De grenzen der natuurwetenschap1
Er zijn verschillende takken van wetenschap, zoals er in het praktische leven onderscheiden vakken zijn. Het geheel der wetenschappen heet universiteit, dat is: geheelheid. De onderdelen heten faculteiten. De drie oudste zijn theologie, rechten en medicijnen. Later kwamen letteren en wis- en natuurkunde. Deze faculteiten waren gewoon in een universiteit, een geheel van ideeën en begrippen, te werken. De verhouding tot het praktische leven is bij alle vijf niet dezelfde. De drie oudste, theologie, rechten en medicijnen corresponderen met drie bekende ambten of beroepen in de Europese maatschappij, predikanten, rechters, artsen. Bij letteren en wisen natuurkunde is de verhouding tot de maatschappij minder direct.
De stof waarmee deze wetenschappen zich bezighouden is heel verschillend. Dat springt dadelijk in 't oog. En in verband daarmee werken zij ook met verschillende methoden. Voor die verscheidenheid van werkmethode moet plaats zijn in het geheel der wetenschap, de universiteit.
De invloed, die de verschillende faculteiten op het leven en de opvoeding hebben, is in verschillende tijden van ons werelddeel ook zeer verschillend geweest. In de Grieks-Romeinse oudheid liep het onderwijs uit op de retorica, de kunst van spreken. Een jonge man moest de regels kennen om in de volksvergadering invloed te oefenen op de politiek. Onder de Romeinse keizers heeft deze retoriek echter de aansluiting aan het praktische leven verloren. Wat wij er van overgehouden hebben is de faculteit der letteren, waarin het materiaal waarop de retoriek steunde, de geschiedenis en de fraaie letteren, behandeld wordt. Praktisch beoefent de Italiaan alleen nog een beetje de retoriek, terwijl de Fransman haar beoefent in zijn correct taalgebruik en zijn goede manier van schrijven.
De jongste van onze faculteiten, wis- en natuurkunde, heeft ook wel haar oorsprongen in het vroegere Europese cultuurleven, maar op meer verborgen wijze. Belangstelling voor de natuur was er al heel vroeg bij de oude Grieken. De zeven Griekse wijzen waren natuurfilosofen. Maar een strengere methode begint pas met de ontwikkeling van het mathematische denken. Wat er in de laatste tijd ontdekt is van en geschreven over de wiskunde in Plato's tijd, o.a. door een lector aan de Groninger academie,2 wijst op een merkwaardige bloei van dit vak reeds toen - 400 jaar voor Christus. Voor de opvoeding en algemene ontwikkeling echter had het vak toen nog geen grote betekenis. In een leerplan dat uitloopt op de welsprekendheid kan de kennis der natuur zich niet breed maken. Het is merkwaardig, dat 400 jaar na Christus de kerk, Augustinus, een lans breekt voor meer wiskunde in het leerplan.a De ontwikkeling der natuurwetenschap heeft natuurlijk nooit stilgestaan, maar in de samenleving blijft bijv. de meetkunde tot op de tijd van Pascal en Descartes een soort sport, puzzles waarmee men zich in de salons bezighield. Aanpassing aan het algemene leven, nodig voor een faculteit, bestond er onvoldoende.
Hierin kwam verandering door een snelle ontwikkeling van de mathesis en de natuurkunde in de zeventiende eeuw. Descartes droomde in zijn eerste jaren van een 'mathématique universelle', een wiskundige methode, toegepast op de hele wetenschap.b De snelle uitbreiding van het ervaringsmateriaal, door microscoop en telescoop, ging hand in hand met beheersing daarvan door het mathematische denken in de formule. De natuurwetenschap hield op een spelletje te zijn van besloten kringen en maakte zich op tot volle ernst en beheersing van de natuur. Maw. zij wordt nu pas werkelijk faculteit en krijgt een greep op het leven. Het is geen wonder dat zij wat overmoedig wordt en haar methode aan gebieden wil opleggen, waar zij niet toepasselijk is.
