Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 4 · p. 199–202

Weergave

Voorheen en thans1⌫

Dr. Paul Scholten heeft in Christen en burger een studie geplaatst onder de titel Er staat geschreven, er is geschied. De ondertitel kan men ergens verderop, in de tekst verscholen vinden. Hij luidt: De betekenis van het bijbelwoord voor staat en maatschappij.a Zo zou men het stuk kunnen kenschetsen.

Minder eenvoudig zou men het ook een confrontatie van de dialectische theologie met het huidige staatsrecht kunnen noemen.

Een discussie, die Karl Barth een paar jaar geleden met vooraanstaande juristen hier te lande heeft gehad, vormt inderdaad ook de achtergrond van de probleemstelling, die de titel aangeeftb2 Maar de praktische strekking staat hier toch voorop en de meer-eenvoudige ondertitel is de meest juiste.c Wanneer men deze weloverwogen beschouwingen leest, wordt men er door getroffen, hoezeer de daarin behandelde vragen zich in de loop der jaren hebben toegespitst. Bolsjewisme en fascisme leggen ons het vuur wel nader aan de schenen dan het liberalisme dit ooit deed! De schoolstrijd staat tot wat wij thans beleven, ongeveer in een verhouding als de oorlog van 1870/71 tot de wereldoorlog. Hij komt ons, bij deze dingen vergeleken, bijna voor als een gemoedelijk conflict.

Met het oog daarop heb ik De Savornin Lohmans Gezag en vrijheid,3⌫ uit het jaar 1875, eens naast het opstel van prof. Scholten gelegd. Dáár gaat het ook reeds tegen de totale staat!d En ook daar worden tenslotte concrete vragen besproken. Gedeeltelijk zijn het dezelfde als die van Scholten.

In beide geschriften wordt de grens gezocht tussen het historisch gewordene, met het gezag dat daar achter staat, en datgene wat meer direct onder het oeslag van de bijbel ligt, het terrein van de bekering. En toch, welk een verschil tussen het werkje van 1875 en deze studie uit 1936. Men komt in feite in een andere wereld! Welk een onderscheid in de manier van denken en schrijven! Wat een verandering in de politieke en kerkelijke dampkring!

Men merkt dat uit alles.

Op enkele punten wil ik hier slechts wijzen. Bij Lohman is er weinig sprake van de bijbel. Daarmee is niet gezegd, dat hij niet aan de bijbel denkt! Men kan zijn studie een pleidooi ook voor de School-met-de-bijbel noemen. Maar als hij over staatsgezag schrijft, heeft hij het Boek der boeken niet zo nodig als mr. Scholten in 1936. Hij staat nog niet, zoals deze, zich te verweren met zijn rug tegen de kerk gedrukt.

Lohman kan ook nog wel een staatsbeschouwing opstellen, die het vrij aardig doet in het academische gezelschap van Opzoomer en Fruin.4 Hij weet een gezagstheorie op te stellen, waarover natuur en geschiedenis vriendelijk knikken.

Hij begint bijv. met aan te wijzen, dat het gezag in allerlei kring tot algemeen genoegen bestaat. De natuur der dingen brengt het immers zo mee, dat het er is en men huldigt het gaarne en geheel vrijwillige Moeilijker wordt het weliswaar in het groter verband van staat en maatschappij, omdat men zich daar helemaal niet onttrekken kan.f Daar is alles niet zo natuurlijk en doorzichtig! Wel kan men, apriori, met behulp van de analogie, de voorwaarden opstellen, waaraan een heilzaam gezag zou moeten voldoen.g Maar, om het naar waarheid te tekenen, heeft men de historie nodig. Deze stelt ons dan ook in staat om, wat Lohman (platoniserend) noemt, een goddelijke theorie op te stellen.h

De schrijver gebruikt daarvoor dan de geschiedenis van Engeland en hij komt tot voor hem zeer voldoende uitkomsten. De feiten, zoals de historieschrijvers die meedeelden, laten hem toe hier eenzelfde natuurlijkheid in de ontwikkeling der verhouding van gezag en vrijheid te ontdekken, als die, welke in kleiner kring ieder steeds tot tevredenheid stemt. De kracht der omstandigheden, de bestaande rechtstoestanden en de natuurlijke ontwikkeling doen daarbij samen hun ordelijk en ordenend werk. Zelfs de revolutie van 1689 levert Lohman geen moeilijkheden op. Een kleine afwijking van de gewone regel van erfopvolging, dat was alles.i

