen moeilijk op te lossen. Dat Descartes, die leefde in de eeuw, waarin Galilei veroordeeld werd (1633), in vele opzichten bedachtzaam is geweest, staat wel vast. Niet in de eerste plaats om persoonlijke veiligheid, maar om z'n filosofie niet te compromitteren. Hij had de ambitie grondlegger van nieuwe wetenschap en logica te zijn. - Maar in verband met die roeping was dan ook in de zeventiende eeuw en toch ook eigenlijk in elke eeuw een wereldsysteem zonder metafysica wel niet denkbaar. Descartes was en wilde meer zijn dan mathematicus of fysicus. Meer dan vakman. Z'n metafysische bespiegelingen lopen dan ook, althans gedurende het grootste gedeelte van z'n verblijf in ons land, parallel met z'n mathematische en natuurwetenschappelijke studiën. Te Franeker is hij begonnen met de opstelling van een klein traktaat dat eerst in 1641 onder de titel van Meditationes verschijnen zal. - Wel bestond er een betekenisvolle verhouding tussen de tijd die hij gaf aan de wetenschap en aan de wijsbegeerte. De laatste werd vlug, soms vluchtig afgedaan.
Toch mag ook dit laatste ons er niet toe verleiden aan de ernst van de zaak te twijfelen. Descartes had de taak wetgever te zijn voor de nieuwere wetenschap. Het was niet voldoende haar uit het diensthuis van de Scholastiek te zien uitgeleid. "De zestiende eeuw had", zoals Bouillier,5 de biograaf van het cartesianisme heeft opgemerkt, "de rede geëmancipeerd, maar had haar niet weten te regelen."f Het is de tijd, waarin de mathematische fysica geboren moet worden uit de mystieke der Renaissance en de chemie uit de alchemie. Het is niemand gegeven in zulke tijdsgewrichten in te grijpen, die niet is ingewijd in de samenhangen van het geheel. Descartes was gedwongen, tegenover de Scholastiek enerzijds en tegenover het wetenschappelijk mysticisme en scepticisme anderzijds, zich een metafysica uit te bouwen. In z'n jongere Franse jaren hadden ernstige vrienden, uit kringen, waaruit later Malebranche6 zou komen, hem dit ook reeds aangeraden.g
Intussen blijft het enthousiasme van Descartes gespannen in natuurwetenschappelijke richting. Ik heb daarstraks gesproken van het nulpunt, waartoe hij ook de moraal terugbracht. In beginsel en gezien vanuit z'n wijdste concepties is dit ook het geval. Maar praktisch toch niet. Hij is goed conservatief geweest in de moraal, al mocht hij soms dromen van een toekomst, waarin ook deze onderworpen zou kunnen worden aan z'n methode. - Maar wel heeft hij vanuit dat nulpunt, waar het denken, in de vorm van twijfel, zich goddelijke garantie ziet geschonken, z'n natuurkennis op de schaal zien rijzen, graad na graad. Het naast aan de metafysica staat, in klaarheid, de mathesis. Ze is 't minst belast met ondoorzichtige stof en 't minst vermengd met de lichamen. Ze heeft met de classificatie van de dingen in de wereld niet of nauwelijks te maken. Ze bezit bijna de logica van het nulpunt, van de metafysica zelf, en heeft daaraan haar helderheid te danken. Levenslang heeft aan Descartes de gedachte voorgezweefd van een universele meetkunde, nog algemener dan een van haar bekende vormen. Een mathesis van grootheden in 't algemeen, waarin dan de wetenschap haar eenheid zou vinden. Mathesis en metafysica zouden dan volkomen samenvallen. Dit is een grensgedachte, die natuurlijk ook door deze grote denker niet concreet gemaakt kon worden.
Descartes heeft, het spreekt wel vanzelf, z'n gedachte boven het metafysisch nulpunt moeten laten rijzen. Hij heeft dus weer stof moeten opnemen. Het denken heeft zich weer met de lichamen moeten vermengen. De onhoudbaarheid van het absolute nulpunt heeft hij zelf steeds duidelijker ingezien. Maar alles wat hij gedacht en geschreven heeft bewijst dat hij van daaruit de wetenschap beweegt. Zo duur mogelijk verkoopt hij elke duim gronds, die hij moet afstaan van z'n heilige afbakening. En de hoeveelheid stof, die in z'n wetenschappelijke retorten overblijft, het bezinksel, dat in z'n wetenschap niet opgenomen wordt, omdat het te onzuiver is en te materieel om een plaats te krijgen in de grote klaarte van z'n kennis-visioen, weegt bijna zo zwaar als de hele wereld die vastligt in de definities van Aristoteles.