Reeds Descartes zag dit spoedig zelf in, maar het is de bekende Koningsberger wijsgeer Kant geweest die aanvankelijk weer enige orde op zaken gesteld heeft. Er ontstaat nl., wanneer een methode voor de ene wetenschap op een andere wordt toegepast, een grote verwarring. Een mooi voorbeeld hiervan, van verworden gebruik, levert het begrip grond. Bij de natuur noem ik de grond van een verschijnsel: oorzaak. Bij het denken moet de grond denkgrond of reden heten. Deze onderscheiding is van Kant.3 Schopenhauer deelt de werkelijkheid in vieren: het zijn, het worden, het denken, het willen. Vier verschillende werelden. Het zijn is de mathematische wereld. Het worden de natuur. Denken is het kennen. Willen is het handelen.4 De grond van een verschijnsel is in ieder dezer werelden weer heel anders. In de mathematische wereld is de gelijkzijdigheid van een driehoek niet de oorzaak van de gelijkheid der hoeken, maar eenvoudig de grond. In de natuur heet de grond: oorzaak. In het denken draagt hij de naam van reden. Bij het willen heet de grond: motief. Vier werelden, waarin de vraag naar de grond der verschijnselen een eigen behandeling en eigen methode vereist. Eén methode op alle vier toepassen leidt tot chaos.
Kant heeft hier orde trachten te scheppen onder de verschillende wetenschappen. In zijn beroemde Kritieken heeft hij eerst een theorie gegeven voor de ervaringen, die de natuurwetenschap behandelt. Hij wijst de regels aan, waaraan die ervaring gebonden is. Onze kennis van de wereld der natuur geeft geen afspiegeling van de dingen, zodat de dingen herhaald zouden worden, maar is gebonden aan de regels. Een ervaring, waarin die regels tot gelding komen, is waar en is algemeen geldig. Tussen ons en de wereld staat een soort raam en als wij iets van de natuur in ons bewustzijn willen opnemen, zijn wij aan de lijnen van dat raam gebonden. De stof der ervaring kan ons alleen bereiken als zij gaat liggen langs de lijnen van de ruimte en de tijd en langs die van oorzaak en gevolg. De wereld lijkt dan op een verzadigde oplossing van suiker of tin, waarin draden gespannen zijn, waaraan zich kristallen vormen. De oplossing heeft die lijnen nodig: zo kan er in de natuur geen ervaring zijn, er kunnen geen voorwerpen voor ons bestaan dan alleen volgens de regels der ervaring, de regels der ruimte, die van de tijd, die van oorzaak en gevolg. Op die manier is, zoals Goethe zei, al het 'Faktische', het feitelijke, al theorie.c Er zou geen feit zijn, als het de theorie niet gehoorzaamde.
Deze theorie van Kant is bedoeld voor de ruimtelijke wereld. De wereld waarin snelheden, tijden, zwaartekracht de componenten zijn. Kant heeft de kritiek van de geometrische begripsvorming gegeven; van de wereld van telescoop en microscoop; de wereld van Newton en Van Leeuwenhoek en de tussenliggende gebieden van de zinnelijke ervaring. De wereld der lichamen dus. Hij wees aan hoe eerst de voorstelling van de dingen en daarna het begrip daarvan tot stand komt. Hij gaf dus een theorie voor onze ervaring omtrent de voorwerpen, die ons in de natuur zijn gegeven.