Lohman gaat hier wel méér dan twee mijlen mee met een zijner gidsen, nl. de aarts-liberale Macaulay.5 Over de spanningen in de geschiedenis: tussen staat en kerk, de wet en de bijbel, Jezus en de demonen, wordt hier wat licht heen gelopen. Bij Macaulay waren ze overigens wel beschreven. Bij het gewetensconflict der Engelse bisschoppen inzake het recht van weerstand, laat hij het zich niet ontgaan ons te vertellen, dat men in een revolutie sneller leeft dan anders, en dat sommige hunner in één nacht tot een ander staatsrechtelijk dogma bekeerd werden.j

Zulke kanten van de zaak worden nu juist in de studie van mr. Scholten wèl behandeld. Het is m.i. een meditatie over het gewetensconflict, meer dan een historische beschouwing.

Wel laat hij die laatste tot op zekere hoogte gelden. Maar het gebeuren is voor hem van andere betekenis dan voor Lohman.

Hij wijst dat aan tegenover Groen, met wie hij zich grondig bezighoudt. Hem vallen de dingen rauwer op het lijf, zoals in deze tijd ons allen! De historie is veel te dicht op onze hielen om ons gelegenheid te laten tot het zoeken van analogieën en het opstellen van goddelijke theorieën of ideeën!

Scholten wijst dat laatste dan ook af tegenover Groen. Voor hem staat de concrete situatie, de nood van het ogenblik voorop! Hij ziet de mogelijkheid, dat wij het eigenlijk historische aan de eis Gods in het heden, aan de Schrift zouden moeten offeren.k Dat het 'er is geschied' zou moeten wijken voor het 'er staat geschreven' is mogelijk. En die mogelijkheid grijpt heel diep.

Tekenend is, dat mr. Scholten zich voor het bijzondere van zijn opvatting niet op de hervormers durft te beroepen.l Deze zijn minder platoniserend dan Groen en Lohman, maar wij zijn het nog weer minder dan zij! Wij hebben een eigen zaak met God. Dat zegt Kraemer.6 Dat zegt Barth. En dat zegt Scholten ook. Onze tijd en onze situatie is niet als gisteren en eergisteren.

Maar in algemene zin is er wèl overeenstemming met de reformatoren, voor zover nl. de bijbel tegenover de 'geschiedenis' voorop komt te staan.

Scholten wil geen 'goddelijke theorie' uit de feiten der geschiedenis allezen, maar hij vraagt van de kerk, dat zij ons uit de Schrift een staatsrechtelijke 'dogmatiek' zal geven, een lering, die de gronden en beginselen blootlegt.m

Na al het voorafgaande zal men mij niet gemakkelijk misverstaan, als ik het zó uitdruk, zij het dan een beetje krasser dan de schrijver dat zelf doet. Er is mee bedoeld, dat God ons zal zeggen door de Schrift, en de Schrift door de kerk, en de kerk weer door onze bekering, hoe het met de staat moet. Het dogma brengt ons niet uit de nood des tijds, maar er in!

Wij kunnen tegenover die nood minder afstand nemen dan een 'platoniserend' voorgeslacht. Daarmee, met het inroepen van het dogma, houdt het wikken en wegen niet op. Het begint dan pas!

Scholten blijft 'antirevolutionair' met alle christelijk-historischen. Hij geeft toe, dat alle recht de voorrang van een gegeven toestand vooronderstelt, mèt de erkenning van het gezag, dat daarvan onafscheidelijk is. Dat is christelijk-historische regel.n Maar nu de historie ons op de hielen zit, beseffen wij levendiger dan een vroeger geslacht, dat de beslissing daarmee niet gegeven is. Die Moet God brengen, de Schrift, de kerk, de bekering.

Scholten vraagt van de kerk, dat zij ons allereerst een regel, een 'dogma' dáárvoor zal geven. Hij wijst er op, dat de antirevolutionairen Met hun filosofie der historie nooit tot een staatsrechtelijk stelsel zijn gekomen.o

Het moet meer direct uit de kerk, uit de bijbel, van God komen! Recht is een zaak van goed en kwaad en dat zijn bijbelse zaken.p En recht is ook een gave Gods, een evangelie tegenover de zonde. En als de kerk ons een regel, een 'leer' over deze dingen geeft, dan moet zij ons ook helpen bij het allermoeilijkste, bij de beslissing die geen regel ons brengen kan. De kerk moet iets zeggen, door hoorbaar spreken of door hoorbaar zwijgen, Over de noden des tijds.

