Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 4 · p. 320–341

Weergave

René Descartes1

De achtste juni 1637 verscheen bij Jan Maire, boekdrukker te Leiden, een bescheiden kwartijn, welk feit nu, na driehonderd jaren, aanleiding geeft tot een bedrijvige herdenking in woord en geschrift. Het boek was in 't Frans gesteld en bevatte de aankondiging van een nieuwe methode voor wetenschappelijk onderzoek, gevolgd door een drietal toepassingen. Op het titelblad ontbrak de naam van de schrijver, maar deze was in ons land reeds lang geen onbekende. Present-exemplaren gingen naar de beste Hollandse adressen, waaronder Constantijn Huygens en Pieter Cornelisz. Hooft. Het was het werk van een der beroemdste gasten, die ons land heeft geherbergd: René Descartes. En het geschrift was het befaamde Discours de la méthode, dat een nieuw tijdperk heeft ingeluid in het Europese denken.2

De compositie van het boek is heel merkwaardig. Die is zo, dat - zoals Charles Adam, één der nieuwere biografen van Descartes, het uitdrukt - de voorrede het werk heeft doen vergeten.a Dat is trouwens geen wonder. Het eigenlijke Discours bevat een autobiografie van de schrijver; of liever 'een geschiedenis van zijn denken'. Hij had reeds lang aan Balzac3 beloofd die te zullen geven.b Ze kon rekenen op een wijde lezerskring. - De drie 'proeven', die daarop volgen, de Dioptrique, de Météores en de Géométrie, behandelen zeer speciale wetenschappelijke vragen. De eerste gaat over straalbreking, de tweede over de atmosfeer en de derde over meetkunde en algebra. Wel houden ze nauw verband met wat hij in het Discours over zijn methode zegt en passen ze die toe op kwesties, die toen juist aan de orde waren: de verrekijker, de regenboog en de specieuze algebra. Maar de belangstelling in deze oplossingen kon buiten vakkringen toch slechts hier en daar worden verwacht. En bovendien bracht het volgen van de nieuwe methode, vooral in het laatste gedeelte, de Géométrie, zulke grote moeilijkheden mee, dat nauwelijks een enkel vakgeleerde daartoe in staat bleek. Ten dele was dit door Descartes zo gewild. De 'Essais' zijn brokstukken van een groter geheel, een 'Système du monde' dat de schrijver had willen geven. Maar dat hij om redenen, die hij in het Discours noemt, achterwege liet.c Hij geeft slechts iets en ook dat nog met een zekere terughoudendheid.

We willen nu, aan de hand van het Discours, enige bladzijden wijden aan een-beschouwing over Descartes en zijn werk. De indeling wordt ons door het boek zelf aangegeven en valt in hoofdzaak samen met de chronologie van het leven van de schrijver. Het heeft zes hoofdstukken, die ons gelegenheid geven achtereenvolgens iets te zeggen over de oude school, de nieuwe methode, de morele stemming, de godsdienstige achtergrond, de moderne natuurwetenschap en het uitzicht op de toekomst. Het tweede en vierde zal ik het uitvoerigst behandelen. De beide laatste slechts heel kort. De schetsmatige aanduidingen van zijn zelfportret zullen wij daarbij moeten aanvullen met gegevens uit zijn werken en uit de literatuur.

Wie het leven en de werken van Descartes begint te bestuderen met de gedachte dat alles 'helder en bepaald' zal zijn, zoals men dat misschien meent te moeten verwachten, komt bedrogen uit. Er zijn in beide een aantal duistere plekken, die zich maar niet willen laten verdrijven. Uit verschillende perioden van zijn leven is niets of bijna niets bekend. En omtrent alle zes genoemde punten, school, methode, moraal, godsdienst, natuurwetenschap en betekenis is nog groot verschil van gevoelen. De methode van helder en bepaald denken komt uit tegen een zeer mysterieuze achtergrond.

Reeds de levensbeschrijving is zeer karig. Van de oudere is er slechts één, die van Baillet,4 van 1691, compleet. Deze schrijver van zeventien delen heiligenlevens bedoelde Descartes voor het roomse publiek te rehabiliteren en maakt van hem min of meer een devote figuur.d De laatste halve eeuw is er wel wat meer licht gekomen, mede tengevolge van de ontdekking van enkele dagboeken en briefwisselingen.e Charles Adam gaf, in het twaalfde deel van de met Franse staatshulp uitgegeven monumentale editie van Descartes' werken (1897-1910), die hij met Paul Tannery bezorgde, een uitvoerige en gedocumenteerde beschrijving van het leven en de werken van onze filosoof. Maar hij meende dat er voor een eigenlijke biografie nog een twintigtal monografieën nodig zouden zijn.f Sedert heeft Gustave Cohen5 voor de twintig jaren van zijn verblijf in Nederland wel een en ander opgehelderd, in zijn Ecrivains Francais en Hollande (1920).g Maar voor de periode van 1619-1628, zijn Duitse, Italiaanse en Parijse jaren, is er veel helemaal onbekend en de kans dat daarin verandering zal komen, is heel gering. - Ten onzent gaf dr. Serrurier6 een Descartes, leer en leven (1930).

Ook de ideeën van de schrijver van het Discours hebben in de laatste tientallen jaren aanleiding gegeven tot tal van onderzoekingen. Ik noem hier enkel een paar van de ouderen, Boutroux,7⚑ de leermeester van Ch. Adam, en Liard, die de bovengenoemde uitgave van de werken inspireerde.

Maar er blijven vele raadselen over. Het schijnt dat de vader der moderne wijsbegeerte getrouw wil blijven aan wat hij eens aan een vriend schreef: Larvatus prodeo.h Dit mag ons echter niet verleiden tot het romantiseren van een leven, dat zich meer dan welk ander in zuiver denken samentrok, terwijl die gedachte weer niets anders wilde wezen dan een methode om verder te denken. Een boek als dat van Maxime Leroy:8 Le philosophe au masque, zondigt daartegen. Het exploiteert de mysterieuze zijden van dit merkwaardig bestaan, zodat het onkenbaar wordt. Die geheimzinnige kanten zijn een aanwijzing van de grootheid van Descartes en doen ons zien, dat hij niet enkel modern is. Wij zien hem uit een omgeving naar voren treden en van hem geldt wat hij van zijn methode zegt, dat ze gelijk is aan een beeld, dat vroeger reeds in 't marmer zat, maar er uit gehouwen moet worden.i

René Descartes - of Des Cartes - werd op 31 maart 1596 geboren. Twee Franse provincies, Touraine en Poitou, hebben om de eer van zijn geboorte gestreden. De strijd is zo bijgelegd, dat Touraine de roem heeft van de bodem en Poitou overwegend die van het bloed. Z'n geboorteplaats heet thans La Haye-Descartes. Maar hijzelf noemt zich later vaak 'Poitevin' of in 't Latijn 'Picto', met welke bijnaam hij staat ingeschreven in het album van de Leidse universiteit. Toen hij in 1618 te Breda verbleef, liet hij zich Sieur du Perron noemen, naar een familiebezit in Poitou.

Hij was overigens weinig gehecht aan zijn geboortegrond en familie. Z'n vader mocht de jongste zoon, die er voor scheen te studeren 'om zich in leer te laten inbinden',j niet erg graag; de bleke jongen, met z'n droge hoest, die hij van zijn moeder geërfd had. - Beter werd hij begrepen op de beroemde jezuïetenschool te La Flèche, een stichting van Hendrik IV. Men stond hem toe een eigen kamer te hebben en 's morgens in bed te blijven mediteren, een gewoonte die hij levenslang aanhield. Toen hij op latere leeftijd eens bij een vriend logeerde, ontvluchtte hij het huis en huurde een hotelkamer. De gastheer ontdekte zijn verblijf en bespiedde hem door het sleutelgat van de kamer, terwijl Descartes bij vol daglicht, bij tussenpozen van een half uur, zich van zijn peluw oprichtte om een aantekening te maken.k De anekdote brengt ons in een intimiteit van een zeer bijzonder soort; zij voert het ie pense, donc je suis voor onze ogen op.

De paters van La Flèche gaven uitstekend onderwijs. Vele beroemde Fransen hebben hun opleiding bij de jezuïeten genoten; ook Bossuet, Condé, Balzac en later Voltaire. Onder de Franse jezuïeten regeerde een vergelijkenderwijs moderne geest. Ook hun probabilisme, dat Pascal in zijn Brieven gehekeld heeft, bedoelde aanpassing aan de eisen des tijds om zo de moderne mens voor de kerk te behouden. En zo vertoont ook hun verdediging van het christendom trekken, die haar onderscheiden van de manier waarop de gewone schoolse theologie die beoefende. Wij komen daarop nog terug.

In het Discours van Descartes is daarvan echter niet veel te merken. Wel zegt hij, dat hij op een van de beroemdste scholen van Europa is geweest, maar zijn requisitoir tegen het daar geleerde is wel zo vinnig, dat het z'n weerga zoekt. Hij laat de verschillende vakken de revue passeren. Hij weet wel dat de talen nodig zijn om de klassieken te kunnen lezen; dat fabels de geest prikkelen; dat geschiedenis het oordeel vormt; dat lectuur een verkeer is met grote geesten uit het verleden; dat welsprekendheid onvergelijkelijke krachten en schoonheden bergt; dat de wiskunde zeer subtiele ontdekkingen doet; dat zedekunde heel nuttig is en dat de theologie ons leert, hoe wij in de hemel kunnen komen; dat filosofie goed is om met waarschijnlijkheid over alle dingen te kunnen praten en zich te laten bewonderen; dat de studie van de rechten en van de medicijnen eer en geld aanbrengt en eindelijk, dat het goed is al die vakken te hebben onderzocht om ze op hun rechte waarde te leren schatten en op te passen dat men niet bedrogen wordt.l

Maar men moet dit viriele Franse proza zelf lezen, dat Descartes een plaats gegeven heeft onder de klassieken en dat aan Pascal herinnert. Hier datzelfde warm lopen van het betoog en diezelfde onverwachte, niet te pareren degenstoten.