Maar Kant deed meer. Hij gaf niet alleen een theorie voor de natuurlijke ervaring, waarin hij aanwees dat wij bij die ervaring onder een strenge tucht staan, zodat zo'n natuurlijke ervaring alleen waar genoemd mag worden als zij uitgespannen ligt in de lijn der geometrische ruimte, verloopt in de successie van de tijdslijn en daarbij hangt in de keten van oorzaak en gevolg. Maar Kant hield ook de hand hieraan, dat dit alleen geldt van deze geometrische ervaring. Hij leefde in de tijd van het rationalisme, dat berucht is geworden door de wijze, waarop het met het blote verstand van de natuurlijke ervaring uit conclusies trok voor elk levensgebied. Kants Kritik der reinen Vernunft wees al zulke 'paralogismen', zulk uit de band en uit de baan springen, af en wees met grote scherpte de plaats aan, waar de redenering feil ging. Hij liet zien dat, als wij door het raam van ruimte, tijd en causaliteit natuurlijke ervaring krijgen, wij dan ook aan die ervaring gebonden zijn. Wij kijken door dat raam in een bepaalde wereld. Of liever, wij zien de wereld dan van een bepaalde zijde. ⚑Wanneer ik de regels, volgens welke de geometrische ervaring ontstaat, van hun toepassing in de richting van die ervaring afbuig en er naast ga redeneren, een paralogisme bega, dan richt ik onheilen aan. Al zulke paralogismen brak de Koningsberger wijsgeer onbarmhartig af. Het'schoenmaker, hou je bij je leest' paste hij hardhandig toe. Wie de telescoop hanteert, moet op zoek zijn naar sterren en moet niet zeggen: Ik zie God niet, of: Ik zie Hem wel. Wie de microscoop gebruikt, moet er niet mee zwaaien in de richting van de moraal alsof hij het onderscheid tussen goed en kwaad ermee kon ontdekken of bestrijden. Maw. onze natuurlijke ervaring en onze natuurwetenschap liggen vast in bepaalde regels, die alleen daar gelden en waardoor deze natuurlijke ervaring ontstaat. Met die regels kan men uit dat gezichtsveld gaan, er naast. Dan ontstaat er geen ervaring. De morele ervaring, de religieuze ervaring, de esthetische ervaring ontstaan volgens heel andere regels; de apriori's, de vooronderstellingen, volgens welke de ervaringen daar ontstaan, dragen een heel ander karakter.
Daarom schreef Kant na zijn Kritik der reinen Vernunft, waarin hij de wereld der lichamen behandelde, zijn Kritik der praktischen Vernunft, waarin de motieven voor het menselijk handelen werden onderzocht. Ook hier vond Kant een regel in wat hij noemde de categorische imperatief: du sollst, gij moet. Of de morele wereld, die door Kant eenzijdig als de wereld der plichten werd opgevat, daarmee juist is beschreven doet er hier niet toe. Het is er mij hier alleen om te doen, te doen zien welk een groot verschil hier door de grote Koningsberger is aangewezen tussen een wetenschap waarin de vraag is, wat een ding is en hoe het is, en een andere waarin onderzocht wordt, hoe een gedrag niet is, maar hoe het behoort te zijn. Hier zijn grenzen die diep zijn ingegraven. Van de natuurlijke ervaring uit kan ik geen gevolgtrekking maken over de majesteit van de categorische imperatief, de eisen van het geweten. Wat goed en kwaad is, word ik op heel andere wijze gewaar dan de voorwerpen, die ik volgens de regels van ruimte, tijd en causaliteit waarneem.
Kant heeft in zijn beide andere Kritieken niet zulk een methodische scherpte bereikt als in zijn theorie der natuurlijke ervaring. Vandaar dat de vraag omtrent de grenzen der natuurwetenschap aan de orde is gebleven. De vragen zijn intussen ook wel enigszins verschoven. In de eerste periode van de moderne natuurwetenschap zijn het vooral de mathesis en de natuurkunde die algemene heerschappij proberen te krijgen. Ik sprak al van Descartes' mathématique universelle. Merkwaardig is ook, dat Spinoza zijn Ethica, zijn leer van het zedelijke leven, more geometrico heeft geschreven, in meetkunstige vorm. In later tijd, vooral de laatste tijd, zijn de biologie en de psychologie als natuurwetenschappen meer naar voren gekomen om aanspraken te laten gelden buiten hun eigen gebied. Men herinnert zich de furie die de ontwikkelingshypothese gemaakt heeft. De biologie brak in mijn studententijd in de ontwikkelingshypothese door alle dijken en overstroomde zelfs de theologie. Mijn Leidse leermeester Tiele5 gaf in zijn 'Gifford-Lectures' een voorstelling van de groei van de godsdienst volgens bepaalde wetten, analoog aan de natuurwetten.d Dit gaf heel foutieve constructies, die een zeer kort leven hebben gehad. In de biologie zelve is de ontwikkelingshypothese sterk ingedamd. Maar ook de psychologie, die door haar analyse (Freud, Adler e.a.) zoveel van zich heeft doen spreken, heeft zich hele sterke paralogismen veroorloofd, bijv. als zij de godsdienst uit de seksualiteit zoekt af te leiden. Daarom is er na Kant nog veel te doen overgebleven om de grenzen tussen de verschillende gebieden te handhaven en de overmoed van de jongste universitaire spruit te temperen.