Deze verschuivingen in de staatsrechtelijke beschouwingen zijn van fundamentele betekenis. Zij corresponderen met soortgelijke in de theologie. Beide lijken mij buitengewoon belangrijk.

Zou de 'christelijke' politiek er onder lijden, als zij wat moeilijker wordt?

Dat is een vraag, welke God in deze tijd doet opkomen.

Voetnoten

  1. a

    *P. Scholten, Er staat geschreven, er is geschied, in P. Schotten e.a., Christen en burger. Opstellen over de verhouding van christendom en staat, Zwolle 1937, p. 31. * De titel van S.s bijdrage is een zinspeling op een woord van Groen van Prinsterer in de voorrede van zijn Ongeloofen revolutie. Eene reeks van historische voorlezingen, Leiden 1847 en in het slot van zijn Maurice er Barnevelt. Etude historique, Utrecht enz. 1875.↩

  2. b

    *A. w., p. 30. *↩

  3. c

    *A.w., p. 39.*↩

  4. d

    A. F. de Savornin Lohman, Gezag en vrijheid, Utrecht 1875. In zijn voorwoord neemt Lohman stelling tegen een absolutistisch staatsgezag, dat de individuele vrijheid ontkent.↩

  5. e

    Vgl. a. w., p, 1 - 11, m. n. p. 6.↩

  6. f

    Vgl. a. w., p. 11-15.↩

  7. g

    A. w., p. 13 v.↩

  8. h

    A. w., p. 19.↩

  9. i

    A. w., p. 64. Lohman citeert hier de Nederlandse vertaling van Th. B. Macaulay, History of England (4 dln., 1848-1861), Geschiedenis van Engeland, 4 dln., Schiedam 1886-18883, dl. 2, p. 451.↩

  10. j

    Zie Macaulay, Geschiedenis van Engeland, dl. 2, p. 238 vv. (over het conflict dat ontstaat als de geestelijkheid gedwongen wordt een verklaring van Jacobus 11 van de kansel voor te lezen). Voorts dl. 3, p. 200-203: de geestelijkheid 'bekeert zich' op 1.8.1689 tot Willems regering. Vgl. ook VW., dl. 8, p. 472, noot 65b.↩

  11. k

    Vgl . Christen en burger, p. 6 vv.↩

  12. l

    A. w., p. 7,↩

  13. m

    Vgl. a. w., p. 37.↩

  14. n

    Vgl. a. w., p. 9 vv.↩

  15. o

    A. w., P. 35.↩

  16. p

    A. w., p. 36.↩

Eindnoten

  1. 1

    Onder de titel Voorheen en thans besprak N. in De Nederlander. Christelijk-historisch dagblad voor Nederland 44 (19.12.1936) nr. 13270, het opstel van P. Scholten, Er staat geschreven, er is geschied, opgenomen in P. Scholten e.a., Christen en burger. Opstellen over de verhouding van christendom en staat, Zwolle 1937, p. 1-53.

    Christen en burger werd geschreven met het oog op de oecumenische wereldconferentie te Oxford in 1937 welke gewijd was aan de thematiek van Kerk-Staat-Volk. In zekere zin was het een vervolg op een eerder onder auspiciën van 'Kerkopbouw' gepubliceerde bundel, getiteld De Kerk in de branding. Het conflict tusschen Kerk en Staat. Toegelicht naar aanleiding van actueele toestanden in verschillende landen (1935), waarin de vraag werd gesteld naar de grenzen van de autoriteit van de staat en gepleit werd voor een politiek engagement van de kerk. Scholten had hierin de situatie in Nederland voor wat betreft de verhouding Kerk-Staat behandeld (zie G. van Roon, Protestants Nederland en Duitsland 1933-1941, Utrecht 1973, p. 245 vv.).

    Bij zijn bespreking tekende N. aan: "Uit de voorrede van Christen en burger citeren wij nog een paar karakteristieke regels (curs. van ons):

    'Wij leven in bewogen tijden. Het is haast een banaliteit het te zeggen. Een ieder is er zó van doordrongen, dat hij zich liefst zo goed mogelijk wapent niet bewogen te worden. Het is niet dit wapentuig, dat wij met deze opstellen willen versterken. Integendeel, wij menen dat ons als christenen zulke wapens niet passen, dat wij ten volle in de beweging van deze tijd hebben te staan. Wij vragen ons af, of zij ons niet opnieuw stelt voor oude problemen, of zij ons niet oude oplossingen doet verwerpen, nieuwe zoeken. Ons gaan daarbij in het bijzonder de vragen van de verhouding van christendom en staatsleven ter harte. Over die vragen te spreken uit en in deze tijd, is ons doel ...'