Wat bedoelt de schrijver er mee? Legt hij enkel de stemming van de abituriënt vast, als hij in 1614 de school verlaat en is hij over sommige dingen, bijv. de theologie later anders gaan denken? Of is dit de mening van de schrijver van 1637, die, nu niet meer in 't Latijn, zoals andere geleerden, maar in goed Frans, en niet in een traktaat, maar in een discours, ronduit zijn mening zegt over alles wat in de scholen, waar men voor kerk en staat wordt opgeleid, wordt geleerd? En breekt hij daarmee de staf over het hele maatschappelijk systeem? Is Descartes revolutionair, scepticus, libertijn, vrijdenker?

Men mag deze vragen niet bevestigend beantwoorden. De schrijver heeft in de loop van zijn leven daarop altijd een ontkennend antwoord gegeven. Hij heeft zelf de moraal, de theologie, de politiek veilig gesteld voor de invloed van zijn methode. Hij heeft zich tot de reformatie van de school willen beperken. En toch is het merkwaardig dat die vragen in de controverse rondom de filosoof altijd weer gesteld worden. Zij zijn het, die het geval-Descartes zo mysterieus maken. Zij bewijzen, dat de school niet de eigenlijke poort is, waardoor men een levenssysteem kan verlaten. Dat kan alleen door de kerk.

De schrijver komt in het Discours op sommige vakken terug. Zeker, hij schatte de welsprekendheid hoog en was verzot op gedichten. Maar die hield hij voor gaven des geestes en geen eigenlijke leervakken. - Vooral had hij schik in de wiskunde; maar waarom bouwde men toch op zulke vaste fundamenten geen hoger huis dan de mechanica? En waarom de filosofische moraal op een zandgrond? Hij had wel respect voor de theologie en wou ook graag in de hemel komen. Maar als de domste mensen er evengoed in konden komen als de knapsten, dan moest men wel meer dan mens zijn om haar te onderzoeken. Hij wil niets van de filosofie zeggen. Maar wat een verschillende meningen! Alles slechts waarschijnlijkheden! En dan konden de andere wetenschappen, die hun zekerheid aan de filosofie moeten ontlenen, toch ook geen vaste grondslagen hebben. En voor eer en geld wou hij ze niet leren. Want hij was, Gode zij dank, niet in een conditie, dat hij van de wetenschappen een vak hoefde te maken. Hij was geen cynicus, maar op valse titels wilde hij geen roem winnen. En tenslotte, alchemie, astrologie, magie, die 'slechte wetenschappen', daar laat hij zich niet meer door bedriegen.m

Een zuivere herhaling van het voorgaande is dit niet. Er zit iets meer zelfportret in. De wiskunde, die zopas nog gezien werd als vak voor subtiele vondsten, wordt nu naar voren gebracht als methode, waarmee wel iets beters te bereiken is dan enkel mechanica. De retoriek, de kroon van het antieke schoolprogramma, wordt tot een natuurlijke vaardigheid gedegradeerd en met haar moeten haar beide paranimfen, letteren en historie, haar ereplaatsen afstaan. De theologie wordt hoog, buiten het bereik van de school gezet. En omtrent de filosofie laat hij doorschemeren, dat een onafhankelijk man, die alleen met God en de ziel te rade gaat, er nog wel wat beters mee zou kunnen dan baantjes creëren. En tenslotte is Descartes wel zo vriendelijk om de kans van bedrogen te worden hier niet meer op theologie, filosofie, letteren en historie, in één woord op de faculteiten, maar op de 'slechte wetenschappen', de occulte disciplines, alchemie, astrologie en magie te laten slaan.

De eerste passus was een volle vuistslag, na een zachte belasting plotseling in het gelaat van de Scholastiek geplaatst. Deze tweede is, in de vorm van een soort excuus, een bervormingsprogram, waarin zijn eigen methode zich aankondigt. Het geheel is een staal van magistrale betoogtrant.

Waartegen is deze aanval nu gericht en met welke bedoeling heeft ze plaats? Een aanval op de jezuïetenschool als zodanig is het niet. Een conflict met hen heeft Descartes levenslang vermeden. Eer heeft hij de relaties, waarin bij tot hen stond, voor zijn zaak zoeken te benutten. Hij heeft ook steeds erkend, dat hij veel aan hun school te danken had.n In dat opzicht kan het Discours niet naast de Lettres van Pascal worden geplaatst. Wij moeten zeggen, dat hij de school als zodanig, de Scholastiek, het middeleeuwse wetenschappelijke systeem, dat opgebouwd was volgens de regels van de logica van Aristoteles en waarin de uitkomsten van diens natuurleer werden herhaald, te lijf wilde. Misschien heeft hij zelf een tijdlang gemeend dat hij de jezuïeten daarbij zou meekrijgen. De vraag kan zelfs gesteld of er in hun onderwijs een modernisme kan gescholen hebben, dat Descartes tot zijn nieuwe denkrichting predisponeerde.

Hoe het zij, de gedachten die wij hem in het Discours hoorden uitspreken, moeten vrij vroeg bij hem wakker geworden zijn, al is het dan in minder voldragen vorm. Misschien droegen ze toen bij de negentienjarige dat meer revolutionair en sceptisch karakter, dat de eerste redactie van de teksten die ik parafraseerde, ons te horen gaf. De inhoud kunnen we weergeven met een formule, die de schrijver zelf gaf in een later geschrift, de Regulae, waar het heet: In de wetenschap geen verhaaltjes, maar ontdekkingen!o

In het tweede hoofdstuk van het Discours vinden we Descartes op een heel andere plaats. Hij zit in zijn beroemde poéle. "Ik bleef de hele dag alleen opgesloten in een 'poéle', waar ik alle tijd had om mij met mijn eigen gedachten bezig te houden."p 'Poéle' vatten Descartes' biografen in dit geval, op grond van woordenboeken, meestal op als 'verwarmde kamer'. Soms zelfs als 'oververwarmde kamer'. En uit die oververwarming halen ze dan soms nog allerlei. Ik begrijp niet goed waarom. Het zal toch wel niet meer betekenen dan kamer-met-vuur-en-licht. Waar de poéle zich bevond, is een van de raadselen uit Descartes' leven. In Duitsland, maar waar? Ch. Adam vermoedt: in de buurt van Ulmq maar zeker is dat niet. - Hier is de methode, uit het Discours, geboren.

Maar wij moeten de biografische draad even ophalen. Na het verlaten van La Flèche heeft onze filosoof rechten gestudeerd te Poitiers. En kort daarop, vermoedelijk in november 1618, verscheen hij te Breda om dienst te nemen onder prins Maurits. Waarom verliet hij Frankrijk? Hij wilde, zo zegt het Discours, studeren in het boek der wereld en nadat hij dat een poos gedaan heeft, ook in zichzelf.r Door een in 1905 in de Provinciale Bibliotheek te Middelburg door dr. De Waard ontdekt Dagboek van Isaac Beeckman,9 is nieuw licht opgegaan over deze tijd. Beeckman, medicus te Middelburg en later rector van een school te Dordrecht, had Descartes te Breda leren kennen. Samen studeerden ze vlijtig in wis- en natuurkunde. Dat was in die tijd ook een soort mode-sport. Wij hebben Descartes daar al over horen klagen, dat de wiskunde gebruikt wordt om subtiele vondsten te doen. In de Parijse salons was men er ook erg druk mee. Men kent dat uit Pascals levensgeschiedenis. Aan dit spel een ernstiger doel te stellen, is nu juist de bedoeling van Descartes geweest. Te Breda, aan de Europese academie van prins Maurits, was hij daarvoor zeker op de rechte plaats. Sportief werd het vak ook hier nog veel beoefend. De legende - waarvoor overigens een vrij goede autoriteit is aan te wijzen - vertelt, dat op een aanplakbord een vraagstuk stond opgegeven en dat Beeckman het voor Descartes vertaalde, waardoor de kennismaking ontstond. Sedert de ontdekking van het Dagboek geldt dit echter als legende.s

Het Dagboek geeft enkele kostbare aanwijzingen omtrent de methode. Het wonderlijke bij Descartes is, dat bijna zodra hij zelf zichtbaar wordt, zijn methode er ook is. Hij wil regel stellen op het mathematisch spel en hij wil het als instrument voor een algemeen doel gebruiken. Op 26 maart 1619 schrijft hij aan Beeckman, dat hij bezig is te denken over een bijna nieuwe wetenschap waardoor alle vraagstukken zouden kunnen worden opgelost, die men kan stellen over iedere orde van grootheden, continue zowel als niet-continue. En hij voegt er bij: "Weliswaar is 't een oneindig werk en niet voor één mens. Het is een ongelooflijke taak, maar ik heb dwars door de donkere chaos van deze wetenschap een wonder licht zien stralen, met welks hulp ik meen de dichtste duisternissen te kunnen verdrijven."t - Het enthousiasme, dat in 1637 het zesde hoofdstuk van het Discours bezielt, en dat daar reeds steunt op een groot stuk van zijn levenswerk, kondigt zich hier aan. Hij heeft het visioen van de moderne wetenschap.

Het verblijf te Breda is maar kort geweest. Hij gaat ons land weer verlaten. Moet men aannemen, dat de Synode van Dordrecht en de politieke gebeurtenissen daaraan deel hebben, zoals Cohen schijnt te willen?u Het is onzeker. Uit Amsterdam schrijft Descartes op 29 april voor 't laatst aan Beeckman. Hij heeft te Dordrecht in een herberg een rondreizend woordenkramen ontmoet, die de kunst van Lullus10 machtig scheen te zijn, een soort begrippen-algebra uit de dertiende eeuw. Hij vraagt Beeckman hem een boek daarover te zenden.v

Descartes zoekt dus. Hij wil geen woorden- en begrippenkunst, maar een echte, waarmee men de natuur kan beheersen. Maar hij luistert overal waar hij iets daarvan vermoedt.