Dat zulk een overmoed schadelijk is voor het evenwicht van ons denken en de harmonie des levens valt niet moeilijk in te zien. Huizinga heeft in zijn Schaduwen die schade in een aardige rekenkunstige reeks aangewezen. Als hij lette op drie functies der wetenschap: opvoeding, kennisverhoging en technische aanwending, dan schatte hij de verhouding tussen deze drie in een reden van 8:4:1. De functies der wetenschap kwamen de mensen ten goede in verhouding tot technische aanwending in een verhouding van 8:1. Voor onze tijd schatte hij de opvoeding op 2, de kennisverhoging op 16 en de technische aanwending ook op 16.e Wij zien voor onze ogen, dat hij niet geheel onjuist had gezien. Wat baat een wetenschap die, wanneer ik haar toepas, mijzelf tot een bruut maakt. Men zou geen recht hebben zich daarover te beklagen als men de hogere levensterreinen onderwerpt aan de grensoverschrijdingen en methoden van de lagere. Het natuurleven wordt dan verontmenselijkt en het mensenleven verontgoddelijkt.
Ik zei zopas, dat in de negentiende en de twintigste eeuw het vooral de biologie en de psychologie zijn die zich aan grensoverschrijdingen schuldig maken. Dit wordt niet alleen door moralisten en theologen beweerd, maar ook door vooraanstaande vakmannen. Wat de biologie betreft denk ik aan de Franse filosoof Henri Bergson.6 Zijn boeken L'Evolution créatrice en Matière et mémoire trokken omstreeks de eeuwwisseling de algemene aandacht. Bergson wijst aan dat ons verstand, als het het leven op het spoor wil komen, de verschijnselen niet in hun geheel laat. Het neemt ze uit elkaar en maakt ze dood om ze te kunnen begrijpen. Ruimte wordt niet genomen als een continuüm, waarin de ene plaats in de andere overgaat, maar de ruimte wordt opgelost in naast elkaar gelegen punten. Zo wordt de beweging, de tijd door het verstand tot in het oneindige verdeeld in elkaar opvolgende ogenblikken, zoals een stationsklok, die minuut voor minuut verspringt. De werkelijke tijd, de durée, kan het verstand zich niet denken. - Zo ook de derde categorie der ervaring, de causaliteit, waarbij het verstand elke nieuwe toestand uit een oudere afleidt, zodat tenslotte alles als gelijkblijvend wordt gedacht.
Bergson meent dat wij op die manier niet tot kennis van het leven komen. Hij vergelijkt het leven, de scheppende evolutie, met een vuurpijl die zich uit zichzelf ontwikkelt, een raket. Wat het verstand doet, wanneer het het leven bestudeert, vergelijkt hij met het bestuderen van de sintels die er overblijven als de raket is ontploft.f Bergson wil bij de bestudering van het leven de intuïtie te hulp roepen. Hij wil een denkmethode die de opgaande vuurpijl bestudeert. De ruimte is dan een continuüm. De tijd is een durée. De causaliteit is scheppend.
Hier is dus een biologisch verzet tegen een biologie die met geometrische middelen werkt, met de regels waarmee wij levenloze lichamen ervaren en bestuderen. Bergson komt er tegenop, als men het leven tegen de dood aandrukt, om het dan te bestuderen. Hij wil het volgen op de baan waarop het zich van de dood verwijdert. Maar dan moeten ruimte, tijd en causaliteit, de categorieën en de geometrische vormen der lichamen, ook anders worden gehanteerd.
