Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 4 · p. 463–476

Weergave

Iets over Dickens1

Wanneer ik iets over Dickens ga schrijven, dan doe ik dat niet in de eerste plaats met het oog op z'n betekenis in de letterkunde. 't Is mij te doen om z'n theologie. Maar theologie in heel wijde zin, zo ergens waar men op Evangelie, mensenleven, karakterkunde en letterkunde een 'Vierländerblick' kan hebben. Dickens' theologie voor z'n eigen persoon was heel eenvoudig. Hij was trouw bijbellezer en gaf dat boek ook aan z'n kinderen gaarne mee in het leven.a Z'n felle afkeer van huichelarij, die hij ook in z'n boeken niet moede wordt te geselen, bracht hem in een bepaalde periode van z'n leven dicht aan de grens van het historisch christendom. Maar hij keerde op z'n schreden terug en bleef verder tot het einde een belijder van Jezus als de Zaligmaker.

Er is echter een andere theologie bij ieder schrijver van betekenis; z'n kijk op 'goden en mensen', op 'werken en dagen',aa als kunstenaar, die meestal slechts zeer onvolkomen met z'n bewuste, persoonlijke geloofsbelijdenis samenvalt, omdat hij voor hemzelf grotendeels verborgen blijft. Inspiratie is altijd min of meer mechanisch; dwz. zij brengt vormen mee, waaraan de greep en het begrip van de bezielde zelf onschuldig zijn.

Zulke diepere lijnen bij Dickens op te willen sporen, lijkt op 't eerste gezicht wat gezocht. Dickens is humorist en is begonnen met, per maand, heel Engeland en half Amerika te laten lachen, met z'n uitgave van de Pickwick Papers. Hij is ook sentimenteel en herinnert soms nog even aan de natte periode in de literatuur uit het laatst der achttiende eeuw.2 Ook dit laatste brengt hem natuurlijk geen stap nader bij de theologie. - Maar in Dickens' humor en sentiment komen gestalten op, die hij zelf niet heeft opgeroepen. Hijzelf is de eerste om dit te verkondigen.b Hij kan ze niet maken zoals hij wil en als hij het een enkele maal doet, bederft hij ze. Er is meer-dan-Dickens in diens romans en in dat 'meer-dan' schuilt een eigen theologie. Gunning heeft ten opzichte van Agnes Wickfield uit Copperfield gezegd, dat de enige onrechtvaardigheid van Dickens hierin bestaat, dat hij het christelijk geloof de eer onthoudt van het te noemen als de bezieling, zonder welke Agnes onmogelijk zou zijn.c Zo eenvoudig zie ik de theologie achter deze figuren niet en zou daarom ook niet van onrechtvaardigheid durven spreken. Wat Dickens getoond heeft zonder het te noemen, daarvan heeft hij de naam niet geweten. Het is een geluk, dat hij geen 'christelijke' boeken heeft geschreven.

Het bovenstaande is niet slechts van toepassing op z'n rijpere werken; het is er al dadelijk in de Pickwick Club. Men heeft van dat boek gezegd, dat het begint met spotten en eindigt met bidden. Het begint spelenderwijs. Enige figuren of poppen worden opgezet en de grappen en kwinkslagen van de schrijver knallen daar omheen, zoals die van een impressario bij een Jan Klaassen-spel. Hij trekt met z'n kast rond en verzint overeenkomstig tijd en plaats humoristische situaties. Langzamerhand verandert dit echter. Het toneel verliest z'n toevalligheid en gaat over in niets minder dan het goede, oude Engeland, met z'n zeden en gewoonten, z'n instellingen, z'n verkiezingen, rechtswezen, kostscholen en 'debtors-prisons'. Met sommige van die instituten heeft Dickens een appeltje te schillen.3 In zoverre is hij ook een der eerste sociale schrijvers der negentiende eeuw. Hij neemt het op voor de 'kleine luyden', en dat was toen nog niet altijd een aanbeveling, evenmin als men het Thackeray4 altijd dank heeft geweten, dat hij wat scherp onder de hogere standen had rondgekeken. Tendens-schrijver wordt Dickens echter niet. Hij blijft in de sfeer van de humor, waar de waarheid belangeloos wordt gezegd en waar aan God het laatste woord gelaten wordt. En daarin ontwikkelen z'n boeken juist hun hogere kwaliteiten.

Mr. Pickwick is in het begin absoluut belachelijk en op het einde van de roman absoluut sympathiek. Hoe heeft deze overgang plaats en hoe is hij te verklaren? Ik wil beginnen met op een parallel te wijzen: Cervantes' Don Quichotte. Beide helden beginnen hun loopbaan als volkomen karikaturen. Ze schijnen opgevoerd te worden voor het plezier van een verloren uur. Naarmate echter de schrijver de lachers op z'n zijde krijgt, vergaat hem de moed om mee te lachen. Achter de volstrekt belachelijke staat de laatste Lacher en de schrijver ziet Hem daar. Dan keert hij zich om en wordt de apostel van z'n held. Hij keert zich tegen z'n eigen publiek en verkondigt hun het evangelie van een hoger idealisme of idiotisme. Hij meet daaraan de intekenaren op de afleveringen van z'n boek, al die representatieve figuren en laat hen te schande worden aan de man in de kooi, of de schuldgevangenis of het gesticht voor zenuwlijders. Zo doet Cervantes, zo Dickens, zo Dostojewski.

In verband hiermee zou ik willen wijzen op de overeenkomst tussen Sancho Panza en Samuel Weller. De laatste is zeker geen kopie van de eerste. Hij treedt pas in de tweede helft van het boek op. Des te merkwaardiger is het, dat Dickens z'n held dan ook nog zulk een eenvoudige, een getrouwe meegeeft. Het markeert de overgang van spotten tot bidden. - Beide malen ziet de dienaar heel goed de dwaasheid van z'n meester en beweegt soms betekenisvol achter diens rug de wijsvinger langs het voorhoofd. En toch heeft hij hem lief. Hij ziet, wat voor wijzen en verstandigen verborgen blijft, dat daar, waar de slagen vallen, ergens het middenpunt der wereld is.