Dit brengt ons tot de vraag of Descartes voor zijn enthousiasme ook contacten heeft gehad met mystieke stromingen. De tijd was er vol van. De bestrijders van de kerkelijke Aristoteles zochten het zo ongeveer overal. De één bij Plato, de ander bij Epicurus, weer een ander bij de Stoa. En uit de Oudheid kwam er veel heidens naturalisme mee naar voren. In de biografie van onze filosoof is de vraag druk besproken of hij tot de Rozenkruizers11 heeft behoord.w Wij zullen daarop hier niet ingaan. Maar wij moeten het wel even noemen, omdat er rondom de poéle, waar de methode geboren is, geheimzinnigheid hangt. Van de jaren 1619-1622 is maar heel weinig bekend. En de gelegenheid tot vermoedens staat open en daarvan is ruimschoots gebruik gemaakt. Het is niet onmogelijk dat er een mystieke moederbodem aanwezig is geweest voor de methode.

Op 10 november 1619 doet Descartes zijn grote ontdekking in de poéle. Hij beschrijft die in rustige zinnen in het Discours, die uitlopen op de vier regels voor de wetenschap. Hij wilde één keer alles afbreken in zijn denken en dan van de grond af weer opbouwen. Niet ieder moest dat voorbeeld volgen; velen zouden nooit weer op 't rechte spoor komen. Maar hij had vele steden en mensen gezien en vele meningen in de filosofie gehoord. Hij moest zelf zoeken. Maar daarbij moest hij langzaam te werk gaan. Hij moest eerst een methode hebben, een draad van Ariadne om er weer uit te komen. Syllogismen, de sluitredenen zoals de school die gebruikte, kwamen niet in aanmerking. Er waren wel goede redeneringen, maar die moesten nog als een beeld uit 't marmer gehouwen worden. Zo was er de meetkunstige analyse van de oude en de moderne algebra. Maar die waren zó niet bruikbaar. De eerste bleef dood op figuren en de tweede was erg verward.

En dan volgen de vier beroemde regels:

1. Niets aannemen wat niet helemaal evident is.

2. Alle moeilijke vragen in kleine stukken verdelen.

3. De dingen in de juiste orde plaatsen.

4. Tenslotte een volledig overzicht van 't hele vraagstuk nemen.x Daarna geeft de schrijver nog een paar heel summiere aanwijzingen over de manier van toepassing en over de resultaten die hij in korte tijd met z'n methode behaalde.

Van mysticisme is in het Discours geen spoor en ook de mededelingen omtrent de methode zijn zo sober, dat de lezer niet in de verleiding zal komen er mee te gaan werken. We hebben echter een paar kleine geschriften van Descartes, die als aanvulling kunnen dienen. Ze zijn in zijn nalatenschap gevonden. Het eerste draagt de titel van Olympica. Het geeft verslag van de gedenkwaardige tiende november 1619 in de poéle, "toen ik," zo staat er, vol enthousiasme was en de fundamenten van de wonderbare wetenschap vond. "y Hij geeft dan verslag van een drietal dromen, waaraan hij zelf een uitlegging geeft. Freud heeft op verzoek van Maxime Leroy zijn mening over deze dromen gegeven en gezegd dat het hoofdzakelijk dromen van boven waren, dwz. uit de buurt van het denken-over-dag.z Leroy is daarmee niet ten einde, maar construeert een morele crisis in verband ook met het feit dat Descartes de gelofte aflegde een bedevaart te zullen doen.a Wij laten dit alles rusten. Zeker is dat er een zeker mystisch waas om het geboorte-uur der methode hangt.

De methode zelf kunnen wij nauwkeuriger leren kennen uit het andere kleine geschrift, waarop ik zinspeelde, de Regels tot leiding van ons denken, en dat de schrijver vermoedelijk in 1628 heeft opgesteld. Het staat dus precies in het midden tussen 1619 en 1637. Dat zal ook wel gelden van de inhoud. In 1619 op 10 november, in de poéle, was het een visioen, omringd van mystisch enthousiasme. In 1637, bij de opstelling van het Discours, heeft Descartes reeds enkele grenzen van zijn methode gezien en gemerkt dat niet iedere stof daarmee te overwinnen valt. De Regels weten daar nog niet veel van.

Zij waren in ons land na de dood van Descartes in enkele exemplaren in omloop. Leibniz heeft er één van gekocht, welk stuk te Hannover berust.

De schrijver heeft hier in zesendertig artikelen zijn universele wiskunde willen vastleggen. Bij het eenentwintigste breekt hij echter af. De eerste twaalf gaan over de methode in 't algemeen en preciseren wat we nu heel kort in het Discours lezen. Ze geven algemene aanwijzingen voor (natuur)wetenschappelijk onderzoek. Het tweede twaalftal wil deze manier van zoeken met behulp van de meetkunstige analyse en de nieuwe algebra tot een mathematisch instrument verbijzonderen, door orde en maat tot volkomen bepaaldheid door te voeren. Het derde twaalftal had moeten dienen voor die vragen, die zich aan zo'n strenge wiskunstige bepaling onttrekken. Hier zou de analogie te hulp geroepen moeten worden. Descartes heeft ze echter niet geschreven.

De Regels zijn een van de merkwaardigste documenten van de menselijke geest. Ze brengen de lezer regelrecht in de wiskunde, zodat de meeste wiskunstenaars de verbazend moeilijke geometrie, de derde 'essai' achter het Discours, die alleen door een enkele geleerde als Schooten12 begrepen werd,b voor de voltooiing van het bij regel 21 afbrekende stuk houden. En toch doen ze, evenals het Discours, een beroep op de belangstellende leek. Ze willen het niet met cijfers en lijnen, maar met de dingen in de natuur te doen hebben. Ze willen de lijnen en cijfers niet voorgoed abstraheren van de voorwerpen, maar daarmee grootheden in 't algemeen voorstellen. Ze willen met behulp van cijfer en lijn, die de symbolen zijn van orde en maat, doordringen in 't hart der natuur en ook de kwaliteiten tot kwantiteiten herleiden.

De mathematische zijde van deze methode houdt schrijver dezes en vermoedelijk de meeste lezers op eerbiedige afstand. En toch gaat er van deze Regels een fascinerende werking uit, die er ons toe brengt om aan het appèl, dat daarin op ons gezond verstand gedaan wordt, gevolg te geven en de schrijver een eindweegs te volgen. Niemand weet van Descartes, die hem niet van deze zijde een weinig heeft leren kennen. De volharding waarmee hij altijd het eenvoudige en het algemene, de zaak zelf in het oog houdt en de wijze waarop hij in de meest abstracte partijen van zijn betoog een beroep doet op al onze vermogens, het intellect, de verbeelding, zijn zo menselijk, dat wij weigeren ons te laten wegzenden. De belofte dat hij een middel weet om heel moeilijke vragen in goed gedetermineerde vorm te brengen, zodat ze oplosbaar worden of als dat niet mogelijk is, ze door de analogie onder bereik van ons intellect te brengen, is zo verleidelijk, dat we vol spanning toekijken.

Wij hebben de gelegenheid in de eerste twaalf regels de methode in haar natuurlijke beweging gade te slaan. Wij zien de gedachte zich bewegen, naakt, geest, zonder bekleding met cijfer en lijn. En het wezen van Descartes' methode is, dat dat eigenlijk zo blijft, ook als hij 't meest abstraheert. Hij is als het genezend medium onder de medici, de dokter bij de gratie Gods, die zich door zijn kunst niet van de patiënt laat scheiden. De wetenschap valt voor Descartes in twee helften; de ene helft, dat zijn wij met onze vermogens; de andere helft, dat zijn de dingen zelf. De wetenschap is één levende eenheid.

Daarom is alle eerste kennis ook absoluut; ze is intuïtief. Er over te praten geeft niet en is tijdverlies. Bij Descartes is tenslotte alle kennis enthousiasme, genie. In de praktijk van het volk kan het ook gezond verstand heten. Al onze redeneringen dienen om de kennis daartoe weer terug te brengen. Het einde moet weer intuïtie, enthousiasme zijn.

De tweede schrede of eigenlijk de eerste schrede in de methode, is de deductie. De gedachte beweegt zich. Is de weg heel kort, zodat we hem met één oogopslag kunnen overzien, dan kunnen wij het evengoed intiiitie als deductie noemen. Wordt de weg langer, dan moet de deductie methode worden. Hoe ze moet zijn, kan men zien aan de analyse in de meetkunde en in de nieuwe algebra. Maar men moet dat zwaard uit de schede trekken. Zij zijn de methode niet maar houden die in zich verborgen. Men kan er uit leren hoe men methodisch moet te werk gaan. We moeten, als we voor moeilijke vragen komen te staan, de dingen op een rij zetten, zó, dat de gedachte zich van het ene naar het andere kan bewegen. En dan komt de regel die Descartes de voornaamste van alle noemt; zij bevat 'het geheim van de kunst'.c Als men de dingen in reeksen plaatst moet men dat niet volgens de logische regel doen, waarbij ze in categorieën worden verdeeld en iedere soort tot haar eigen geslacht teruggebracht wordt, maar men moet ze er op aankijken of ze en hoeveel ze kunnen bijdragen tot oplossing van de vraag die men zich gesteld heeft. Ze worden gerangschikt naar de graad van straling in het duister dat men verdrijven wil. Wij zien de dingen niet op hun eenzame natuur aan, maar we vergelijken ze, zodat het ene door het andere gekend kan worden. Dat is het beginsel van de methode. De kunst is nu om het eenvoudige, absolute, intuïtief doorzichtige telkens te herkennen. Want in de éne kwestie is dit, in een volgende kan weer een ander lid van de reeks eenvoudig of absoluut zijn. Hun plaats in de reeks wordt bepaald door de graad van hun kenbaarheid uit een bepaald oogpunt. Tot zulke rijen moet men alle wetenschappelijke vragen herleiden. Want het geheugen, de logische indeling waarbij de dingen in vakken worden opgeborgen, is niet het instrument der wetenschap, maar het inzicht, de door kennislicht aaneengeschakelde reeks, waarlangs mijn gedachte zich zonder sprongen kan bewegen. De geest moet dus zo gevormd worden dat hij de graden van helderheid leert onderscheiden en daarmee het beginsel van de ordening van een kwestie.

