Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 4 · p. 455–459

Weergave

Het begrip 'angst' bij Kierkegaard1

Het begrip angst is bij Kierkegaard een wijsgerige benaming. Het heeft een andere betekenis dan in het gewone spraakgebruik. Het is een vakterm uit zijn psychologie. Daarom moet men bij het lezen van dit woord niet dadelijk aan vrees denken.a Daarvan is het hier geen synoniem. Wat het dan wel is, moeten wij op het spoor zien te komen in het verband van de samenhangen, waarin het bij hem voorkomt.

Kierkegaard was een bizarre figuur. In zijn uiterlijk optreden had hij in vele opzichten overeenkomst met Socrates, die hij zeer vereerde. Deze laatste wist zich zo in de weg van zijn tijdgenoten te plaatsen, dat zij hem niet voorbij konden lopen. En anderzijds stond hij soms op straat zo diep in gedachten verzonken, dat ieder hem voorbijliep zonder dat hij het merkte. Zo ook Kierkegaard, al is het dan op een heel andere manier. Hij kan vergeleken worden met die hondjes in een eendenkooi, die door hun plotseling verschijnen en verdwijnen op de kronkelpaadjes en tussen de schotjes die naar de fuik leiden, de vogels in hun nieuwsgierigheid brengen waar zij ze hebben willen.

Kierkegaards geschriften kan, of liever, moet men in twee rubrieken verdelen. Die waarin hij vrij-uit, onder zijn eigen naam schrijft èn zijn pseudonieme werken, waarin hij in gelijkenissen spreekt. Evenals in iedere elijkenis is het niet geheel zeker, welke trekken geschikt en bestemd zijn, om later ook 'vrij-uit' in een preek tot uitdrukking te worden gebracht en welke het zijn die spelenderwijze moeten dienen om de aandacht van de lezer in een bepaalde richting te leiden, waar zij dan onder schot van de preek komt zoals bij bovengenoemde hondjes.

Tot deze pseudonieme werken behoort nu ook zijn boek over het begrip angst. Het is niet een van de meer bizarre, in de boven omschreven zin. Het geeft een soort systeem van psychologische staten in de toestand van wat hier met de vakterm 'angst' betiteld wordt. Maar het is wel een der moeilijkste werken van de schrijver; misschien het moeilijkste. Dwz. het is moeilijk in bepaalde gevallen, niet altijd en niet voor iedereen. De toegankelijkheid van dit boek hangt af van de mate van iemands oorspronkelijkheid. Deze eigenschap betekent bij Kierkegaard het vermogen en de drang om bij het denken en het doen van voren af te beginnen, zonder zich te laten bepalen door wat er in de geschiedenis of in het eigen leven bijgekomen is. Kierkegaard vindt daarin het wezen van het genie, dat het altijd van Adam af weer begint.b

Van deze zijde gezien kan men inderdaad ieder genie een kind noemen. Men kan het genie ook van een andere kant bekijken, voor zover het kosmisch en objectiverend is, zoals dat bij Goethe zo sterk uitkomt. Maar de oorspronkelijkheid is niet minder wezenlijk. Ieder kind is geniaal, maar bij de meeste kinderen neemt de school deze genialiteit weg. Een enkele maal echter treedt ook daar, wat Newman2 noemt, een 'real assent',c een herkenning van een zaak, op en wordt de meester uitgeschakeld. De leerling begint voor zichzelf. De mate van genialiteit hangt af van het blijven van het kind in de man of in de vrouw.

In dit verband moet men zien een denkwijze, die men existentialisme noemt en die heden ten dage nogal in de mode is. Met dat'mode'bedoel ik, dat deze wi ze van bezinning niet in ieders handen helemaal op zijn plaats is. Kierkegaard is hierin een grootmeester en hij kent de grenzen van het gebruik en het verschil van toepassing in de psychologie, de ethiek en de dogmatiek. Wij hebben hier te doen met het eerste terrein, de zielkunde.

