In memoriam prof. dr. G. van der Leeuw1
De redactie van dit tijdschrift vroeg mij dit In memoriam te schrijven, liefst ter karakterisering van de theologische en kerkelijke betekenis van de ontslapene. Nu ik daaraan voldoe, heb ik een droeve en zware plicht op mij genomen. Een plicht overigens, die beantwoordt aan een drang des harten, die ik gevoeld heb van het ogenblik af, dat ik kennis kreeg van zijn overlijden. Het verheugt mij en het schept mij ruimte in mijn binnenste, nu mij zo ongezocht de gelegenheid geboden wordt iets te zeggen ter herdenking van Van der Leeuw.
Daarbij kan ik mij niet geheel bepalen tot een beschouwing van zijn publieke figuur. Ik moet beginnen met uiting te geven aan de grote droefheid-bijna schreef ik: neerslachtigheid-die mij en velen met mij beklemt, nu ineens, zonder dat wij er op voorbereid waren, de grote plaats in ons midden, die Van der Leeuw innam, leeg geworden is. Wel zelden zal het gebeuren, dat niet alleen in de kring van familie en bekenden, maar zo ver daarbuiten als hier, het heengaan een zo sterk gevoel van persoonlijk verlies nalaat. De oorzaak daarvan mocht ik reeds aangeven lang geleden, bij mijn promotie te Groningen, toen ik tegenover Van der Leeuw sprak van "het geleidend medium, dat gij door uw vriendelijke belangstelling schept voor de theologische gedachte, van de Dollard tot de Schelde." Want, zo voegde ik er bij: "Theologie is geen onderonsje, maar een kosmische aangelegenheid. Maar zonder een persoonlijk element is zij toch lamgelegd."a Dit persoon.ijk element was het, dat voor velen van zo grote betekenis is geweest en dat het sterke gevoel van leegte verklaart, dat ons nu kwelt. Het deed geen afbreuk aan de vastheid en de strengheid, waarmee de lijnen der theologische en kerkelijke gedachte werden getrokken. Maar het bracht anderen er toe om mee te denken en mee te leven, soms tot de grenzen der bescheidenheid. Als duidelijkste - ofschoon wel niet het beste - voorbeeld noem ik zijn Dogmatische brieven waarin de schrijver - nu van zijn kant tot de grenzen van het toelaatbare - zich in die richting liet gaan.b ⚑De sentimenten, die Van der Leeuw daardoor opwekte, waren wederkerig. Ook hij voelde zich in beweging gebracht door wat anderen dachten en schreven. En deze gevoelens werden bij hem, wat onder theologen zo gemakkelijk gebeurt, zelden tot ressentimenten. Deze rabies was hem vreemd. Zonder ook maar een neiging tot relativisme bij zichzelf aan te kweken, bleef hij toch een gemakkelijk theoloog. Er bestond soms zelfs een lichte neiging tot syncretisme, bijv. in zijn verhouding tot Barth.2
Deze dingen moesten vooropstaan, om aan het gemoed de rechten te geven, die er aan toekomen. Maar zij mogen de blik op Van der Leeuws levenswerk niet voor ons verduisteren. Het persoonlijke mag ons niet verhinderen te zien, hoe scherp en consequent de lijnen door hem getrokken zijn. Soms schrok men van de onverzettelijkheid van zijn overtuiging. Men vergiste zich als men te zeer op zijn toegeeflijkheid rekende.
Zeer in het algemeen kan men zijn godgeleerd en kerkelijk denken katholiserend noemen. Daarmee is niet bedoeld, dat hij gevaar liep ooit bij Rome terecht te komen. De kritiek op deze kerkformatie, zoals hij die gaf in zijn Sacramentstheologie, is in dat opzicht duidelijk genoeg. Wat hem voor de geest stond, was een nieuw kerkbesef en een nieuw belijden.c Zowel Rome als Genève zag hij terzijde van die weg staan. Bij Rome waren de vormen hem te vast geworden; de behandeling van de Geest te zelfgenoegzaam. Bij de reformatoren - Luther ten dele uitgezonderd - miste hij substantie in het geloof en achtte hij de werking van de Geest te ongebonden.d
Daartussendoor wilde Van der Leeuw de weg der tekenen en fenomenen gaan. Ook het Woord rekende hij daartoe en een principieel onderscheid, voor zover het de verhouding van substantie en Geest betreft, nam hij niet aan. Dit gaf aan zijn theologie een beweeglijkheid, die de Westerse kerk door de eeuwen heen in die mate niet gekend heeft. Zijn sacramentstheologie onderscheidt zich daardoor van die van Rome en op de verschilpunten is hij naar die zijde verre van irenisch. Doordat het Woord met de sacramenten vermengd wordt, krijgt het teken een ander - laat mij mogen zeggen meer magisch aspect.