Om hier meerdere klaarheid te scheppen heeft het de laatste tientallen jaren niet ontbroken aan pogingen om de verschillende methoden te onderscheiden en het werk van Kant voort te zetten.
Zo heeft men onderscheid gemaakt tussen natuurwetenschap en geesteswetenschappen. De eerste zou te doen hebben met de uitwendige ervaring, de andere met de inwendige, de bewustzijnstoestanden. Daaraan zijn echter nogal bezwaren verbonden, omdat bijv. de psychologie, die de inwendige ervaring bestudeert, ten dele ook natuurwetenschappelijk kan worden behandeld.
Beter is de scheiding tussen natuur en historie. Het onderscheid hiertussen wil ik enigszins breder behandelen. Daartoe moeten wij eerst de begripsvorming in de natuurwetenschap scherper belijnen. Om van de oneindig vele en ingewikkelde verschijnselen in de natuur een kennis te krijgen, die weer nieuwe kennis kan opleveren en die ons macht geeft over de natuur, past deze wetenschap een sterke vereenvoudiging toe. Dat moet wel, want met de verschijnselen zoals zij zich aan ons voordoen, met al hun kenmerken en gedragingen kunnen wij niets beginnen. De natuurwetenschap kiest met het oog op een bepaalde vraag, die zij beantwoord wil zien, enige eenvoudige gegevens uit en zet die naast elkaar in een reeks, maar zo, dat als mijn gedachte zich van de ene naar de andere begeeft en van deze andere naar een derde, er een licht voor ons opgaat omtrent een bepaalde vraag. Iedere leerling van gymnasium of burgerschool weet dat bij ondervinding, als hij om een vraagstuk op te lossen een vergelijking moet opstellen. Het komt er op aan om die elementen uit de gegevens er uit te kiezen, die voor de oplossing dienstig zijn. Het andere verwaarloost hij. Maar voordat hij aan de algebra toe is, doet de natuurkundige dat ook reeds met de aanschouwelijke gegevens. Descartes zoekt in zijn Les météores de verklaring van de regenboog.g Om daarin te slagen koos hij uit de oneindige veelheid van verschijnselen die de natuur aanbiedt er drie uit: zonnestralen, regendruppels en straalbreking. Wanneer men die in een reeks verbindt wordt de x, de regenboog, opgelost. Als de gedachte zich langs deze reeks beweegt ontstaat er licht. Het denken gaat vonken. Maar voor het uitkiezen van zulke verschijnselen en het samenvoegen van juist deze drie is intuïtie nodig. Wat iedere natuurlijke ervaring reeds meer onbewust is, het samenvoegen van het gegevene volgens bepaalde regels (Kant), dat gebeurt hier meer bewust. Wetenschap is een scheppende ervaring, die niet voor ieder te maken is. Maar toch zo, dat, wanneer zij eenmaal gemaakt is, zij voor iedereen geldig is.
Nog in een ander opzicht gaat de 'natuurwetenschappelijke ervaring boven de gewone natuurlijke ervaring uit. De gewone logica werkt met algemene begrippen, waarin dragers van bepaalde kenmerken worden samengevat. Het begrip paard vat alle paarden samen, het begrip mens alle mensen. Nu ga ik in de gewone logica aldus redeneren. Bijv: alle mensen zijn sterfelijk; Socrates is een mens. Derhalve, conclusie: Socrates is sterfelijk. Maar daarmee heb ik geen nieuwe kennis gekregen. Ik ga er niet mee buiten de kring van de ervaring. En die ervaring is beperkt. Het natuurwetenschappelijk oordeel echter lost een onbekende op en tegelijk is het een wet, die geldt voor gevallen die buiten onze ervaring liggen. De gewone logica geeft een classificatie van het bestaande. De natuurwet wil de noodwendige betrekking tussen sommige elementen van het bestaande aanwijzen, maar wil dan ook absoluut algemeen-geldig zijn voor iedere ervaring onder dezelfde voorwaarden. De natuurwetenschap geeft een classificatie met het oog op een theorie. De gewone logica doet het met het oog op de ervaring. Toen Newton een appel op z'n hoofd kreeg, redeneerde hij niet: alle rijpe appels vallen naar beneden, dit is een rijpe appel, dus: deze appel valt naar beneden. Had hij dat gedacht, dan had hij zich omgedraaid en was weer gaan slapen. Maar nu zocht hij een theorie tot hij de wet van de zwaartekracht vond. Nu redeneert hij: beneden mij is een grote bal die op z'n plaats blijft. Boven mij was een kleine bal, die naar de grote toekomt. Hier werkt dus een kracht, waardoor de grootste't van de kleinste wint. Zo vond hij z'n wet.7 Een wet die niet op classificatie van de ervaring berust, maar die wil gelden als regel voor de ervaring heel in 't algemeen buiten de ervaring om, voor 't hele zonnestelsel en daarbuiten.