Een vergelijking met Cervantes leert ons nog iets anders bij Dickens zien. Ditmaal niet de overeenkomst, maar het verschil tussen beide. Menigeen zal vinden, dat deze schrijvers niet naast elkaar genoemd mogen worden, omdat de Spaanse zo schitterend is. Eigenlijk vind ik Cervantes ook onvergelijkelijk. Maar voor een deel komt dat, omdat Dickens ons zoveel nader staat. De eerste voert de katholieke ridder op, de tweede de protestantse burger. Welk een verkleining van alle verhoudingen ligt daarin opgesloten! Dat komt uit in de kwaliteiten van het toneel, waarop de helden optreden, maar bovenal in de verhouding van heer en knecht. De Hidalgo en z'n knecht staan op een afstand van wolken en grond. De één heeft ideeën, de ander behoeften. Pickwick en Weller staan veel dichter bij elkaar. En zo zijn in alle opzichten de verhoudingen kleiner.

Zullen we Dickens daarvan een verwijt maken? Taine5 heeft het gedaan en daarmee voor tientallen jaren de Dickens-kritiek bedorven. Hij beweert, dat de Engelse novellist geen grote figuren heeft kunnen scheppen, omdat hij gevangen zit in een puriteinse moraal.d Het kwaad heeft geen ruimte in z'n boeken, zodat het leven, bij gebrek aan deze negatieve pool, zich geen afstanden kan nemen. Het stoot onmiddellijk tegen de omtrek van de conventie en wordt dan verwrongen tot huichelarij, dat veelvuldige motief in Dickens' werken.

Men kan de betrekkelijke juistheid dezer kritiek toegeven, zonder daaruit kleinerende consequenties te trekken. Eer het tegendeel. De verklaring van de werking van Dickens' kunst ligt juist in de eerbied, die hij voor zekere grenzen heeft. 1 Daardoor wordt hij gedwongen zich aan z'n grote tekst, het Engelse leven, te houden. Het is ongetwijfeld, wat omtrek betreft, een kleiner gegeven, wanneer Dickens uit de excentriciteiten van de voorzitter van de Pickwick Club de Engelse gentleman moet laten naar voren komen, dan wanneer Cervantes ons de beminnelijke ridder Gods te voorschijn tovert uit de hallucinaties van een getroubleerde lezer van ridderromans. Maar wat aan omtrek ingeboet wordt, kan winst betekenen aan geestelijkheid. In Pickwick althans is zeer spiritueel de wijze, waarop de wat uitbundige lachlust, die het uiterlijk en de gestes van de hoofdpersoon opwekken, langzamerhand verstilt tot een glimlach, waarbij de humor nog slechts dient als een sympathieke atmosfeer, waarin we de omtrekken van de gentleman zien opkomen.

De tekst, waaraan Dickens gebonden is, het puriteinse leven, is een sterk geestelijk motief. Nergens is dan ook de moderne mechanisering van het beroepsleven zo vroeg en zo hevig als een nood gevoeld als in Engeland. In Romaanse en katholieke landen en zelfs nog enigszins in lutherse streken stuit die mechanisering min of meer af op de omtrek van het persoonlijk leven. Daar staan dans, gezang, ritueel, levensvormen, een zekere uiterlijkheid gereed om de inwerking op de geest te ondervangen. Het puriteinse leven heeft deze bolwerken niet. Het gaat veel directer over in het zakenleven en gaat daarin veel meer op. De geest is daar als een open stad, van alle kanten bedreigd. Daarom moet hij held zijn of slachtoffer.

Dickens heeft dat in z'n tekst gelezen als misschien niemand anders. In Christmas Carol heeft hij in de figuur van Scrooge laten zien een ingedroogde geest, wien ook het Kind in de kribbe, de laatste vreugde van de Engelsman, koud laat. En zo gaf hij er meerdere.

Merkwaardig is uit dit oogpunt een vergelijking tussen Jack van Daudet6 en David Copperfield. De boeken hebben verscheidene punten van overeenkomst. Een kostschool, een fabriek en de vlucht van een kleine jongen. In het Franse boek is vooral de kostschool een hel. In het Engelse de fabriek, waaruit de jongen wegloopt. Dickens kon het weten, want het hoofdstuk: Op eigen kosten is bijna letterlijk weergave van wat hij schriftelijk over een vroege levenservaring biechtte aan z'n latere biograaf.e Er is in dat hoofdstuk van Copperfield en bijna nog meer in die brieven aan Forster een stemming als die, welke boven Dante's hel geschreven staat.f Alleen, de hel van Dante is bont en kleurig vergeleken bij de grauwe vaalheid van deze Engelse, waar de rat het spectrum van de wanhoop laat zien aan enkele jongens, die te werk gesteld zijn in een kelderbuurt van Londen.