    Onder degenen, wier medewerking ingeroepen werd, waren er die deze weigerden, omdat zij, huns inziens, niet gereed waren met wat zij op dit punt zouden hebben te zeggen. Daarvan zegt de voorrede - en ook dit is voor de in bovenstaand artikel aangeduide stand van zaken karakteristiek:

    'Wij zijn als zij overtuigd, dat wij voor het ogenblik niet meer kunnen aanbieden dan de aanwijzing van enkele gezichtspunten, enkele richtsnoeren, niet meer dan een kijk op de fundamentele vragen, die breder en dieper moet worden, niet meer dan voorlopige conclusies, die nader onderzocht en uitgewerkt moeten worden. Doch wij meenden ook, dat wij niet mochten zwijgen. Moge ons woord anderen tot spreken wekken'."

    P.Scholten (1875-1946), rechtsgeleerde, vanaf 1907 hoogleraar te Amsterdam. Zijn studies op het gebied van het privaatrecht behoren tot de belangrijkste uit de Nederlandse rechtsliteratuur. S. was nauw betrokken bij de reorganisatie van de Ned. Herv. Kerk door zijn lidmaatschap van 'Kerkopbouw' en leverde een belangrijke bijdrage aan de in 1951 ingevoerde nieuwe kerkorde. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij een der leidende figuren van het kerkelijk verzet. Kort voor zijn dood verliet hij de CHU en sloot hij zich aan bij de in februari 1946 geconstitueerde PvdA.↩

  2. 2

    Wanneer deze discussie met juristen (waaronder waarschijnlijk Schoften) plaatsvond is onbekend. Ze ontstond naar aanleiding van Barths colleges over het Apostolicum, voorjaar 1935 op uitnodiging van de Utrechter theologische faculteitsvereniging. De zeventig vragen die daar aan Barth werden voorgelegd, behandelde hij in tien opstellen die uitgegeven werden in K. Barth, Grundfragen, Nijkerk z.j. Op p. 31 van deze bundel verwerpt B. het beroep op het 'er staat geschreven, er is geschied' uit vrees voor vermenging van godsgeloof en geschiedsduiding.↩

  3. 3

    Zie voor De Savornin Lohman VW., di. 1, p. 387, noot 8. L. poogde in Gezag en vrijheid een verbreding te geven van het antirevolutionair staatsgezag met de bedoeling ook een beginsel te formuleren voor hen die bezwaar hadden tegen het christelijk geloof.↩

  4. 4

    overigens keerde Lohman zich in Gezag en vrijheid juist tegen Opzoomer, die de bevordering van het ware volksbelang het grote beginsel voor de staat had genoemd. Daartegel'Over stelde L. dat staatsgezag niet berustte op de volkswil maar op roeping van Godswege. C. W. Opzoomer (1821-1892), filosoof en jurist, vanaf 1846 hoogleraar te Utrecht, vertegenwoordigde een ervaringswijsbegeerte die haar wortels m.n. had in het empirisme van J. S. Mill. R. J. Fruin (1823-1899), liberaal historicus, vanaf 1860 hoogleraar te Leiden. Zijn bekendheid dankte F. vooral aan zijn Tien jaren uit den tachtigjarigen oorlog, 1588-1598 (1857). F. leerde een gedeeltelijke volkssoevereiniteit, in mate afhankelijk van de macht van de gekozen afgevaardigden.↩

  5. 5

    Zie voor Th. B. Macaulay VW., dl. 3, p. 417, noot 2.↩

  6. 6

    Misschien doelt N. hier op een artikel van K. uit een serie van drie welke K. schreef in de zomer van 1936 in AWCC. onder de titel Overpeinzingen van een verlofganger. In het tweede artikel (A WCC. 12 (1935/36) nr. 38, p. 353) wijst hij op het gevaar in christelijke kringen om ten overstaan van de grote economische en politieke problemen van de jaren dertig zich bij de worsteling om een christelijke ethiek te nadrukkelijk te beroepen op de historie, bijv. op het werk van Groen. Z.i. leidt dat tot een berustend standpunt waaruit de profetische kracht van het christendom is weggevloeid.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Gemeenschap - Gezag - GeloofInhoudReformatie of Humanisme? →