Ik heb deze regel iets uitvoeriger besproken, omdat hier het hart der methode klopt. Descartes heeft de aristotelische logica, die volgens hem wetenschappelijk volkomen steriel is, willen vervangen door de wiskunstige redenering, die een onbekende, een x weet te bepalen. Wie de regel gevolgd heeft, zal ontdekt hebben, dat de schrijver de beginselen van een vergelijking ontwikkelt. Maar de wijze waarop dit gebeurt is algemeenmenselijk, zodat we voorlopig aan lijnen of cijfers niet denken. De vergelijking begint in het dagelijks leven; iedere knappe handwerksman past haar toe; zij is een instrument van het gezond verstand en straks, door de analogie, weer van het genie. Slechts in de daartussenin gelegen sfeer wordt de methode strakker en schept uit de meetkunstige analyse en de specieuze algebra een technisch hulpmiddel. Maar ook dan nog komt het er op aan steeds oog te behouden voor het eenvoudige en algemene, voor de zaak zelf. Iedere schooljongen doet dat als hij, bij het opschrijven van een vergelijking, zijn kippen en koeien in de opgave er op aankijkt, nu niet tot welke diersoort ze behoren, maar hoeveel ze hem vandaag kunnen helpen om het vraagstuk op te lossen en waar hij ze in de reeks precies moet zetten om daartoe te geraken.

Een laatste hulpmiddel bij deze deductieve methode is zeer belangrijk. Ik bedoel de enumeratie of opsomming. Het kan voorkomen dat de reeks heel lang wordt, zodat ik hem niet meer overzie. Dan moet ik mij oefenen in het vlug doorlopen van alle termen, om op die wijze de intuïtie, die verloren dreigt te gaan, terug te winnen. Men moet een ondoorbroken gezicht houden op elk punt van het vraagstuk, omdat de dingen niet aangekeken worden op hun verborgen natuur, maar op de helderheid, die ze kunnen aanbrengen, en omdat hun plaats in de reeks daarvan afhangt. Alles moet staan in een helder natuurlijk licht.d

Daarvoor dient de enumeratie. Ze dient ook nog voor iets anders. Het kan zijn dat men niet verder kan. Er ontbreekt een schakel in de reeks en zo komt er een donkere streep in het spectrum van het natuurlijk licht, waaronder de vraag moet staan. De inductieve methode zou dan besluiten tot het nemen van een proef. Descartes kan dat niet. Zijn gedachte wil lopen, niet springen. Derhalve moet ook bier een opsomming worden toegepast. Maar ze heeft nu niet plaats langs die naturen, die in het verband van het vraagstuk reeds licht geven, maar langs een rij van naturen en krachten, die voorlopig alleen kandidaat zijn voor de functie van een schakel in de oplossing van de vraag. De geschikte wordt dan in de lacune ingevoegd.

De opsomming heeft tenslotte nog een meer algemene taak. Zij moet ons de eenheid der wetenschap doen leren kennen in deze zin, dat wij en de wereld er beide toe behoren. Het licht en het oog horen bij elkaar. Ook deze Griekse gedachte, niet minder dan de meetkunstige analyse der Ouden, kan dienen om de methode van Descartes te karakteriseren. In de wetenschap zijn wij aan de natuur en het leven verwant, en in de vragen, die zij ons stellen, wordt onze zaak behandeld. Ze zijn niet te beantwoorden als al onze zielskrachten niet tot 't uiterste gespannen zijn. - Er is niet alleen rondom de 'poéle' op 10 november 1619 een mystiek licht geweest, maar dat brandt ook in het hart van de methode zelf, ook als ze zich in de koelste abstracties schijnt te verliezen.

Dit brengt ons tot de godsdienstige achtergrond, de metafysische vragen, waarover straks. Hier moet nog heel kort de aandacht gevestigd op de hantering der methode.

Een eenvoudig voorbeeld daarvan geeft de schrijver in de oplossing van een anagram.e Is de goede orde daar hersteld, dan heeft men de oplossing. Daarbij bekleedt de spontane intuïtie de voornaamste plaats. Het gezicht is voor Descartes ook het edelste zintuig. De logica, die een weg zoekt door de donkere regionen van het woord, dringt hij zoveel mogelijk terug. Het geheugen wil hij - regel 11 zegt het uitdrukkelijk - uitschakelen. Tijd en afstand worden uit zijn wereldverklaring zoveel mogelijk verbannen. Werking van krachten op afstand wil hij niet. Proeven worden alleen gedaan om te zien, welke van een aantal op zichzelf mogelijke oplossingen nu werkelijkheid is.

Zo wordt het doel der methode de momentopname. De gedachte is, als ze stilstaat, zichzelf helder tot op de grond. En als ze zich beweegt, doet ze dat in een lichtende lijn. Dat is het psychologische beeld. En de vorm die de natuur in de methode aanneemt, is die van een figuur die lengte en breedte heeft, uitgebreidheid. De diepte wordt in de methode liefst weggewerkt. De geest en de natuur vormen zo samen de delen der wetenschap. De geest levert de orde, het getal; de natuur de maat, de grootheid. En in het spel tussen deze beide bestaat de hele methode.

Dit ideaal van wetenschap, met alles wat het uitsluit, is strak gespannen. Alles wat teken is van geschapen menselijkheid, herinnering, woord, tijd, afstand is er uit verwijderd. Alles is tot de categorieën van licht en kwantiteit teruggebracht; van denking en uitgebreidheid. De wetenschap die Descartes.zich heeft gedroomd in de poéle, is de wetenschap van een god. ⚑Hijzelf reeds, maar vooral anderen na hem, hebben daarop dan ook sterk moeten afdingen.

De jaren 1619-1622 liggen bijna geheel in het duister. Het is de tijd van Descartes' verblijf in Duitsland. In april 1622 was hij weer in Frankrijk. In de jaren 1623 en 1624 valt een Italiaanse reis. Van 1625-1628 verkeerde hij te Parijs. Wij volgen het Discours, maar tevens de chronologie van het leven van Descartes, als wij nu vragen naar de moraal in zijn leven of liever de zedelijke grond. Wij hebben gehoord dat zijn methode ook meebrengt, om althans eens in het leven een inventaris van het geheel op te maken. De laatste consequenties daarvan zullen wij bij het volgend hoofdstuk bespreken, als zijn Je pense, donc je suis aan de beurt is en wij zijn filosofie moeten bekijken. Maar ook bij de vraag naar zijn moraal hebben wij er mee te rekenen. De methode gaat verder dan de natuurwetenschap. En zo moet onze filosoof zich dan afvragen, hoe hij z'n leven zal inrichten zolang hij niet gereed is met de nieuwe bouw.

En dan stelt hij ook hier een viertal regels. De eerste is, dat hij zich zal houden aan de zeden, gewoonten, de godsdienst van zijn land en in zijn gedrag uitersten zal vermijden. De tweede, dat hij resoluut wil zijn en steeds dezelfde richting houden en zich niet laten kwellen door berouw, waaraan kleine zielen onderhevig zijn. In de derde schrijft hij zichzelf voor, het onvermijdelijke in de wereld te laten gelden, zonder daartegen in verzet te komen. En eindelijk wil hij een revue maken van de mogelijkheden in het leven en dan de beste kiezen. Welnu, de uitwerking van zijn methode gaf hem satisfactie en bracht een rustig en onschuldig leven mee. Niemand zou er last van hebben. - Deze regels zet hij vlak naast de geloofsartikelen en verlaat dan z'n 'poéle' om opnieuw de wereld in te gaan.f

Hoe moeten we ons Descartes voorstellen in de negen jaren van oefening in zijn methode en in het methodisch twijfelen? Ook hier is het antwoord weer heel moeilijk te geven. Het Discours is zo geheel anders dan de Belijdenissen van Augustinus. Het is zo weinig een biecht, voor God niet en voor de mensen niet. Maar begin en eindpunt van die jaren zijn wel zeer buitengewoon. Aan de aanvang de grote verlichting, die gepaard gaat met een belofte om een bedevaart te doen naar Notre Dame de Lorette.g13 En het einde is dat hij zich weer in ons land terugtrekt om zijn filosofie over God en de ziel op te stellen, die hij in 1641 in de Meditationes zal uitwerken. Hoe moeten wij ons de morele stemming van de filosoof in die jaren denken? Hier staan heel verschillende gevoelens tegenover elkaar. De vier regels voor de moraal geven de indruk van een stoïcijn. Aan de tweede en derde regel heeft Spinoza later een diep ethische inhoud gegeven in zijn Ethica. Maar hebben ze die betekenis bij Descartes ook reeds gehad? De eerste regel maakt de indruk, dat we te doen hebben met een man van de wereld, die ieder op zijn eigen manier wil laten zalig worden. Descartes heeft zich daaraan blijkbaar gehouden. Toen hij later enige tijd te Deventer woonde trachtte Revius14 hem over te halen tot het protestantisme. Descartes wees het gesprek af met een bon-mot en zei, dat hij zich hield bij de godsdienst van zijn koning. Toen de predikant aanhield, werd hij nog duidelijker door te zeggen dat hij van 't zelfde geloof wilde zijn als zijn voedster.h Deze anekdote klinkt weinig apostolisch. Maar zij zegt niet veel. Deze provisoire regels uit 1637 zeggen ook niet veel. Wij zouden willen weten of deze denker, die Aristoteles wilde vervangen, daarbij ook gedragen is door een moreel beginsel van diepere strekking. Was het hem er om te doen zijn fysica aannemelijk te maken, en heeft hij daarom zoveel werk gemaakt van God en de ziel, of moeten wij hem ook zien in verband met de nieuwe apologetiek, tegenover de sceptische beweging in Frankrijk in de zeventiende eeuw? Wat is de werkelijke verhouding tussen zijn fysica en zijn metafysica? Is hij in de laatste ook enthousiast, zodat Spinoza zijn levensgevoel heeft voldragen of moeten wij beide streng scheiden?