Dickens-Copperfield was één van hen. De beschrijving van de geestelijke nood van dit kind "of excellent abilities, and with strong powers of observation, quick, eager, delicate, and soon hurt bodily or mentally",g is nog veel aangrijpender dan die van de lijdensdagen van de kleine Jack bij Daudet. Jack is een stukje van de maatschappij, waarin hij bijna omkomt. Hij is produkt van het Parijs, waar de ruimte is, die Taine Dickens toewenst. Copperfield komt uit de warmte van een Engels home; hij heeft een echte moeder gehad, hij is geestelijk gebakerd en voelt in elke vezel pijn door de aanraking met een onbarmhartig zakenleven. Op Dickens zelf heeft deze aanraking met negentiende-eeuwse arbeids-ontzieldheid, waartegen Thomas Hood, Maurice en Kingsley7 als profeten zijn opgetreden, nog wel diepere sporen nagelaten dan op z'n romanheld Copperfield. Zij heeft een dode plek in z'n leven gebrand, waarnaar hij niet durft omkijken. Vijfentwintig jaar lang werd er in de familie Dickens nooit één enkel woord over gerept. De reuk van sommige ingrediënten, die in de werkplaats moesten dienen, deed de latere schrijver soms een andere straat nemen om er aan te ontkomen.h Z'n vader nam hem tenslotte, na een familie-twist, van de fabriek af, terwijl z'n moeder - de familie had met geldelijke zorgen te kampen - pleitte voor terugzending. Dickens schrijft: "I never afterwards forgot, I never shall forget, I never can forget, that my mother was warm for my being sent back."i Deze bijna in de vorm van een eed gegeven verklaring bewijst meer dan iets anders, hoe deze tijd in Dickens' herinnering staat ingeprent. Het lijden van de kleine knaap, onder een arbeid, die hem beledigde, liet in z'n geest een litteken na als dat van Rosa Dartle uit Copperfield. Men is geneigd te denken, dat een eeuwigheid nauwelijks lang genoeg zou zijn, om het te doen vergroeien.

Het is aan zulke motieven, dat Dickens' boeken hun werking ontlenen. Men merkt, dat hij schrijft in het land, waar Bunyan z'n Christenreize en z'n Heilige Oorlog dichtte. Het land van George Fox en z'n Inwendig Licht. Hier heeft men kennis aan een binnenwereld, waar verloren en gewonnen kan worden, waar waarheid of leugen, liefde of haat van meer betekenis zijn dan regen of zonneschijn, voorspoed of tegenspoed.

In de tekening van deze wereld heeft de schrijver over weinig hulpmiddelen te beschikken. Hier gelden streng het eerste en het tweede gebod tegen afgoderij en beeldendienst. Alles moet eenvoudig en innerlijk zijn. De hele santenkraam van heksen en demonen, keizers, koningen, helden, ridders, rovers, kathedralen en wat dies meer zij blijft op stal staan. En wat er overblijft wordt dan door een verder herhaald: gij zult niet steeds meer vereenvoudigd tot puriteinse soberheid.

Des te meer treft ons, hoe geheimzinnig het licht is, dat over dit leven trilt. Hoe fascinerend de gestalten die zich daarin bewegen. Telkens staat een figuur stil in eeuwigheidslicht en ontroert ons. Ook de schrijver ziet het met ons, want evenmin als wij heeft hij volkomen macht over deze wezens. Zo wanneer Copperfield aan 't eind van de vakantie voor 't laatst z'n moeder ziet staan: "It was cold still weather; and not a hair of her head, or a fold of her dress, was stirred, as she looked intently at me, holding up her child."j Zo ziet hij haar later altijd in z'n slaap.

Forster heeft Dickens' talent 'a sleepless creative fancy'k genoemd. Dickens zelf laat Copperfield van z'n autobiografie zeggen, dat zij is z'n 'written memory'.l Hij identificeert zichzelf hier ongetwijfeld met z'n hoofdpersoon. De eenheid van deze beide, van scheppende fantasie en herinnering, van projectie op de toekomst en schaduwbeeld in het verleden is het wezen van vele figuren uit z'n romans. Ze hebben dan niet het concrete van het leven van de dag. Marionetten heeft men ze genoemd. Maar ze worden dat niet door gebrek aan, maar door overvloed van geest. Als voorwerpen van, written memory' zijn ze fantomen, die opdoemen uit het verleden en als produkten van 'creative fancy' hebben ze een magisch 'spel' rondom zich, dat hun betekenis in de toekomst verlegt. Daartussen staan ze in het heden als verschijningen uit een andere wereld, die ons niet dadelijk alles kunnen zeggen wat ze weten. Ook als ze alles gezegd hebben en het boek uit is, nemen ze nog het grootste stuk van hun geheim mee.

Uriah Heep bijv. is een demon. Hij heeft genoeg boze geest in zich om mee te spelen in Macbeth of ieder ander stuk criminele historie van dezelfde sterkte. Maar over zoveel ruimte heeft Dickens niet te beschikken. Deze duivel moet geperst worden in het lichaam van een notarisklerk. Het'foul is fair and fair is foul'm klinkt niet statig door de lucht, maar moet met veel moeite ontcijferd worden uit enkele notariële akten. Deze onreine geest heeft niet te beschikken over woeste plaatsen en kan niet varen in een kudde zwijnen, maar moet zich vergenoegen met het blazen in de neusgaten van het wagenpaard van tante Betsy.n Daardoor raakt de figuur zo buitengewoon zwaar geladen. Dickens moet een gewoon mens tekenen in een zeer conventionele samenleving. En naarmate het thema minder uitwerking en variaties verkrijgt, wordt het zelf versterkt. Naarmate deze boze minder ruimte heeft om zich uit te leven in 't groot, ziet men z'n wezen-zelf te beter. Uriah is onreine geest in mensengedaante.

Men kan uit Copperfield een heel vocabularium samenlezen van woorden, gebruikt om hem te tekenen, die een meer dan gewoon-morele afkeer verraden. Ze vertolken tegelijk het gevoel, dat we hebben bij het aanraken van een pad of hagedis. De kilheid van Uriah's altijd klamme handen, de verticale kurketrekkers-bewegingen, die z'n lichaam onophoudelijk uitvoert, de kwaliteit van z'n hoofd, dat niet anders is dan de voortzetting van z'n altijd in werking zijnde strot, dat alles is tekening van een soort bezetenheid. Deze heeft echter niets bovennatuurlijks, doch blijft geheel moreel, zodat de boze geest niet anders is dan een buitengewoon ongunstig karakter.