De natuurwetenschap heeft dus iets scheppends. Wij zagen dat de natuurlijke ervaring, die wij niet bewust scheppen, reeds theorie bevat. Maar dat weten wij zelf niet. Reeds heel vroeg als kind hebben wij de theorie van ruimte, tijd en causaliteit ingestudeerd. Maar in de natuurwetenschap zijn wij uit op nieuwe kennis en nieuwe theorieën. Daarvoor groeperen wij sommige elementen van onze ervaring met het oog op een theorie, die intifitief bij ons oplicht.
Het is duidelijk dat de natuurwetenschap deze noodwendigheid, deze gelding, deze algemeenheid, duur moet betalen. Zij moet de ervaring reduceren op een zeer klein percentage. Zij zoekt de ervaring op te lossen in haar eenvoudigste componenten, die het denken 't minst in verwarring brengen. Kwaliteiten zijn voor dat denken moeilijk te hanteren, daarom liefst kwantiteiten en die kwantiteiten liefst homogeen, een reeks van gelijke grootheden, die dan mathematisch bewerkt kunnen worden. De aanschouwelijkheid van de gewone ervaring gaat daarbij verloren. De mechanica wordt de grens waarheen het natuurwetenschappelijk denken wordt gedreven. Natuurlijk kan deze grens niet worden bereikt. Natuurkunde, chemie, biologie, psychologie kunnen nooit helemaal mechanisch worden. Er blijven hier kwalitatieve en historische bestanddelen over. Maar de strekking, de behoefte aan theorie, drijft toch, zoals wij kort geleden nog in de interessante lezing van de heer Mulder8 hoorden en zagen, zelfs in de biologie heel sterk in de richting van de mechanica, zodat men zich het ontstaan van leven zou willen voorstellen als bewerkt door de stoot van een deeltje, wat voor de biologie neerkomt op een: ignorabimus,9 wij zullen het nooit weten.
Wanneer wij ons bewust blijven van het feit, dat wij in de natuurwetenschap ontzaglijk abstraheren van de werkelijkheid, reusachtig vereenvoudigen en sterk generaliseren, dan is tegen zo'n methode niets in te brengen. Tegen de methode is niets in te brengen, voor zover zij een historisch feit is . Deze wetenschap heeft historische rechten. Men kan er niet van terug. Haar denken is noodwendig.
Toch moet men weten wat men doet. In de uren dat ik haar beoefen maak ik mij los van de aanschouwelijke werkelijkheid. Ik experimenteer dan en denk na in de lijn van een heel zwak extract van de complete schepping. Ik werk in een mijn waar de zonnestralen niet kunnen binnendringen. ik doe daar goed en nuttig werk, maar als ik klaar ben keer ik terug tot de wereld der klanken en kleuren als kwaliteiten en variëteiten der schepping. Van de Nachtansicht keer ik terug tot de Tagesansichth (Theodor Fechner).10
Tegenpool van de natuurwetenschap is daarom die der historie, waarin de figuren ons tegemoet treden in 't volle ornaat van hun individualiteit. Hier abstraheren wij niet. 't Is ons bij Augustinus of Bismarck niet om de mensen te doen, maar om de mens Augustinus en Bismarck. Wij generaliseren niet. Wat voor Augustinus en Bismarck geldt, geldt niet voor Jan, Piet of Klaas. Niet wat volgens een wet altijd gebeuren moet wil ik weten, maar wat toen eenmaal gebeurd is. Het is ons nu om de waarde te doen. Het zijn de historische cultuurwetenschappen die tegenover de natuurwetetischappen staan.