Er zijn een aantal feiten en teksten uit het leven en de werken van Descartes aan te wijzen, die zeer verschillende interpretatie toelaten. De verhouding tot de jezuïeten, tot De Bérulle,15 de stichter van het Franse Oratorium, zijn onderwerping aan de kerk, zijn omgang met protestanten, met Rozenkruizers, zijn hem zelden verlatende voorzichtigheid. Deze dingen lenen zich tot zeer verschillende constructies. We gaan het veiligst als we ook hier afzien van eik romantiseren en hem naar voren laten komen, zoals hij zich in zijn publikaties geeft. Dat daaromheen een aantal raadselen blijven staan, bewijst niet het minst de grote betekenis van zijn figuur. Het is een massief, dat heel moeilijk in verhouding te brengen is met zijn omgeving.

"De negen jaren verliepen", zo zegt hij in 't derde deel van het Discours, "zonder dat ik nog enige partij gekozen had met betrekking tot de moeilijkheden, die gewoonlijk worden behandeld door de godgeleerden; noch ook begonnen had de fundamenten te zoeken van enige filosofie, die zekerder was dan die van het volk."i

Wanneer men de naam van Descartes noemt, wordt dat meestal gedaan in verband met het Je pense, donc je suis uit het Discours,j beter bekend als het Cogito ergo sum uit de Latijnse vertaling. Zijn filosofie heeft nog meer bijgedragen tot zijn roem dan zijn natuurwetenschappelijk werk. In verband met de compositie van het Discours en de Essais ligt daarin iets wonderlijks. Wij zijn niet gewend de beschouwingen van een theoloog in de voorrede voor een wis- en natuurkundig boek aan te treffen. Descartes verontschuldigt zich zelfs min of meer tegenover de lezers van die voorrede en zegt dat ze er misschien niet allemaal belang in zullen stellen.k

Nu komt die metafysica hier ook nog maar even om de hoek kijken. De schrijver heeft ze in zijn Meditationes breder uitgewerkt. Maar daar staat tegenover, dat hij er daarna weinig meer op terugkomt. Waar komt die beschouwing over God en de ziel in 1637 ineens vandaan? En spreekt het wel vanzelf dat ze komen moest? Staat ze in onlosmakelijk verband met zijn wiskunstige methode? Of hebben de tijdsomstandigheden en eigen ervaringen hem er toevalligerwijze toe gedrongen?

Alweer een van die vragen, waarop het antwoord niet gemakkelijk is! Alweer een van de mysterieuze kanten aan het leven en het werk van Descartes! "Bijna", schrijft Charles Adam in zijn biografie, "hadden wij het Discours niet gehad."l En dat geldt voor sommigen van de hele metafysica van de wijsgeer.

zeker is, dat hij aan het eind van de negen jaren (1619-1628) over deze stof meer opzettelijk is gaan nadenken. Hij vertrok vrij onverwachts uit Parijs en was 8 oktober 1628 te Dordrecht bij Beeckman. De zestiende april van het volgende jaar liet hij zich inschrijven als student te Franeker. Op de Provinciale Bibliotheek te Leeuwarden leest men in het album zijn handtekening:Renatus des Cartes, Gallus, philosophus.16 Hier heeft hij zich enige maanden beziggehouden met het ontwerpen van een klein traktaat, dat de zekerheid omtrent God en de ziel behandelde.m

Nu bestaat er volgens het Discours wel enig verband tussen de negen jaren en het traktaat over God en de ziel. Wij lezen daar dat hij die tijd gebruikte om zich in het twijfelen te oefenen.n Hij was weliswaar geen scepticus en twijfelde niet òm te twijfelen. Hij zocht grond. Daarom bleef hij zich oefenen in z'n methode, soms meer speciaal in de wiskunde, soms ook in vragen die leken op die van de wiskunde. En dan volgt tenslotte dat hij nog geen partij gekozen had in de vragen der theologie.o De vraag blijft nu wat hem er toe drong om dat in 1628 in ons land te gaan doen.

Daarbij moeten wij beginnen er op te wijzen, dat in een Système du monde, zoals Descartes er op den duur een wilde geven, de natuurkunde met de bijbelse gegevens in aanraking moest komen. Deze waren in het kerkelijk leergebouw met de natuurleer van Aristoteles in overeenstemming gebracht. Wie aan natuurkunde deed moest er rekening mee houden, of deze aanvaard zou kunnen worden door de kerkeli ke autoriteiten. Descartes was ook niet de enige die zich tegen Aristoteles verzette. Wij hebben reeds gezien dat sommigen zich op andere autoriteiten uit de Oudheid beriepen. Dit gaf aanleiding tot een levendige strijd, waaraan het Parijse Parlement in 1624 een einde trachtte te maken door het schrijven tegen Aristoteles te verbieden.

Daarnaast trekt een zeer verbreid scepticisme de aandacht. Het aantal vrijdenkers te Parijs wordt door sommige schrijvers uit die tijd heel hoog aangegeven. De twijfel is een echt Frans motief. Men denke aan de rol die hij speelt bij Montaigne, Pascal en Descartes, alle drie, in welke verschillende zin dan ook.17

Zo laat de voorstelling van het Discours zich in 't algemeen toch wel horen. Naarmate hij tot resultaten kwam in de natuurleer, moest de vraag naar een aanvaardbare grondslag zich gaan opdringen. Zou zijil methode ook in staat zijn gereed te komen met de radicale twijfel in de Franse geest? Dan was dat tevens tegenover de Kerk de beste aanbeveling voor zijn natuurkundig systeem en men zou misschien bereid zijn de waarborgen van Aristoteles voor de zijne uit te ruilen. Want voor Descartes ging het om niets minder dan om de grote aanloop tegen deze oude meester, die zovelen was mislukt, tot een goed einde te brengen.

Bovendien, Descartes is enthousiast. En zijn methode is universeel. De resultaten van zijn natuurwetenschappelijk onderzoek waren hem niet genoeg. Hij liet die studie in sommige perioden van zijn leven tijdelijk liggen. Hij wil een compleet wereldsysteem geven. Dat het hem niet zou gelukken met het mathematisch instrument van zijn tweede twaalftal regels alles tot uitgebreidheid terug te brengen en te meten, dat moet hem bij zijn oefeningen met de methode hoe langer hoe duidelijker geworden zijn. Reeds in zijn natuurkunde moest hij een ruim gebruik maken van de analogie, waarvoor de regels 25-36, die hij niet heeft opgetekend, hadden moeten dienen. Wij hebben hem zelf horen zeggen in het Discours, dat hij zich in de negen jaren ook had beziggehouden met vragen die leken op die van de wiskunde en waarbij hij dan verder verwijst naar zijn Essais. Hij voelde zich, volgens brieven omstreeks 1629, soms uitgestudeerd in de exacte vakken.p Zijn aspiraties gaan verder, naar de medicijnen, de psychologie, de ethiek. En daardoor naar de laatste vragen, waarvoor ook de analogie niet meer kan dienen en die ons brengen op het gebied van de zuivere denking, die tegen over de uitgebreidheid staat, zodat er een absolute scheiding van lichaam en ziel in 't gezicht komt.

Maar dit is nog niet alles. Ook de methode zelf, afgezien van de stof waa tmee ze zich bezighield, was, met haar eis van absolute helderheid, een methode van de twijfel. Op elk punt ging het er haar om, de twijfel te overwinnen door haar radicaal te maken. Zij betekende wantrouwen tegen woorden, geheugen, tijd, afstand, in één woord tegen alles wat ons verhindert vlak bij de dingen te zijn. En verder wilde zij, zoals wij ons herinneren, universeel zijn. Althans ééns in het leven moest de revue, de opsomming van het geheel, gemaakt worden en de absolute eis van klaarheid en waarheid aan dat geheel worden gesteld. Het derde hoofdstuk van het Discours is in zijn geheel een beschrijving van de uitvoering van die eis in de negen jaren 1619-1628. Zo moest dan tenslotte ook gevraagd worden wat de grond was van de zekerheid van al die dingen bijeen, van de wiskunde ook, die tot nog toe de garantie had moeten leveren. Ook naar het recht van haar intuïties moest een onderzoek worden ingesteld.

Zo komen wij langs verschillende wegen telkens tot de conclusie, dat er wel verband is aan te wijzen tussen de methode van 1619 en de overpeinzingen over God en de ziel, die hij in 1629 te Franeker voor zichzelf opstelde.

Daarmee is weliswaar niet alles gezegd. Men kan moeilijk de ogen sluiten voor de buitengewone voorzichtigheid, waarmee Descartes in deze materie is opgetreden. Men heeft een heel hoofdstuk geschreven over 'De grote vrees van Descartes';q men zou er een boek over kunnen schrijven. De veroordelingen van Vanini in 1619 en van Galilei in 163318 zijn de nachtmerries van zijn leven geweest. Hij heeft op allerlei wijze de kerkelijke en scholastieke meningen van zijn dagen trachten te ontzien. Hij heeft misschien de jezuïeten tegen de Sorbonne proberen mee te krijgen, wat hem evenmin gelukt is als aan Pascal, toen deze de Sorbonne tegen de jezuïeten trachtte uit te spelen. Op grond daarvan heeft men soms zijn hele metafysische overpeinzingen op rekening van voorzichtig overleg willen stellen.r

Dit kan niet juist zijn. Het Je pense, donc je suis past te goed bij zijn methode; het was te nodig voor zijn bedoeling om Aristoteles te vervangen; het is te goed verklaarbaar uit de eigenaardigheid van de Franse geest en het is tenslotte een te noodzakelijk doorgangspunt in de geschiedenis van de filosofie, dan dat men het een zo toevallige geboorte zou mogen toeschrijven. Bovendien mogen wij bij de beoordeling van deze vraag niet over het hoofd zien dat er, voor de verhouding van fysica en metafysica, groot verschil is tussen de zeventiende en de twintigste eeuw. Wat ons nu onverklaarbaar voorkomt was het toen niet altijd.