De werking, die daardoor verkregen wordt, is heel eigenaardig. Dat het hier over een mens gaat, brengt geen matiging in de beoordeling, maar verscherpt die. De tekening van Uriah's nachtrust op Copperfields kamer voor het vuur is uiting van een bijna religieuze weerzin.o Maar bezwering kan hier niet baten, want 'Pudel' en 'Kern' zijn in dit geval één.p - Wanneer bij een andere gelegenheid Copperfield z'n gewone terughouding ineens laat varen en Heep een geduchte kaakslag toedient,q maakt dat op de lezer een indruk, soortgelijk aan die bij het zien van de inktvlek op Luthers kamer op de Wartburg. Maar thans wijkt de boze niet, omdat hij als mens een middel bij de hand heeft, dat hem in de gelegenheid stelt te blijven. En dat middel is de... vergeving.r - Slechts eens komt een milder beoordeling aan het woord, als Uriah gezien wordt in verband met het sociale milieu in z'n jeugd.s Maar het geheel heeft geen sociale strekking. Er is in deze figuur iets van de radicale boosheid van de 'foul fiend' zelf.

Heel anders is de uitkomst van deze morele vereenvoudiging bij een andere figuur uit Copperfield. Ik bedoel Steerforth. Deze is Mephisto en Faust tegelijk. Het grootste stuk van z'n karakter is Mephisto. Maar Dickens heeft ook hier geen ruimte voor een splitsing tussen het bovennatuurlijke en het natuurlijke. Om twee redenen niet. Ten eerste is z'n kunst protestants, zodat het bovennatuurlijke aan de morele sfeer gebonden is. En in de tweede plaats is ze puriteins. De hoofdpersoon kan geen Faust zijn. Copperfield is als Hildebrand in de Camera, in wie de verstandigheid en de moraal zijn belichaamd. Hij kan de afwijkingen des levens als beelden in zich opnemen, maar er niet zelf in staan. Steerforth moet dus beide helften van de tweeëenheid, bovennatuurlijke boosheid en menselijke zwakheid in zich verenigen. Hij is Copperfields 'bad angel', zoals Agnes het noemt,t maar in werkelijkheid z'n eigen. Soms merkt men even, dat het ook anders had kunnen zijn. Een zo scherpziend persoontje als Miss Mowcher vergist zich een ogenblik en houdt Copperfield voor de geïnteresseerde bij de schaking.u Het was een vergissing. We hebben in Steerforth Mephisto als gewoon mens. Hij kritiseert het beste wat Dickens geschapen heeft, de Peggotty's en richt alle onheil aan, dat er aan te richten is. - Intussen behoudt hij z'n menselijke beminnelijkheid en op het strand, waarop de storm z'n lijk werpt, rust z'n hoofd op z'n arm in de slaap des doods, precies zoals Copperfield die houding van hem kende uit z'n kostschooljaren.v

Steerforth is ook een demon, maar hij staat veel dieper in de menselijkheid dan Uriah. Zijn wezen is een moraliteit, al is het een verkeerde moraliteit. Uriah stoot af als een onreine geest; Steerforth trekt bijna ieder aan, die met hem in aanraking komt. Dickens heeft juist in deze figuur zo sterk laten zien de projectie van het menselijke op verleden en toekomst beide. Reeds in het begin werpt hij z'n schaduw op de kleine Emily, als het kind aan het strand een ogenblik overmoedig haar evenwicht in gevaar brengt boven de golven. Als ze enkele ogenblikken later veilig zich terugtrekt, huivert Copperfield, als hij er later soms aan terugdenkt, voor haar terugkeer in het leven. Hem komt het voor, alsof haar verdronken vader z'n kind toen tot zich heeft willen lokken, omdat de dode, die alles weet, ook haar toekomst zag.w - Maar ook het einde van Steerforth kondigt zich het hele boek door aan. Buitengewoon treffend is deze visie gegeven als Copperfield de laatste maal voor de noodlottige storm Mrs. Steerforth en Rosa Dartle bezoekt en haar ziet zitten op het terras voor haar landhuis, terwijl de nevelen oprijzen als een zee, gereed om haar te verzwelgen.x Zo trekt ook hier de puriteinse vereenvoudiging van een gegeven (Mephisto-Faust) het bovennatuurlijke wel diep in de menselijkheid, maar des te meer treft ons, hoe de morele levensgang overloopt van het ongewone, hoe verleden en toekomst elkaar daarin de hand reiken over het heden heen en een zeldzame geheimzinnigheid schemert rondom elk woord en elke daad.

Naast Steerforth zou men als een vrouwelijke demon Rosa Dartle kunnen stellen. Ook haar karakter is tot de grenzen van het menselijke geladen. Ze heeft op sommige momenten iets wat Copperfield zelf 'unearthly'y, noemt. We verlangen nu echter meer ons bezig te houden met die grote groep in Dickens' 1 hoofdwerk, waarvan de sympathieën, zoals hij het zelf noemt, liggen 'on the right side of things'.z Dat de schrijver in het verdelen van de rollen naar rechts en links niet vrij is, blijkt heel merkwaardig uit het karakter, dat hij Miss Mowcher gaf. Dit kleine persoontje is heel duidelijk een duiveltje uit de onder-morele sfeer. Ze was vrij naar het leven getekend. Maar ze ontdekte zichzelf in de eerste afleveringen van Dickens' roman en zond bitter beklag bij deze in. De schrijver had veel verdriet en wendde haar karakter naar de goede zijde.a Wie Miss Mowcher in origineel geweest moge zijn, in Dickens' 'creative fancy' was deze wijziging een fout Dit karakter werd er geheel onwaarschijnlijk door gemaakt.

Aan de goede kant der dingen staat met haar sympathieën bovenal de Peggotty-groep. Het eert Dickens en nog meer de Schepper van de zesde dag, dat de goede mensen in dit boek minder overdreven lijken dan de slechte.