Omgekeerd wordt de Geest meer gebonden. Immers, het Woord is vlees geworden. Het heeft ook een lichaam, evengoed als de zichtbare tekenen. Als wij ze zichtbare woorden noemen, dan betekent dat geen tegenstelling maar een nevenstelling. En daarmee zijn wij in het centrum van Van der Leeuws theologie gekomen, bij de belijdenis van de incarnatie. In zijn Inleiding tot de theologie en in zijn Liturgiek heeft hij de figuren getekend, zoals deze zich aan hem vertoonden op deze terreinen, rondom het dogma van de vleeswording des Woords.e
Een dogma is het eigenlijk toch ook niet. De incarnatie is hier een beginsel. Zij is het oorspronkelijke teken, de aanvang van alle ware fenomenen. Haar op zo exclusieve wijze naar voren brengen, zoals dat in deze theologie gebeurt, betekent een breuk met de hele theologie van het Westen, rooms en protestants. Men moet tot de Oude kerk teruggaan en aansluiting zoeken bij het Oosten, als men steun wil vinden. Van der Leeuw deed dat dan ook zeer bewust.
Hij stond daarin niet alleen. Ook Aalders heeft er aan meegedaan; echter minder opzettelijk. Bovendien trok deze scherper grenzen. Ik denk aan die tussen incarnatie en kerk, incarnatie en cultuur. Op deze punten ging Van der Leeuw veel verder. Maar de contacten, die hij met zijn incarnatietheologie maakte, bepaalden zich niet tot een enkele verwante theoloog. Zij hielden verband met stromingen van meer algemene aard, in het moderne denken, bij Rome en de Reformatie beide. Ik behoef slechts het woord existentialisme te noemen.
Daarom is het niet toevallig, dat Van der Leeuw zulk een ijverig fenomenoloog is geweest. Evenmin als het toeval is, dat zijn incarnatietheologie in laatste instantie de naam van sacramentstheologie ging dragen. Fenomeen en teken verraden hier, het eerste op wijsgerig en het tweede op theologisch gebied, de aanwezigheid van een beginsel, een principe, iets dat leeft en zich ontwikkelt en groeit. De eigenlijke Westerse dogmatische theologie kende zulk een theologisch vitalisme niet. Het verschil ligt in een gewijzigde opvatting van de verhouding tussen woord en teken. Een vermenging van deze twee voert op de weg ener sacramentstheologie. In laatste instantie komen wij hier voor de vraag te staan, wat de betekenis van het vlees in de incarnatie geweest is. Is het een verschijningsvorm, dan staat de weg open voor een generale fenomenologie, die ook in de theologie de bakens verzet. Houdt het echter een oordeel Gods in, dan vindt het aan het Kruis een grens, zodat de incarnatie haar incidenteel (Aalders) karakter behoudt.f
Deze vragen zijn het, waarmee Van der Leeuw steeds geworsteld heeft, en waarvan hij met een zeldzame methodische scherpte een oplossing trachtte te geven. Wie van deze heroïsche krachtsinspanning gedurende tientallen jaren getuige is geweest; wie de reeks standaardwerken, waarin de resultaten van zijn brede en tegelijk diepe studiën werden neergelegd, zich aan elkaar heeft zien rijgen; wie gemerkt heeft, dat hij daaronder allerminst tot een kamergeleerde werd, maar in toenemende mate tot activiteit geneigd bleek, die heeft het voorrecht gehad de levensontplooiing van een groot man te hebben meegemaakt.