De eerste bewustwording van ons bestaan is een zekere duizeling voor de mogelijkheden daarvan, die bij de meesten blijkbaar verloren gaat, ofschoon wel niemand haar geheel kwijt zal raken. Men moet deze duizeling of angst niet te zeer te boven gekomen zijn, om de diepe psychologie van Kierkegaard te kunnen verstaan of liever te beseffen. Hij heeft in zijn jeugd een uitzonderlijke oefening genoten in het naar binnen gekeerde denken. Zijn vader en de Jutlandse heide zijn daarbij zijn leermeesters geweest.3 Met de esthetische zijde van zijn wezen is het genie van Kierkegaard in staat geweest in dit denken altijd weer van voren af te beginnen en dat heeft het hem mogelijk gemaakt de gangen en wendingen, die deze angst of duizeling in de latere perioden van het mensenleven blijft volgen en voltrekken, na te speuren en te beschrijven. Omtrent iedere soort van deze angst en elke fase van deze duizeling weet hij bescheid en daardoor is hij ook een experimenteel psycholoog van de eerste orde. Hij behoeft zijn materiaal niet uit handboeken of dichters bijeen te zoeken, of in de leer te gaan bij Shakespeare, Byron of Shelley, maar heeft genoeg, zoals hij zelf zegt, aan vijf mannen, vijf vrouwen en tien kinderen, om alles te weten te komen.d Men kan hem als psycholoog vergelijken met Augustinus. Alleen ligt het terrein van zijn onderzoek dieper in de ziel dan de memorie, waarover de kerkvader zo goed bescheid weet. Het zijn de meer verborgen schachten van de platonische herinnering, waarin hij afdaalt.

Ik merkte reeds op, dat de angst bij Kierkegaard geen synoniem is van vrees. Het is geen angst voor iets, maar voor een niets. Voor een mogelijkheid. Dat komt wel heel sterk uit als Kierkegaard ontkent, dat dieren angst kunnen hebben.e Het is ook niet de angst der heidenen, geen animisme, geen primitieve angst. Zij ligt verder terug. Het is angst voor de geest, die zich als een gestalte, een lokkende mogelijkheid openbaart, maar verdwenen is als men er naar grijpt.f De grondvorm van de angst komt voor in de staat der onschuld, als natuur en ziel in vrede samenwonen en de geest als een hachelijke mogelijkheid in de nabijheid komt.g Het dier is niet op de geest aangelegd en daarom kent het deze angst niet; de mens echter wel. Deze ziet voor zich de mogelijkheid van de kennisse des goeds en des kwaads, de scheiding, het oordeel, de zonde, de schuld.

In deze toestand ziet men deze dingen echter niet als zodanig voor zich, niet als zonde, niet als schuld, niet als een bepaald iets. Zonde is geen psychologisch begrip en schuld ook niet. Zodra er sprake is van zonde of schuld hebben wij het terrein van het esthetische, van de psychologie verlaten en zijn wij in de preek aangeland, de andere zijde van Kierkegaards werken.h Tussen beide is geen overgang. Er is een onverklaarbare sprong, waarna men zich uit de toestand van angst ziet overgebracht onder het oordeel der wet en schuldig is geworden. Men verkeert dan als geest onder de prediking. De onschuld is verloren en men moet door het geloof worden gered.

Het zou kunnen schijnen, dat Kierkegaard de zonde als een noodzakelijk doorgangspunt ziet voor de mens om tot volmaking te komen. Dat is echter niet het geval. Juist niet. De overgang uit de onschuld naar de zonde, uit de angst tot de geest, laat hij onverklaard. Hij spreekt daarover niet vrij-uit, maar in gelijkenissen.

Het is er hem om te doen zulke gemakkelijke verklaringen en glijdende overgangen uit ons denken weg te doen.i Men moet, om Kierkegaard te verstaan, ook denken aan de tijd waarin hij leefde, de eerste helft der vorie eeuw. Hij had in Denemarken te doen met de theoloog Martensen en met de prediker-bisschop Mynster.4 en daarachter staat Hegel. Deze theologie is hem te glad, te glijdend met haar overgangen van de these door de antithese naar de synthese. Dit denken en prediken is hem te esthetisch en rekent niet genoeg met de diepere spanningen in ons bestaan; onze zoete angsten, waaruit wij in één ogenblik geslingerd kunnen worden in de zonde en de schuld, waarin de preek ons nog alleen wat heeft te zeggen als Openbaring van een genadige God. Daarom zijn voor Kierkegaard niet het zijn en het worden de eerste categorieën, zoals bij Hegel, maar de oorsprong en de sprong. Zo roept hij steeds om wat hij 'overgangsbepalingen' noemt, waardoor de stroefheid van de synthese en de ernst van het leven aan het licht komen en de onmiddellijkheid van het esthetische leven wordt verstoord. Kierkegaard was steeds bezig de genoeglijkheid van het christendom zijner tijdgenoten uit te hollen en hen uit hun esthetische levenshouding weg te lokken.