Mr. Peggotty in Copperfield is voor Engelands literatuur van onschatbare waarde. Hier is een mensenleven van de uiterste eenvoudigheid. Aan de buitenkant is geen enkele versiering aangebracht. Z'n woning is een opgekalfaterde boot. Maar waar hij is, daar is een huis, een thuis voor wie het niet hebben. 'Lorn lone creatures' verzamelen zich rondom hem op een natuurlijke en vanzelfsprekende wijze. Voor het verlorene brandt daar altijd een lamp en blijft de deur ongesloten. Als een goede herder trekt hij rond om het verloren schaap te zoeken, totdat hij hetzelve vindt. Hij heeft macht ontvangen zonden te vergeven en treurigen te troosten. In een 'outcast' van de maatschappij spreekt hij vertrouwen uit, niet half, maar 'full and free'.b En deze, Martha, raakt hem aan 'as if there was some healing virtue in him'.c Deze Magdalène ontvangt van hem een zending, een roeping, om, evenals hij, het verlorene te zoeken en het klinkt als een eed, wanneer ze met een stem, die niet hoger rijst dan haar adem, belooft "to speak to her, if I should ever find her; shelter her, if I have any shelter to divide with her."d

Er is in Dickens weinig directe verwijzing naar het Evangelie en dat was het wat Gunning een onrechtvaardigheid noemde. Peggotty is een gewone Engelse vissersman en heeft niets in of aan zich van een heilsoldaat. Wanneer Copperfield een tendensroman was geweest zou hij heel wat'christelijker'zijn uitgevallen. Maar het is nauwelijks mogelijk voor een heel volk het christen ke volkomener uit te beelden dan hier is geschied. De uiterste vereenvoudiging maakt hier tegelijk volkomen universeel. Er is niemand die op deze zeeman niet de schaduw van Christus ziet vallen. En toch is Mr. Peggotty de meest natuurlijke figuur uit het boek. Hij is als uit het marmer van het Engelse volksmateriaal gehouwen. Prachtig is z'n houding en taal tegenover Mrs. Steerforth, een van de beste passages, die ooit geschreven zijn.e - Er is zelfs bij hem nauwelijks iets te merken van het geheimzinnige, dat vele van Dickens' mensen omgeeft, het onwezenlijke, dat hen kenmerkt. Z'n leven is niet slechts een moraliteit, maar een realiteit. Het bovennatuurlijke blijft niet halverwege rondom hem, maar gaat in z'n leven op. De geest straalt niet om hem heen, doch schijnt als goedheid uit z'n bestaan naar buiten. On the right side of things spookt het minder dan aan de andere zijde.

Veel minder realistisch zijn buiten de Peggotty-groep, eveneens aan de goede kant, weer andere personen gegeven. Er zijn er die iets hebben van ideeën, die, om met Plato te spreken, deel hebben aan de idee van het goede, maar wat ver van de werkelijkheid blijven. Ik denk aan Mr. Dick en Dr. Strong, waarvan de een heel onnozel, de ander heel geleerd was, maar die toch beide tot dezelfde orde van geesten behoren. Ze vinden elkaar dan ook in de loop van het boek. De 'dictionary' van de doctor is al even dwaas als de 'memorial' van de zwakzinnige. Op een eigenaardige, kabbalistische manier heeft Dickens, opzettelijk of niet, hun beiden het getal 1649 als openbaringsgetal toegelegd. Voor Mr. Dick weet ieder dat in verband met het sterfjaar van King Charles. Maar ook Dr. Strong heeft dit getal, als een van z'n leerlingen uitrekent, dat de dictionaire klaar zal komen in 1649 jaren. Wanneer dit toeval is, dan is het des te merkwaardiger.

Agnes, de goede, is ongetwijfeld weer veel voller van ware menselijkheid. Zij doet denken aan een paar mooie regels van Wordsworth:8

"A perfect woman, nobly planned,
To warn, to comfort, and command;
And yet a spirit still, and bright
With something of angelic light."f

Ze is Copperfields leidsvrouw door het leven. Ze heeft in de hoogste graad de vrouwelijke eigenschap van een sfeer rondom zich te scheppen. En in die sfeer leeft tot het einde toe het betere-ik van de held van het boek.

En toch houdt ook zij iets abstracts. Emily, Copperfields speelgenoot uit z'n jeugd en Dora, z'n child-wife, zijn ongetwijfeld veel reëler scheppingen. Agnes is door Dickens geschapen meer uit een ledig, een gemis, dan uit een volheid, een bezit. Zij vervult alles in het boek in zulk een volkomen mate, omdat ze de laatste trap der werkelijkheid niet heeft bereikt. - Copperfield ziet haar van 't begin af in 'angelic light'. Het licht, dat om haar gestalte speelt, doet hem altijd denken aan een gebrand kerkraam, dat hij in z'n jeugd ergens zag. Deze associatie treft hem het eerst als hij haar, na de eerste ontmoeting, een trap in het statige huis van haar vader ziet opgaan; 'in the grave light of the old staircase'.g Rondom haar is altijd iets van de geheimzinnig gedempte atmosfeer van een domkerk. Haar wezen is dienende, harmonische beweging in het heiligdom. Een der standen van haar leven - een tweede, na de kerkraam-visie - waarin Copperfield haar wezen zuiver ziet uitgedrukt, is die, waarin zij met opgeheven hand ten hemel wijst. Zo ziet hij haar als ze hem Dora's dood aankondigt.h Zo ziet hij haar later in de geest telkens weer."i

Agnes is 'a spirit'. Ze is Copperfields 'good angel', z'n beschermengel. Zulke 'Wesensschau' is kenmerkend voor de schrijver. Telkens breekt ze door het verhaal heen, ook bij andere personen. Dan daalt de betekenis van de handeling op de tweede plaats. En het eeuwigheidslicht houdt de figuur enkele ogenblikken vast. Merkwaardig is in dat opzicht een 'apercu', waarin Uriah en Agnes samen gezien worden. "I saw Uriah watch her while she greeted us, and he reminded me of an ugly and rebellious genie watching a good spirit. "j