Als grens van de natuurwetenschap vinden wij dus dat wat één keer gebeurt, in de werkelijkheid gebeurt, het individuele. Aanschouwelijk kan de geschiedenis haar gegevens evenmin maken als de natuurwetenschap. Ze moet ook vereenvoudigen, maar zij doet de individualiteit van haar onderwerp niet teniet. Zij arbeidt de individualiteit uit de stof naar voren.
Individuen bestaan ook in de stoffelijke wereld. Dingen die grote waarde hebben krijgen soms ook eigennamen. De waarde schept hier het individuele en historische. Ook bij personen bestaat het individuele in een betrekking op een bepaalde waarde. De geschiedenis doet een keus tussen de individuen met het oog op bepaalde waarden. Willem III, onze beroemde stadhouder, is historisch geworden door zijn verhouding tot het evenwicht in Europa tegenover Lodewijk XIV en tot de zaak van het protestantisme. Bismarck in verband met de eenheid van Duitsland. Plato ontleent zijn betekenis aan zijn verhouding tot de Europese wijsbegeerte. Paulus aan zijn betrekking tot Jezus en het Evangelie. Augustinus kreeg een grote plaats in de historie door zijn betekenis voor het Europese kerkelijke en culturele denken. Luther aan de Reformatie.
In de historische wetenschap komt het er op aan deze verhouding tot een hogere waarde tot klaarheid te brengen. Het individuele, dat eenmaal is voorgekomen en niet herhaalbaar is, moet scherp worden uitgesneden. Een tweede Paulus, een tweede Plato, een tweede Willem III komt er toch niet. Niet om de herhaling, zoals in de natuurwetenschap, om een wet is het te doen, maar om wat eenmaal is geschied en maar eenmaal gebeuren kan.
Daarom is het onjuist als men historische figuren zou proberen te verklaren met methoden uit de natuurwetenschap. Natuurlijk kunnen historische figuren ook natuurwetenschappelijk behandeld worden. Men kan hun schedels meten. Zij kunnen betekenis hebben voor de pathologie. Men kan ze van medische zijde benaderen, bijv. de hartslag van Napoleon, die abnormaal langzaam was, 40 in de minuut. Het astma van Willem III; de epilepsie die sommigen aan Paulus toeschrijven. Men kan zo bovenal psychologisch beschouwen. Maar dat is alles geen historische verklaring. Al die natuurwetenschappelijke verklaringen gaan op generaliseren uit: het individuele wordt tot algemene regels teruggebracht. Het wordt vereenvoudigd met het oog op een wet. Het wordt teruggebracht tot lagere factoren.
In een cultuurwetenschap moeten wij dat alles juist niet hebben. Dat zou zijn als wanneer een mijnwerker, als hij uit de mijn thuiskomt, met zijn houweel thuis de meubelen zou gaan behandelen. Zijn methode in de homogene stof van de steenkool is zeer onpassend voor de behandeling van de individuele gestalten van zijn huisraad. Zo heeft de historie haar eigen begripsvorming die er juist op uit is niet te generaliseren, de betekenis van het historisch individu te verklaren uit z'n verhouding tot een hogere waarde, een hogere macht en niet uit het lagere; nadruk te leggen op wat eenmaal gebeurd is, het onherhaalbare.