Daarbij komt nog dat in Frankrijk, juist in deze tijd, een krachtige apologetische beweging gaande was. Men kwam van verschillende kanten de officiële theologie te hulp, in haar strijd tegen een opdringend scepticisme en heidens mysticisme. De befaamde pater Garasse,19 Pierre de Bérulle, de stichter van het Franse Oratorium en Mersenne,20 de veel-wetende en veelschrijvende monnik en vriend van Descartes deden daaraan mee. Nu zou het dwaasheid zijn Descartes in deze rij van polemiserende priesters en monniken te plaatsen. Maar nauw contact met Mersenne heeft hij na zijn Parijse tijd altijd gehad en met De Bérulle heeft hij volgens Baillet, op 't laatst van zijn verblijf in Frankrijk, ernstige besprekingen gehad. Een onderhoud dat beroemd is geworden en herinnert aan een gesprek van Pascal met Arnauld, dat aanleiding gaf tot het schrijven van diens Brieven. Dat van Descartes en De Bérulle gaf waarschijnlijk aanleiding tot zijn vertrek uit Frankrijk en zijn blijvende vestiging in ons land. Maar allereerst tot zijn besluit om de overpeinzingen over God en de ziel op te schrijven.s

De apologetiek waarvan hier sprake is, gebruikte argumenten die minder schools waren dan die van de universiteit. Men trachtte - en dat wilden de jezuïeten ook - de twijfelaars op hun eigen grond te verslaan. Pascal heeft dat later in zijn Pensées op morele gronden willen doen. In deze kringen paste men zich meer aan bij de natuurlijke rede. Vooral De Bérulle is daarbij opmerkzaam geworden op de wijze van betogen van Descartes en heeft hem aangespoord in die richting iets te schrijven.

Zo zien wij dat hij en de theologen elkaar vinden. De gezichtspunten en verlangens kunnen niet dezelfde zijn geweest, maar aanraking was er wel.

Wij moeten nu aan de hand van het Discours heel in 't kort de metafysische redeneringen van Descartes trachten weer te geven. Hij meende dat hij ééns alles in twijfel moest stellen, om te zien of er dan nog vaste grond overbleef. Omdat onze zinnen ons soms bedriegen, wil hij eens aannemen dat onze redeneringen het ook doen, zelfs de wiskunstige. Hij wil denken dat het leven wel een droom zou kunnen wezen. Maar als hij dan aan alles twijfelt, moet hij, om te kunnen twijfelen, toch bestaan en tegen die waarheid zou de meest verwoede scepticus niets kunnen inbrengen. Uit het feit dat hij aan alles twijfelen kan en toch bestaan en dat hij, omgekeerd, alles voor waar kan houden en toch dromen, leidt hij dan verder af, dat lichaam en ziel verschillende wezenheden zijn. De ziel is enkel denken. ⚑Uit dit Je pense, donc je suis leidt hij eindelijk het kenmerk van de waarheid af: de volkomen klaarheid èn de onderscheidenheid.t

Maar de twijfel leerde hem nog meer. Kennen was toch beter dan twijfelen. Maar wie bracht hem op de idee, dat dit beter is? Wie gaf hem de gedachte aan een Wezen, volmaakter dan hij zelf? Dat moest dat volmaakte Wezen zelf gedaan hebben, want hij zou 't zelf niet kunnen. Van dat Wezen moest hij dus afhangen. In dat Wezen moesten alle volmaaktheden die hij niet had. God kon ook niet samengesteld zijn uit lichaam en zijn ziel, zoals hij; maar beide moesten van Hem afhangen. En het bestaan moest bij Hem zo zeker als een van zijn eigenschappen gedacht worden, als de aanwezigheid van de drie hoeken bij een driehoek. Men moest de bewijzen voor het bestaan, de waarheid, niet uit de zinnelijke wereld halen. Want ons beeldend vermogen vertroebelde de waarheid. De waarheid lag in God en Hij was borg voor ieder volkomen helder en goed omschreven begrip. Ook al had men het in de droom, dan bleef God toch borg.u

Men moet deze reeks stellingen niet precies beproeven op haar logische bewijskracht. Dan valt er heel wat op af te dingen. Men moet ze waarderen als een intuïtie. Wij hebben bij de bespreking van de methode van Descartes gelegenheid gehad om op te merken, dat daarin de menselijke kennisvoorwaarden, die samenhangen met het feit dat hij een geschapen wezen is, worden weggewerkt. Al het betrekkelijke wordt teruggebracht tot het absolute, het samengestelde tot het eenvoudige. Elk begin van denken moet helder zijn, elke beweging der gedachte moet te volgen zijn en tenslotte moet de som van alles wat er te kennen is door de opsomming weer geheel tot één eenvoudig inzicht teruggebracht worden.

Deze eis van wetenschap is bovenmenselijk; zij verbergt mystische vooronderstellingen. De eerste is, dat de ziel het lichaam kan laten liggen en de laatste dat ze, als alle eigen middelen, de intuïtie, de deductie, de enumeratie, de samenvatting, de analogie zijn uitgeput en zij zichzelf te boven gaat, in aanraking komt met een wezen dat haar taak overneemt en verklaart tegelijk.

Deze vooronderstellingen zijn in het Cogito vervuld. De ziel is daar een eenvoudig wezen, van het lichaam duidelijk onderscheiden. Zij kent zichzelf en deze wetenschap is de maat voor al haar verdere kennis. Maar als ze zo in zichzelf terugkeert, wordt haar eigen wezen haar tegelijk als twijfelen openbaar. Zij ontzinkt aan zichzelf en wordt gewaar, dat haar licht aan hoger glans is ontleend en dat alle kennis de afstraling daarvan is.

Ik heb gezinspeeld op een Augustinus-réveil en hoe Descartes in heel wijde zin daarmee in verband gebracht kan worden. De vraag of hij het Cogito aan de kerkvader ontleend heeft, moeten we hier laten rusten. Daarover is weer veel gedebateerd, al driehonderd jaar lang; zolang het Discours gelezen is. Descartes zelf en Pascal hebben er hun mening over gezegd.21 Maar dat het Je pense, donc je suis er mee te maken heeft is wel zeker. Ook wanneer de kerkvader niet op een drie à viertal plaatsen een soortgelijke redenering had gehouden, dan zou dit toch het geval zijn.

Het intuïtionisme, zoals dat in de methode en in de metafysica van Descartes uitkomt, stamt, samen met de universele wiskunde, uit de denkwereld van Plato, waarin ook Augustinus zich bewoog. De filosofie van God en de ziel vormt daarin met de klaarheid van het wiskunstig denken één kennisladder. En de inkeer tot ons zelf is daar een terugkeer tot God. De klaarheid van het denken, dat elke omlijning van de vorm achter zich laat, raakt tenslotte aan God en ziet een groot licht. Augustinus drukt dat in bijbelse woorden uit, als hij het vergelijkt met de jongste zoon uit het Evangelie, die tot zichzelve komt en zo tot de vader terugkeert.v Bij de volmaakte kennis blijven het woord en de herinnering achter en de laatste analogie is die van het licht, de klaarheid.

Tussen de toonhoogte van de metafysische bespiegelingen van een Plato, Plotinus, Augustinus en die van Descartes is groot verschil. En het is misschien nog meer op zijn plaats daarop de nadruk te leggen dan op de overeenkomst. Toch is het nodig eerst op de overeenkomst te wijzen. Men mag Descartes niet zonder meer als een voorloper van Kant aanzien. Zijn realisme en enthousiasme verbinden hem met het platonisme.

Maar als we daarop de aandacht hebben gevestigd, is het hoog tijd er op te wijzen, dat de kennisladder, waarover ik sprak, door Descartes in omgekeerde richting wordt beklommen als door de oude platonisten. Bij hen was de wiskunde - zoals voor Augustinus - een vooroefening voor de kennis van God en de ziel. Bij Descartes moet de laatste een grondslag leveren voor de moderne natuurwetenschap. Bij de Ouden en in de Scholastiek komt eerst de fysica en dan de metafysica, die naar die plaats haar naam draagt. Bij Descartes komt eerst de metafysica en dan de fysica. De eerste wordt een kennistheorie, om de laatste een grondslag te geven. Het enthousiasme in het laatste hoofdstuk van het Discours geldt niet God, maar de natuurwetenschap.

Ik moet nog iets zeggen over de beide laatste hoofdstukken van het Discours, de natuurwetenschap en het uitzicht op de toekomst. Ik vat ze maar samen omdat ik mijn beschouwing daarmee wens af te sluiten. Zij zullen mij vooral dienen om de chronologie van het leven van Descartes op te halen tot het jaar 1637.

Descartes heeft, na de opstelling van zijn traktaat over God en de ziel, het plan gekoesterd een Beschrijving van de wereld op te stellen, een Monde of Système du monde. Zijn metafysica moest daarvoor grondslag en aanbeveling zijn. Een beetje minder raillerend dan Pascal in een van zijn Brieven en toch waarschijnlijk minder in ernst, verklaart hij helemaal theoloog geworden te zijn 'en pen de temps'.w Z'n Wereld heeft hij nooit uitgegeven, om redenen die hij in het Discours slechts aanduidt en die bestonden in de veroordeling van Galilei in 1633. Hij vertelt nu alleen wat het boek zou hebben bevat en geeft brokstukken in zijn Essais. Hij neemt de voorzorg om te verklaren dat hij alleen over een nieuwe wereld spreekt in een imaginaire ruimte.x

Dit is een voorzichtigheid. Hij wenst zijn fysica een kans te geven. Maar het is meer. Het is ook een profetie van een modern wereldbeeld, dat niet zonder de deductie van Descartes tot stand zou kunnen komen, ook al is er veel meer inductie nodig geweest dan hij het zich gedacht had.