Dit etherisch karakter van Agnes komt ook heel sterk uit in haar verhouding tot Dora. Zelden zal wel een tweede huwelijk als levensprobleem zo volmaakt harmonisch door een schrijver zijn opgelost. Dat is echter alleen mogelijk, doordat Agnes in de hiërarchie der geesten een hogere rang bekleedt dan Dora. Zij leven in twee verschillende sferen en staan elkaar daardoor evenmin in de weg als de hemelgeesten bij Swedenborg.9 Dora leeft in de staat der onschuld, verstandelijk zowel als zedelijk. Agnes in die der heiligheid. De rang van Agnes is hoger, haar sfeer wijder dan die van Dora. Haar omtrek sluit de verhouding van David en Dora in. David heeft Dora pas recht lief in de nabijheid van Agnes en zo Dora David. Agnes is het element, waarin die liefde pas kan gedijen. "By her presence, Dora and I must be happier than anywhere."k At first sight gaat Dora schuil onder haar vleugelen. En haar laatste adem blaast ze uit aan haar borst. Dora is de bruid van Davids 'undisciplined' hart. Agnes de 'dear presence' zonder welke hij niets was.

Deze beide staan elkander niet in de weg; in de tijd niet en in de eeuwigheid niet. Ook het laatste niet. Op het ogenblik dat hij Agnes wint, zegt hij haar, dat door haar ogen de geest van z'n 'child-wife' hem aanziet.l Dickens weet vaak meesterlijk, wat hij als het wezen van z'n personen ziet, met een paar woorden, ik zou bijna zeggen, op formule te brengen.m Zo hier, wanneer hij op de laatste bladzijde van z'n boek Agnes een 'presence' noemt. Wat we zouden moeten omschrijven als een geest, die op onverklaarbare wijze haar aanzijn laat merken, altijd en overal.

Er is nog één van de karakters uit Copperfield, die ik niet kan voorbijgaan. Zij behoort tot de Peggotty-groep. Little Em'ly. In het verhaal, de handeling van het boek, is ze eigenlijk met Copperfield de hoofdpersoon. Zij staat met diens moeder in de frisse morgendauw van z'n jeugdherinneringen.

"A dancing Shape, an Image gay."n

En wanneer haar fabel verteld is en ze over de reling van het schip, hangende aan de arm van haar oom, nog ééns zichtbaar wordt voor Copperfield, om dan uit het gezicht te verdwijnen, dan is het boek eigenlijk uit en wat er nog komt is aanhangsel. Zelfs het huwelijk met Agnes.

Em'ly behoort tot de Peggotty-groep. En ook van haar geldt, wat ik zei van Mr. Peggotty, dat ze meer werkelijkheid aan zich heeft dan vele andere Dickens-figuren. In haar leven is historie. Ze is niet enkel een portret, dat Hildebrand-Copperfield in z'n camera obscura opneemt. Geen idee, die hij telkens weer stempelt op een figuur, zonder dat daaruit een rechte levende eenheid worden wil. Ze is een Engels meisje. Ze gehoorzaamt ook niet aan de regel van Dickens om òf 'on the right side of things' òf aan de andere zijde te gaan staan. Ze is goed en toch slecht. Ze is slecht en toch goed.

Ofschoon Em'ly met Copperfield de hoofdpersoon van de roman is, staat ze toch niet middenin z'n leven. Ze staat er een weinig naast. Ik heb boven al een reden gegeven, waarom dit niet anders kon. Er is misschien nog een andere. Copperfield is een Adam Bede-figuur.10 Hij is, wat z'n tante noemt, 'natural, rational'.o Hij staat wat naast de diepten des levens. Dickens - en hier vul ik zijn naam in voor Copperfield - heeft deze wel gezien en ook beschreven, meesterlijk beschreven, maar zelf stond hij er ook een weinig naast. Hij heeft ze beter beschreven, dan waar hij het wezen doorzag, waar hij 'Wesensschau' kon uitoefenen. Hij heeft ze objectief beschreven en waar hij dat gedaan heeft en de dingen hun donkerheid heeft gelaten, daar is hij geniaal geweest. Daar heeft hij gezien dingen, waarvoor hij geen naam wist en die hij niet op formule kon brengen. Daar begint de theologie van de kunstenaar.

Het is juist daarom, dat de Peggotty-groep zich aftekent in Copperfield als een berg-massief. Hier zwijgt alle spot; zelfs de humor durft slechts zacht meespreken. Hier is de verwondering van een groot schrijver aan het woord, die vormen en gestalten ziet opkomen boven de vlakte van z'n eigen geest. Hier worden Schepping en Evangelie aangeschouwd, die hem dwingen de werkelijkheid en de waarheid te schrijven.

De karakters in de Peggotty-groep worden niet, zoals sommige andere, eerst als poppen opgezet, die dan langzamerhand leven beginnen te krijgen. Ze zijn geen produkten van een humoristische fantasie. Dadelijk, van het begin af aan, hebben ze een eigen leven, dat de schrijver slechts heeft te volgen. Ze worden volkomen in ernst genomen, van het begin tot het eind. Dickens leeft sympathiek hun leven mee. - Bij hen komt men ook niet de eindeloze herhalingen tegen, die bij andere personen zo opvallend zijn. Idiosyncrasieën, zoals die zo sterk opvallen bij Betsey Trotwood, bij Mrs. Micawber met haar 'papa and mama' en Mr. Micawber zelf, die z'n wezen altijd weer uitdrukt in het maken van punch en het tekenen van schuldbewijzen. Van dat alles is er bij de Peggotty's niets. Ze leven 'einmalig'. Ze treden in de historie van het boek niet op als manifestaties van een ideeënen geestenwereld, waarboven Dickens als schepper troont, maar vervullen hun lot en bestemming als werkelijke mensen iedere dag.

Daarom is de geest, die in deze figuren woont, nog een andere. Bij vele is de schrijver het zelf, die ze geest inblaast. We hebben er niet over te klagen, dat hij over te weinig geest beschikt. Hij heeft in overvloed. Maar Dickens kan tegen de Schepper zelf niet op. De Peggotty's zijn werkelijke mensen, wien God zelf de adem in de neusgaten geblazen heeft.