Hij deed dat door, kameleontisch, in allerlei geestelijke. kostuums en houdingen hen als een Deense Socrates tot het bewustzijn te brengen van wat er schuilt in de hoeken van het hart; in ons geval nu, de angsten der ziel, die verborgen zijn achter de zonde van de geest en die zich daarmee weer opnieuw vermengen en waaruit met sprongen telkens nieuwe zonden voortkomen, tot het demonische toe. Angsten voor niets en toch oorspronkelijker ten opzichte van de werkelijkheid des levens dan iedere verklaarbare oorzaak en doordenkbare afleiding.

Nu, honderd jaar later, hebben wij in de wereldgebeurtenissen een beter commentaar op Kierkegaards werken, dan zijn tijdgenoten er een bezaten. Hoe geweldig Hegel en Marx onze tijd ook hebben beïnvloed, er is toch ook een besef ontstaan, dat de geest in een vijandige houding tot de ziel kan staan en omgekeerd. Voor onze ogen hebben wij de chaos zien ontstaan, die daarbij optreedt, de met sprongen te voorschijn komende zonden, het sadisme en de machtswellust. Onverklaarbaar en onafleidbaar met als achtergrond de angst voor een niets, het nihilisme, cuiminerende in de angst voor het goede, het demonische, als bij Kierkegaard.j Deze wereldhistorische kritiek op een esthetische levenshouding stelt Kierkegaard in het gelijk. Zijn anonieme geschriften geven niet ronduit zijn eigen mening weer. Hij zal dus niet steeds gelijk willen hebben ten opzichte van deze werken. Er blijft ook in deze wereld der angsten steeds de uitweg, dat de mogelijkheid een niets is. De mogelijkheid is ook nooit noodwendig een mogelijkheid tot zondigen.k Wij zijn niet gedetermineerd om te vallen en onder te gaan. Maar er zijn feiten die ons in het gezicht staren. En achter deze feiten toont Kierkegaard ons de psychologische diepten die er achter liggen, de achtergronden in onze natuur en onze ziel, waarvan wij een aangeboren bewustzijn meebrengen. Wij kunnen daarmee echter twee kanten uit. Wij kunnen blijven het kind in onszelf en dan leert Kierkegaard ons dat wij het noodlot tot onze vader zullen hebben. Wij kunnen echter ook de feiten laten spreken, de zonde waarin wij gevallen zijn erkennen, zonder ze te willen verklaren en vergoelijken. Dan spreekt de prediking ons toe en wij zullen de macht ontvangen een kind van God genaamd te worden.

Daarom spreekt deze Deense apostel zijn psychologie uit onder een pseudoniem. De reeks van zijn religieuze geschriften, zijn prediking, staat op zijn eigen naam. Ook dit boek over het begrip angst, dat met ongelooflijke scherpte aan waarneming is geschreven, dat bewonderenswaardig is in zijn systematiek, staat op een schuilnaam. Ik heb er slechts hier en daar een enkele toets uit kunnen aanbrengen in dit artikel. Ik mocht er niet aan denken er een exposé van te geven. Maar hoe rijk en diep de inhoud ook moge zijn, men zou tegen Kierkegaards bedoelingen ingaan, als men de scheiding tussen de beide reeksen van zijn geschriften uit het oog verloor.

Het is niet zijn bedoeling ons in deze wereld der zoete angsten en plotselinge duivelssprongen terug te leiden. Kierkegaard schrijft geen Faust. Wel kent hij misschien beter dan iemand anders Gretchen en Mephistopheles. Hij is echter een prediker van de ernst, hoe vreemd zijn uitbeelding in zijn esthetische geschriften soms ook moge zijn.