En dan volgt in het laatste hoofdstuk die aangrijpende, enthousiaste oproep tot zijn publiek om hem te helpen.

Maar met een magistrale hoogheid en tegelijk beminnelijke menselijkheid houdt hij dat publiek ook op een afstand. Ze moeten niet te dicht op hem komen staan; zijn methode kan hij hen toch niet zo precies leren. Ieder moet nu zelf maar zoeken. 't Beste wat ze voor hem kunnen doen is, hem wat geld en vooral rust verschaffen om verder te kunnen zoeken. Of neen geld ook maar niet, dat geeft verplichtingen. Maar rust en vrijheid, die hij in dit land gezocht heeft. Hij heeft Frans geschreven, zodat ieder nu lezen kan hoe hij zoekt. In de grot van de scholastieken, om daar met blinden te vechten, wil hij niet weer. Aristoteles zal overigens wel beter geweten hebben dan zij zeggen. Men moet van hem ook alleen geloven, wat hij zelf zegt. Considerabel in de wereld zal hij wel nooit worden en hij begeert dat ook niet. 't Dankbaarst is hij degenen, die hem helpen om met rust gelaten te worden en te kunnen werken met zijn methode.

Voetnoten

  1. a

    Ch.Adam en P.Tannery, Oeuvres de Descartes, 12 dln.,Parijs1897-1910(A.-T.),dl.12, p. 185.↩

  2. b

    Zie de brief van 30 maart 1628 waarin Balzac Descartes herinnert aan zijn belofte een 'histoire de son esprit' te zullen geven. A. - T., dl. 1, p. 570. Vgl. ook A. -T., d. 12, p. 226.↩

  3. c

    Zie het slot van dit artikel, p. 341.↩

  4. d

    A. -T., dl. 12, p. VIII v.↩

  5. e

    Zie a. w., p. X v.↩

  6. f

    A. w., p. 1.↩

  7. g

    G. Cohen, Ecrivains FranCais en Hollande dans la première moitié du XVIIE siècle, Parijs 1920, boek 3 (p. 355-685).↩

  8. h

    *Ik ga gemaskerd. * A.-T., dl. 10, p. 213. Descartes schreef dit in januari 1619. Aan wie is onbekend.↩

  9. i

    Discours, 2e partie. A. -T., dl. 6, p. 17.↩

  10. j

    Cit. naar A. - T., dl. 12, p. 7. S. Ropartz, La familie Descartes en Bretagne, Rennes 1877, p 100.↩

  11. k

    De anekdote (uit 1628) wordt verteld door Baillet (La vie de monsieur Des-Cartes, Parijs 1691, dl. 1, p. 152 vv.) en is aangehaald inA. -T., di. 12, p. 73 v., noot a. Ook in M. Leroy, Descartes, le philosophe au masque, 2 dln., Parijs 1929, dl. 1, p. 150 v.↩

  12. l

    Divcours, te partie. A.-T., dl. 6, p. 5 v.↩

  13. m

    Vgl. a. w., p. 7 vv.↩

  14. n

    Zie bijv. de brief van Descartes aan zijn leermeester pater Noël (14 juni 1637). A. -T., dl. 1, p. 383 v. Vgl. ook de brief aan de rector van La Flèche, pater Chariet (9 feb. 1645). A.T., di. 4, p. 156 vv.↩

  15. o

    Regulae ad directionem ingenii (1628). Regula 3. A. -T., di. 10, p. 367: geen 'histories' maar 'scientias'.↩

  16. p

    Discours, 2e partie. A.-T., dl. 6, p. 11.↩

  17. q

    A. -T., dl. 12, p. 47,↩

  18. r

    Discours, l e partie. A.-T, dl. 6, p. 10.↩

  19. s

    Zie voor de 'legende' C. Serrurier, Descartes, leer en leven, 's-Gravenhage 1930, p. 5 v. Een uitvoerige weergave geeft M. Leroy, a.w., dl. 1, p. 61 v.↩

  20. t

    A.-T.,dl.10,p.157v.↩

  21. u

    Cohen, a. w., p. 389 v.↩

  22. v

    A.-T., dl. 10, p. 165.↩

  23. w

    Zie bijv. A. -T., dl. 12, p. 48 v.↩

  24. x

    Discours, 2e partie. A.-T., dl. 6, p. 18 v.↩

  25. y

    Olympica. A.-T., dl. 10, p. 179. De oorspronkelijke tekst van de Olympica is verloren gegaan. De fragmenten in A.-T., dl. 10 (p. 179-188) steunen op mededelingen van Baillet. Zie ook A. -T., dl. 12, p. 49 vv.↩

  26. z

    De duiding van de 'Träume von oben' door Freud in M. Leroy, a. w., p. 89 v. De Brief an Maxim Leroy über einen Traum des Cartesius werd opgenomen in S. Freud, Gesammelte Werke, dl. 14, Londen 1948, p. 558-560.↩

  27. a

    Leroy, a. w., p. 91.↩

  28. b

    Zo volgens mededeling van Ch. Adam, A.-T.,dl.12,p.225.↩

  29. c

    Regula 6. A.-T.,dl.10,p.381-387.P.381: ... praecipuum tamen continet artis secretum.↩

  30. d

    'Zie voor deze en de beide volgende alinea's Regula 7 en 8. A. -T., dl. 10, p. 387-400.↩

  31. e

    Het voorbeeld van het anagram in Regula 8. A. -T., dl. 10, p. 392-400.↩

  32. f

    Discours, 3e partie. A. -T., dl. 6, p. 22 vv.↩

  33. g

    A. -T., dl. 12, p. 50.↩

  34. h

    A. w., p. 345.↩

  35. i

    Discours, 3e partie. A.-T., dl. 6, p. 30.↩

  36. j

    Discours, 4e partie. A. w., p. 32.↩

  37. k

    Discours, 4e partie. A. w., p. 31. Vgl. ook Discours, 1e partie. A. w., p. 4.↩

  38. l

    A.-T., dl. 12, p. 227.↩

  39. m

    Van dit traktaat gaf Descartes in 1641 een nadere uitwerking onder de titel Meditationes de prima philosophia, waarin hij poogde een bewijs te geven van het Godsbestaan en de onsterfelijkheid der ziel. In A.-T., dl. 7.↩

  40. n

    Discours, 3e partie. A. -T., dl. 6, p. 28 v.↩

  41. o

    , Zie p. 334, noot i.↩

  42. p

    Zie bijv. zijn brief aan Mersenne van 15april l630, A.-T.,dl.1, p.139,waarin hij schrijft dat hij 'las des mathématiques' is.↩

  43. q

    La grande peur de Descartes, in Leroy, a. w., dl. 1, p. 176-192.↩

  44. r

    Zo bijv. C. B. Spruyt, Geschiedenis der wijvbegeerte, naar de dictaten bewerkt door dr. Ph. Kohnstamm, Haarlem 1905, p. 375.↩

  45. s

    A.-T., dl.12, p.95vv. A.Baillet, La vie de monsieur Des-Cartes, 2 dln.,Parijs 1691,dl.1,p. 161-165. Het onderhoud van D. en De Bérulle had plaats in november 1628.↩

  46. t

    Zie voor deze en de vorige alinea Discours, 4e partie. A. -T., dl. 6, p. 32 v.↩

  47. u

    Discours, 4e partie. A. w., p. 33 vv.↩

  48. v

    *De civitate Dei X1,28.*MPL.41,342.CSEL.40 1,555.↩

  49. w

    Discours, 5e partie. A. -T., dl. 6, p. 41.↩

  50. x

    Discours, 5e partie. A. w., p. 42. Bewaard gebleven fragmenten van Descartes' Wereld zijn na zijn dood gepubliceerd in de vorm van twee afzonderlijke verhandelingen, resp. onder de titel Le Monde ou Traité de la Lumière en Traité de l'Homme. Zie A.-T., dl. 11.↩

Eindnoten

  1. 1

    N-publiceerde René Descartes in Stemmen des Tijds 26(1937) nr.7, p.22-50.Twintig jaar eerder schreef N. zijn René Descartes en zijn invloed op onze cultuur, dat opgenomen werd in VW., dl. 1, p. 255-284.↩

  2. 2

    Op de titelpagina van de oorspronkelijke editie staat na de hoofdtitel Discours de la methode: Pour bien conduire sa raison, ei chercher la vérité dans les sciences. Plus La dioptrique, Les météores ei La géométrie, qui sont des essais de cette méthode.