Reeds boven merkte ik op, dat dit ook blijkt uit het minder geheimzinnige, weiniger spookachtige van hun leven. Bij de Peggotty's heeft het ogenblik, het heden meer betekenis dan bij vele anderen. Het wordt daar minder uitgewist tussen verleden en toekomst. Dickens zelf was een zeer sensitieve natuur en had een sterk orgaan voor het occulte, zoals merkwaardigerwijze vele Angelsaksen. De Peggotty's leven meer in het licht van de dag en geven daarin blijk geen scheppingen van Dickens te zijn. Dickens' pen raakt hier het diepst de werkelijkheid aan.

Zo zien we dan in Em'ly een mensenleven uitgebeeld. Men merkt nog heel goed dat het Dickens is, die schrijft. Haar levensloop verdwijnt, na de zonnige jeugd, bijna geheel achter de schermen. Het zijn als schaduwen op een doek geworpen en daarvan afgelezen. Uit deze terughouding spreekt grote eerbied, die zou kunnen worden weergegeven met de woorden, waarmee hij Mr. Peggotty's aandacht beschrijft, als hij voor 't eerst weer van z'n nicht hoort: "he seemed to pursue her figure through the narrative, and to let every other shape go by him, as if it were nothing."p Zeldzaam hoog staat in dit opzicht de beschrijving of liever aanduiding van haar zielestrijd voor de vlucht. Copperfield passeert de deur van een kleine kamer, die donker was en had "an indistinct impression of her being within it, cast down upon the floor. But, whether it was really she or whether it was a confusion of the shadows in the room, 1 don't know now."q

In deze duisternis, waarin een mensenziel worstelt en die niet meer van deze wereld is en daarom niet beschreven kan worden, is een heiligdom aangewezen van nog andere orde dan dat, waarin Agnes wordt gezien, stijgende in geheimzinnig licht. Dat laatste is misschien de sfeer der engelen Gods. Het eerste is de donkerheid, waarin Christus is ingegaan om verzoening te doen achter het voorhangsel van het Heilige der Heiligen.

Voetnoten

  1. a

    Zie het fragment uit Dickens' brief aan zijn jongste zoon in J. Forster, The Life of Charles Dickens, 2 dln., Londen 1911, dl. 2, p. 420 v.: "... I put a New Testament among your books .... because it is the best book that ever was, or will be, known in the world↩

  2. aa

    Zinspeling op Hesiodus' leerdichten theokonia en Erga kai nmerai.↩

  3. b

    Zie Forster, a. w., dl. 1, p. 310: "As to the way in which these characters have opened out, that is to me one of the most surprising processes of the mind in this sort of invention. Given what one knows, what one does not know springs up."↩

  4. c

    J. H. Gunning, De christelijke roman, in Ernst en Vrede 4 (1856), p. 259.↩

  5. d

    Niet letterlijk gevonden. Vgl. H. Taine, Histoire de la littérature anglaise, 5 dln., dl. 5, Parijs 1878 (herziene druk), p. 1-66. De gedachte bijv. in p. 41 vv.↩

  6. e

    Vgl. Forster, a. w., dl. 1, p. 22-36.↩

  7. f

    Dante Alighieri, Divina Commedia, Inferno III, 1-9. Vgl. de slotregel: "Laat varen alle hoop, gij die hier intreedt."↩

  8. g

    Forster, a. w., dl. 1, p. 23. David Copperfield, hfdst. 1l; in de Clarendon-uitgave, Oxford 1981 (waaruit we hier steeds citeren), p. 132.↩

  9. h

    Forster, a. w., dl. 1, p. 35.↩

  10. i

    Ibid.↩

  11. j

    Copperfield, slot hfdst. 8, p. 104.↩

  12. k

    Forster, a. w., dl. 2, p. 115.↩

  13. l

    Copperfield, begin hfdst. 48, p. 589.↩

  14. m

    Shakespeare, Macbeth, act 1, scene 1.↩

  15. n

    Copperfield, hfdst. 15, p. 187 v.↩

  16. o

    A. w., hfdst. 25, p. 328.↩

  17. p

    Zinspeling op Goethe's Faust 1, Studierzimmer, vs. 1323.↩

  18. q

    Copperfield, hfdst. 42, p. 529.↩

  19. r

    A. w., hfdst. 42, p. 530.↩

  20. s

    Vgl. a. w., hfdst. 39, p. 490 v.↩

  21. t

    A. w., hfdst. 25, p. 313.↩

  22. u

    A . w., hfdst. 32, p. 395.↩

  23. v

    A. w., slot hfdst. 55, p. 681.↩

  24. w

    A. w., hfdst. 3, P. 3 1.↩

  25. x

    A. w., hfdst. 46, P. 575.↩

  26. y

    A. w., hfdst. 29, p. 372.↩

  27. z

    Vindplaats onbekend.↩

  28. a

    Forster, a. w., dl. 2, p. 108.↩

  29. b

    Copperfield, hfdst. 47, p. 584.↩

  30. c

    A. w., hfdst. 47, p. 585 v.↩

  31. d

    A. w., hfdst. 47, p. 584.↩

  32. e

    Zie a. w., hfdst. 32, p. 399-401.↩

  33. f

    Slotregels van Poems of the Imagination, nr. 8 (1804), opgenomen in The Poetical Works of William Wordsworth, E. de Selincourt ed., dl. 2, Oxford 1944, p. 214.↩

  34. g

    Copperfield, hfdst. 15, p. 191.↩

  35. h

    A. w., slot hfdst. 53, p. 658.↩

  36. i

    Zo bijv. in de slotzinnen van het boek: "So may I, when realities are melting from me like the shadows which I now dismiss, still find thee near me, pointing upward!"↩