Wanneer de Engelse geschiedschrijver Macaulay de figuren van de veldheren Luxemburg en Willem III beschouwt, dan wijst hij op hun lichamelijke inferioriteit. Luxemburg een hoogruggige dwerg. Willem III een astmatisch geraamte.i Als goed historicus leidt hij daaruit echter niets af, maar juist omgekeerd laat hij het unieke en individuele van hun figuren daardoor te beter uitkomen. Paulus kan epilepticus geweest zijn. Maar dat verklaart niets voor zijn plaats in de historie. Er zijn vele epileptici, maar er kwam slechts één Paulus voor. Generaliseren - en daarom gaat het toch in de natuurwetenschap - kunnen wij hier toch niet. Wij zijn met Paulus in de historie, de cultuur en niet in de natuur.
De natuurwetenschap is in de nieuwere geschiedenis een geweldig verschijnsel. Zij was aanvankelijk een spel: interessant, boeiend. Maar zij bleek een bovenpersoonlijke macht, het is ernst geworden. Hebben wij met vuur gespeeld? Als wij zeiden: ja, dan zou ons dat niet helpen. Ook al zien wij met Huizinga dat de verhouding tussen opvoeding, kennisverhoging en toepassing zeer ongunstig verschuift ten opzichte van onze eigen opvoeding, en dat de toepassing ons leven individueel verlengt, maar in massa dreigt te vernietigen, dan gaat de zaak toch door. Ik heb voor de oorlog wel mensen gesproken, op conferenties, uit de Philipsfabrieken, voor wie het een gewetensvraag werd of zij verder mochten werken. Men denke aan een gasoorlog. En toch werkten zij verder. Zij moesten wel; maar ook al hadden zij gestaakt, de chemie zou toch verder zijn gegaan. Wetenschap is bovenpersoonlijk. Men kan ze niet willekeurig stopzetten.
Wie echter ziet wat een wetenschap met een scheppend vermogen, die volgens bepaalde regels nieuwe ervaringen aan ons leven kan toevoegen, in mensenhanden kan uitwerken, die mag dat niet meer beleven zonder bezinning. Er loopt iets mis. "Wij leven", schreef Huizinga, "in een bezeten wereld."j Dat komt ook maar niet weer vanzelf in orde. Er is omkeer nodig. Niet straffeloos kan het cijfer voor opvoeding, voor het innerlijk leven, zo laag dalen tegenover de toepassing, het uiterlijke leven. Daarbij gaan wij zelf eerst moreel en daarna fysiek te gronde. Eerst gaat het menselijke, de betrekking tot een hogere waarde, het individuele, te gronde. Er is geen geschiedenis meer, geen cultuur. En als de theologie voor de biologie is uitgeruild, de geschiedenis voor de sociologie, het individuele voor het massale, dan gaat het proces verder in de richting van de mechanisering en daarmee gaat het leven dan ongemerkt in de dood over.
Ik geloof niet dat dit onze toekomst is. Niettegenstaande Oswald Spenglers Untergang des Abendlandes. De natuurwetenschap met haar mechanisering, die niet alleen onder de microscoop het leven op de grens van de dood ziet komen, maar ook het innerlijk geestelijk leven, het cultuurleven, eindelijk het fysieke leven, deze wetenschap is een bovenpersoonlijke macht. Maar er zijn meer bovenpersoonlijke machten en hogere. Mensen hebben daartoe steeds een verhouding gehad en die verhouding beweegt de historie en schept cultuur. Met een handomdraai is dat niet te doen. Toen het nog een spelletje was, had men 't kunnen staken. Nu de technische toepassing er is, kan men niet terug.
Maar de bezinning is steeds mogelijk. Het is niet aan te nemen dat de mensheid uiteindelijk haar hart zou verpanden aan generaliseren en mechaniseren en de homogene veelheid tenslotte liever zou hebben dan de individuele veelheid, de bontheid en kleur der historie. Welk genot en welke winst geeft het als men met natuurwetenschappelijke wapenen in de historie gaat huishouden om zoveel mogelijk alles te nivelleren, alle grote figuren naar beneden te halen door ze zgn. te verklaren op een wijze waarbij hun verhouding tot een hogere macht, een hogere idee, een hogere waarde buiten beschouwing wordt gelaten.
Ik verwacht dat de ervaringen die wij meemaken, zullen meewerken tot een bezinning.