    Ter gelegenheid van de herdenking van dit werk in 1937 verscheen een Nederlandse vertaling (alleen de voorrede) van de hand van H. C. Pos met een inleiding van H. J. Pos (Amsterdam enz. 1937, 19502). In 1977 verscheen een nieuwe becommentarieerde vertaling van de voorrede met inleiding van Th. Verbeek (Amsterdam-Meppel). In binnen- en buitenland werden in 1937 congressen gehouden over Descartes en afleveringen van tijdschriften aan hem gewijd. Augustus 1937 sprak in Parijs een internationaal filosofencongres over de invloed van Descartes op het denken van de laatste drie eeuwen (zie Études cartésiennes, dl. 1-3 van de Actes du IXe Congrès international de Philosophie, Parijs 1937). In Nederland organiseerde o.a. de Societas Spinozana een herdenking, waarbij P. Sterkman een voordracht hield over De beteekenis van Descartes' wijsgeerige methode, gepubliceerd Assen z.j. Van de tijdschriften noemen we hier het Algemeen Nederlands Tijdschrift voor Wijsbegeerte en Psychologie 31 (1937) nr. 1 (Descartes-nummer), met bijdragen van o. a. L. Brunschvicg over La méthode cartésienne en C. Serrurier over Descartes'moraal en persoonlijkheid. Deze bijdragen waren als lezing gehouden op de Descartes-herdenking op 8 mei 1937 te Amsterdam.↩

  3. 3

    Zie voor Balzac VW., dl. 1, p. 284, noot 19.↩

  4. 4

    Adrien Baillet (1649-1706), Frans priester en schrijver. Zijn tweedelig werk over het leven van Descartes (Parijs 1691, herdruk Genève 1970) werd geheel opgenomen in A.-T. B.werd vooral bekend door zijn studies van heiligenlevens. Een groot deel van zijn Les vies des Saints (1695-1701) werd op de Index geplaatst vanwege zijn afwijzing van niet authentieke mirakelen.↩

  5. 5

    G. Cohen (1879-1958), Frans literatuurhistoricus, o.a. hoogleraar te Amsterdam (1912) en te Parijs (1931). C. werd vooral bekend door zijn studies van het middeleeuws Frans en het Latijns toneel.↩

  6. 6

    C. Serrurier (1879-1962), literatuurhistorica, o.a. van 1914 tot 1932 privaatdocente Franse letterkunde te Leiden. Van haar hand verschenen verschillende publikaties over Descartes en Pascal.↩

  7. 7

    E. Boutroux (1845-1921), Frans filosoof, vanaf 1876 hoogleraar te Nancy en Parijs. Tegenover het determinisme in de denkwijze van de naturalistische filosofie probeerde B. in zijn hoofdwerk De la contingence des lois de la nature (1874) de vrijheid van de mens recht te doen door het contingente karakter van de werkelijkheid te benadrukken.

    L.Liard (1846-1917), Frans filosoof, vanaf 1876 hoogleraar te Bordeaux, Caen en Parijs.

    L.vertegenwoordigde een idealistisch criticisme. In 1882 verscheen zijn Descartes, waarin hij de verbinding aantoonde van de filosofie van de vrijheid met die van Descartes.↩

  8. 8

    M. Leroy (1873-1957), Frans socioloog en essayist. Zijn hoofdwerk is Histoire des idées sociales en France (1941-1954). L. schreef ook enkele studies over Sainte-Beuve. In zijn biografie Descartes, le philosophe au masque (1929) tracht L. aan te tonen, dat D.'leefwijze (larvatus prodeo) er op wijst dat hij was aangesloten bij de zich ook steeds verbergende Rozenkruizers.↩

  9. 9

    Het Journal tenu par Isaac Beeckman de 1604 à 1634 werd door C. de Waard uitgegeven tussen 1939 en 1953 in 4 delen. Het behoort tot de bronnen van de uitgave van Adam en Tannery. Zie A. -T., dl. 10. Isaac Beeckman (1588-1637), medicus en wiskundige, vanaf 1627 rector van de Latijnse school te Dordrecht. Zijn ontmoeting met Descartes in 1618 leidde tot een vriendschap die, ondanks een tijdelijke verkoeling, tot zijn dood standhield. Blijkens het journal discussieerden B. en D. met name over natuurkundige problemen als de hydrostatica en de valbeweging en over muziektheoretische kwesties. In zijn denkbeelden over traagheid en luchtdruk was B. zijn tijd ver vooruit. Over B. verscheen in 1983 een dissertatie van K. van Berkel, getiteld Isaac Beeckman (1588-1637) en de mechanisering van het wereldbeeld. C. de Waard (1879-1963), wetenschapshistoricus, bezorgde eveneens de Correspondance du P. Marin Mersenne. Religieux minime (1932 vv.; onvoltooid), waarin de briefwisseling van Mersenne met belangrijke tijdgenoten.↩

  10. 10

    De kunst van Lullus of Ars Generalis is een universele techniek die pretendeert een synthese van alle wetenschappen te geven en de beheersen van deze techniek in staat te stellen om in alle situaties argumenten ter beschikking te hebben. Ze werd uitgedacht door de Spaanse filosoof, theoloog en dichter Raymundus Lullus (1235-1315).↩

  11. 11

    Rozenkruizers is de naam van de aanhangers van een geheime broederschap, die ± 1500 door Christiaan Rosenkreuz zou zijn gesticht. De leden van deze pansofische orde zouden beschikken over een geheime kennis die een voortdurende gezondheid en een langer leven mogelijk maakte. Gezien Descartes' interesse in medische studies is het niet ondenkbaar dat hij contacten had met Rozenkruizers. Zie ook A. - T., dl. 10, p. 176 v. Binnen de orde die zich over verschillende landen heeft verspreid, hebben zich de laatste eeuw afsplitsingen voorgedaan. Het merendeel belijdt een esoterisch christendom.↩

  12. 12

    Frans van Schooten (1615-1660) volgde in 1646 zijn vader op als hoogleraar wiskunde te Leiden. Waarschijnlijk via de Leidse wiskundige Golius kwam Van S. in aanraking met Descartes. Aan hem dankt D. de figuren voor de meeste van zijn werken alsook een Latijnse vertaling met commentaar van zijn Géométrie. In een brief van 1 maart 1638 aan Mersenne rekent D. Van S. tot de weinigen die zijn Géométrie volkomen begrepen. Zie A.-T., dl. 2, p. 30.↩

  13. 13

    Loreto: beroemd bedevaartsoord in de Italiaanse provincie Ancona. Volgens een overlevering die niet ouder is dan de tweede helft van de vijftiende eeuw, zou het huis van Maria te Nazareth door engelen tussen 1291 en 1295 overgebracht zijn naar Loreto. De zgn. Santa Casa is veelvuldig geïmiteerd, waardoor de cultus van Loreto in de hele katholieke wereld ingeburgerd raakte. Onzeker is of Descartes zijn belofte om een bedevaart te doen ook ten uitvoer heeft gebracht.↩

  14. 14

    Jacobus Revius (1586-1658), Nederlands theoloog, historicus en dichter, vanaf 1614 predikant te Deventer, vanaf 1641 regent van het Collegium theologicum te Leiden. Als overtuigd aanhanger van de calvinistische leer voerde hij aanvankelijk een scherpe polemiek tegen de remonstranten en later ook tegen de cartesianen. R. heeft o.a. naam gemaakt door zijn studie van de geschiedenis van Deventer.↩

  15. 15

    Pierre de Bérulle (1575-1629), Frans kardinaal, beijverde zich voor een spiritualiteit waarvan de kern wordt gevormd door de beleving van de menswording van Christus, verstaan als deel uitmakend van de triniteit. Deze opvatting bracht hem tot zijn inzet voor de hervorming van de priesterschap. Hij stichtte in 1611 het Franse Oratorium, een augustiniaans geïnspireerde congregatie van wereldgeestelijken zonder binding aan kloostergeloften. De Oratorianen wijdden zich aan de vorming van clerus en jeugd en bevorderden de ontwikkeling van theologie en filosofie. Beroemde Oratorianen waren o.a. Malebranche en Quesnel.↩

  16. 16

    Zie p. 319, noot 3.↩

  17. 17

    Zie in dit verband VW., dl. 2, p. 161~166.↩

  18. 18

    Zie voor Vanini VW., dl. 1, p. 282, noot 3. De veroordeling van Galilei in 1633 trok Descartes zich waarschijnlijk daarom zo aan omdat hij diens copernicaanse opvatting (dat de aarde rond de zon draait) deelde. In zijn brief aan Mersenne van november 1633 schrijft hij dat zijn hele systeem in elkaar zou storten als de opvatting van Galilei onjuist was. Zie A. -T., dl. 1, p. 271.↩

  19. 19

    Franz Garasse (1584-1631), Frans jezuïet. Als kanselredenaar en schrijver werd G. berucht vanwege zijn laatdunkende aanvallen op protestanten en op het in Frankrijk opkomende vrije denken.↩

  20. 20

    Marin Mersenne (1588-1648), Frans priester, wis- en natuurkundige en muziektheoreticus. Door zijn uitgebreide correspondentie met geleerden als Descartes, Galilei, Constantijn en Christiaan Huygens, Hobbes enz., heeft hij een grote betekenis gehad als coördinator van de Europese wetenschapsbeoefening. M. was een overtuigd voorstander van de mechanistische wereldbeschouwing, die hij trachtte te verzoenen met het christelijk geloof.↩

  21. 21

    Verschillende tijdgenoten van Descartes als bijv. Arnauld en Mersenne, hebben D. gewezen op de overeenkomst tussen zijn Cogito en de bewijsvoeringen van Augustinus. In een brief van november 1640 aan een onbekende adressant geeft D. dit toe, evenwel met de opmerking dat Augustinus z.i. veelmeer beoogde de zekerheid van ons zijn te bewijzen, terwijl bij het Cogito gebruikte om aan te tonen dat het denkende ik een onstoffelijke substantie is. Zie A. -T., dl. 3, p. 247 v. Over het algemeen is men in de literatuur over Descartes van mening dat de overeenkomst met de augustiniaanse bewijsvoering aan de oorspronkelijkheid van Descartes' systeem geen afbreuk doet. Zie hierover o.a. A. Koyre, Descartes und die Scholastik (1893), Bonn 1971, p. 59 vv.; C. Serrurier, Descartes, leer en leven, 's-Gravenhage 1930, p. 279 vv. Ook Pascal is deze mening toegedaan. Zie zijn fragment over De l'esprit géométrique, in B. Pascal, Pensées et opuscules, L. Brunschvicg ed., Parijs 1951, p. 192 v., waarin Pascal Descartes beschouwt als de eigenlijke vinder van het Cogito, ook al had hij Augustinus gelezen, vanwege de z.i. bewonderenswaardige reeks consequenties die D. uit het Cogito deduceert en waarmee hij zijn fysica ondersteunt.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← De metafysica van DescartesInhoudBlaise Pascal →