  37. j

    A. w., hfdst. 52, p. 639.↩

  38. k

    A. w., hfdst. 34, p. 419.↩

  39. l

    A. w., hfdst. 62, p. 739: "... even out of thy true eyes, in that same time, the spirit of my child-wife looked upon me, saying it was well."↩

  40. m

    *Een prachtig voorbeeld van dit vermogen van de schrijver is het, als hij Mrs. Micawber van haar man laat zeggen, dat 'Mr. Micawber's abilities (are) peculiarly requiring space' (hfdst. 54, p. 662). Inderdaad! Homerus zou hem de brede Micawber genoemd hebben.*↩

  41. n

    Poems of the Imagination, nr. 8, in The Poetical Works of William Wordsworth, E - de Selincourt ed., dl. 2, p. 213.↩

  42. o

    Copperfield, hfdst. 19, p. 234.↩

  43. p

    A. w., hfdst. 46, p. 576.↩

  44. q

    A. w., hfdst. 30, p. 379.↩

Eindnoten

  1. 1

    N.'opstel Iets over Dickens verscheen in Eltheto 82 (1928) nr. 4, p. 97-1 10. Veel gegevens over Dickens ontleende N. hoogstwaarschijnlijk aan het werk van Dickens' vriend en biograaf John Forster (1812-1876), The Life of Charles Dickens (3 dln., 1871-1873, herziene uitgave 2 dln., 1876, welke in N.' bezit was). Charles J. H. Dickens (1812-1870), door velen beschouwd als een der grootste romanschrijvers van het Victoriaanse tijdperk. Na een armoedige jeugd werkte D. zich op tot journalist en schrijver. Veel vroege levenservaring verwerkte hij in zijn boeken. Bekendheid verwierf hij door de publikatie van zijn Pickwick Papers (volledige titel: The Posthumous Papers of the Pickwick Club), korte, humoristische teksten bij tekeningen die vanaf 1836 in maandelijkse afleveringen verschenen. Samen met A Christmas Carol (1843) en het semi-autobiografische David Copperfield (1850) wordt het tot D.' grootste werk gerekend. Kenmerkend voor D.' werken is een grote verbeeldingskracht, gevoel voor dramatiek en een buitengewoon observatievermogen. In de uiteenlopende karakters die hij tekende, hekelde hij de huichelarij en onverdraagzaamheid van zijn tijd.↩

  2. 2

    De Engelse letterkunde in de achttiende eeuw werd gekenmerkt door een verstandelijk classicisme, dat zich uitte in vormen als leerdichten en satires (o.a. Alexander Pope). Tegen het eind van de achttiende eeuw zette een romantische reactie in, waarin sentimentele gevoelens de vrije loop kregen. Het werk van romantici als James Macpherson en Thomas Percy kreeg grote invloed en werd o.a. vertaald en nagevolgd door Goethe en Herder.↩

  3. 3

    Zo bijv. met de zgn. 'debtors-prisons', gevangenissen voor mensen die grote financiële schulden hadden gemaakt. In zijn jeugd kwam D.' vader in een dergelijke gevangenis terecht, hetgeen diepe indruk op Charles maakte. Zie J. Forster, The Life of Charles Dickens, Londen 1911, di. 1, p. 18 v, D. heeft deze ervaringen -m. n. verwerkt in zijn tekening van de geschiedenis van Wilkins Micawber in David Copperfield.↩

  4. 4

    Zie voor Thackeray VW., dl. 1, p. 283, noot 14.↩

  5. 5

    H. Taine (1828-1893), Franswijsgeer, historicus en kunstcriticus, hoogleraar aan de Ecole des Beaux Arts (1864). In aansluiting aan het positivisme van Comte stond hij op het terrein van de literaire kritiek de toepassing voor van een wetenschappelijk determinisme. In de inleiding van Histoire de la littérature anglaise (4 dln., 1864, vanaf 1869 in 5 dln.) zegt hij dat de ontwikkeling van ieder kunstwerk bepaald wordt door drie factoren: ras van de kunstenaar, zijn milieu en de omstandigheden die hem bewegen (1e moment). T. had grote invloed, o.a. op schrijvers als Zola en Maupassant.↩

  6. 6

    Zie VW., dl. 1, p. 268 en 283, noot 13.↩

  7. 7

    Th. Hood (1799-1845), Engels dichter en schrijver van voornamelijk humoristisch werk. Evenals Maurice (zie VW., dl. 1, p. 148, noot 6) en Kingsley (zie VW., dl. 1, p. 51, noot 8) vestigde H. in zijn werk de aandacht op de uitputtende kinderarbeid in de mijnen en op de wantoestanden onder het hongerende naaisters- en kleermakersgilde, bijv. in zijn bekend geworden The Song of the Shirt (1843).↩

  8. 8

    Zie voor Wordsworth VW., dl. 2, p. 83, noot 7.↩

  9. 9

    E. Swedenborg (1688-1772), Zweeds natuuronderzoeker, natuurfilosoof en mysticus. S. had een aanzienlijke staat van dienst op het terrein van de natuurwetenschappen, toen hij in 1743 een religieuze crisis doormaakte, waardoor hij overging van de wetenschap naar de theosofie. In zijn leer neemt hij het bestaan aan van een rijk van geesten waarmee de mens, zelf een geestelijk wezen, in gemeenschap kan leven. Bekendste werk van S. is zijn Arcana coelestia (8 dln., 1749-1756), waarin hij de bouw van het heelal wil verklaren. Kant heeft S.s filosofie gekritiseerd in zijn Träume eines Geistersehers (1766). Aanhangers van S. hebben na zijn dood de 'kerk van het nieuwe Jeruzalem' opgericht.↩

  10. 10

    In de figuur Adam Bede tekende de Britse schrijfster George Eliot in haar gelijknamige novelle (1859) het karakter van een handwerkend, bekwaam man met een eenvoudig geloof, waarschijnlijk op basis van herinneringen aan haar vader. Zie voorts p. 38, noot 12.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Het begrip 'angst' bij KierkegaardInhoudOnverdacht getuigenis →