Dit moet men bij de bestudering van zijn boek over de angst ook voor ogen houden. Men moet zich niet laten bedriegen door de systematische weergave. Het werk is geschreven als 'een eenvoudig, psychologisch, wegwijzend onder 1 zoek in de richting naar het dogmatisch probleem van de erfzonde', zo staat op het eerste blad. En de erfzonde hoort niet in de psychologie, maar in de dogmatiek thuis.

Voetnoten

  1. a

    Vgl. S.Kierkegaard, Angst. Uit het Deensch vertaald door S.van Praag, Amsterdamz.j., p. 51.↩

  2. b

    A. w., p. 136.↩

  3. c

    J.H.Newman, An Essay in Aid of a Grammar of Assent Londen 1870, 18898,passim, .n. p. 75 v.↩

  4. d

    Kierkegaard, a.w., p. 164.↩

  5. e

    A. w., p. 51.↩

  6. f

    Ibid.↩

  7. g

    Vgl. a. w., p. 50-56.↩

  8. h

    Vgl. a. w., p. 17.↩

  9. i

    Vgl. a. w., p. 76.↩

  10. j

    Zie a. w., p. 153 vv.↩

  11. k

    Vgl. a. w., p. 145 v.↩

Eindnoten

  1. 1

    Het begrip 'angst' bij Kierkegaard verscheen in IdW. 2 (27.6.1947) nr. 39, p. 1 v. Het werd opnieuw opgenomen in KTh. 30 (1979) nr. 3, p. 178-182 (pag.). Kierkegaard publiceerde Het begrip angst onder het pseudoniem Vigilius Haufniensis in 1844. In dit werk strijdt hij tegen twee fronten: enerzijds tegen de filosofie van Hegel en zijn Deense volgelingen die de mens reduceren tot een instrument van de Geest in zijn ontwikkeling, anderzijds tegen de interpretatie van de erfzondeleer in het piëtisme waarin hij een fatalisme bespeurde dat de vrijheid van de mens ophief en daarmee zijn schuld-voor-God als persoonlijke schuld. Zie in het verband van N.' artikel ook Psychologie en Evangelie, in VW., dl. 2, p. 98-118, m.n. p. 108 vv. Wij citeren steeds de vertaling van S. van Praag, Amsterdam z.j.↩

  2. 2

    Zie voor Newman VW., dl. 3, p. 276-292, m.n. p. 291, noot 1.↩

  3. 3

    Kierkegaards vader, Michael Pedersen Kierkegaard (1768-1838) was volgens de gangbare Kierkegaard-literatuur een opmerkelijk man, gekenmerkt door een strenge hernhutterspiëtistische vroomheid en een grote zwaarmoedigheid. Als jongen had hij op de Jutlandse heide schapen gehoed en door zware ontberingen tot wanhoop gebracht, God vervloekt. Dit voorval droeg hij zijn hele leven als een zware last met zich mee en stempelde de atmosfeer in zijn gezin. Van hem erfde Sören zijn zwaarmoedigheid, die hem, blijkens nagelaten notities, van zijn jeugd beroofde.↩

  4. 4

    H. L. Martensen (1808-1884), Deens theoloog, vanaf 1840 hoogleraar te Kopenhagen, vanaf 1854 bisschop van Seeland als opvolger van Mynster. M. is een vertegenwoordiger van de Vermittiungstheologie welke op het spoor van Hegel en Schleiermacher een verbinding beoogde van godsdienst en moderne wetenschap. Deze eenheid van geloven en kennen fundeerde M. in de leer van het testimonium Spiritus sancti. Toen Martensen na de dood van Mynster in 1854 deze in een gedachtenisrede prees als een recht waarheidsgetuige, ging K. over tot een felle aanval waarin hij stelde dat bij de vertegenwoordigers van de Deense kerk de navolging van Christus had plaatsgemaakt voor een geraffineerde huichelarij.

    J. P. Mynster (1775-1854), Deens theoloog, vanaf 1834 bisschop van Seeland. Begaafd prediker. M. stond als zielzorger in hoge achting bij K.s vader. Hij wilde de Deense christenheid losmaken van de invloed van het rationalisme en deze voeren naar een positief, luthers georiënteerd christendom, verbonden met de romantische filosofie van Schelling en Novalis.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← De grenzen der natuurwetenschapInhoudIets over Dickens →