Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Jaren Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 4, p. 247–300

Weergave
Passages naar Readwise sturen

Kronieken in Woord en Wereld1

A. Kroniek februari 1939

Wie, zoals ik, de herinnering bewaart aan jarenlange lectuur van de Kroniek van dr. A. W. Bronsveld, in de Stemmen voor Waarheid en Vrede,2 is daardoor gevrijwaard voor een overmoedig opnemen van de pen, om onder dit hoofd iets te gaan schrijven. Men zou een andere titel willen kiezen om te ontkomen aan het gevoel, dat men het genre toch niet aankan. Want de titel klinkt mij niet in de oren als een uitnodiging, maar bijna als een verbod. Hij heeft voor degenen die niet meer tot de jongeren behoren een zo persoonlijke klank, dat zij onwillekeurig bij het aantreffen van deze rubriek, in welk tijdschrift ook, en hoe verdienstelijk ook verzorgd, iets zoeken dat zich maar niet meer wil vertonen. Ik bewaar in mijn boekenkast een jaargang van de Stemmen, om, als ik wil, in de gelegenheid te zijn nog eens weer te lezen, op welk een onnavolgbare, echt en nog eens echt Hollandse manier de man, wiens koekoekklok ik op mijn studentenkamer kon horen slaan, de gebeurtenissen van de dag besprak. Beets en Bronsveld zijn Nederlandse predikanten, geweest. Welk een fijn soort!

In deze rubriek mogen gelukkig niet alleen feiten en jaartallen, maar ook personen besproken worden. Dr. De Hartog is niet meer. Dat wil slechts heel langzaam tot mij doordringen. Het leven van dit vitale kind Gods, deze reus naar lichaam en geest, schijnt ons toe nog in het midden van zijn dagen te zijn afgesneden. En toch had hij de leeftijd der sterken bijna bereikt.

Toen ik in de tachtiger jaren leerling was op het christelijk gymnasium te Zetten, verscheen daar op de jaarfeesten van de instelling als curator somtijds een man van hoge statuur met lange lokken, die een sterk geladen fluïdum rondom zich droeg, waarvan men als jongmens op afstand de inwerking gevoelde. Reeds wanneer hij rustig pratend naast de directeur de omgeving van het internaat afschreed werd men opmerkzaam op het uitzonderlijke van zijn figuur en wezen. Maar als hij dan aan de feesttafel door speech en gebaar de sfeer van de Dies in beweging bracht en de gereformeerde ernst, de leerstellige deftigheid van omstreeks 1886 door het ritme van zijn muzikale ziel uit de voegen bracht en door zijn ietwat weemoedige humor met menselijkheid laadde, dan wist men dat daar stond wat de oude Hebreeën een 'gibboer chajil' noemden, iemand die uitstak boven het gewone volk.

Dat was de vader van dr. De Hartog, destijds hoogleraar aan de Vrije Universiteit.3

Ruim tien jaar later zag ik in de collegezalen van de Utrechtse universiteit de zoon verschijnen. Het evenbeeld van zijn vader kon men hem niet noemen. Het fenomeen van zijn menselijkheid was een geheel ander. Maar in één opzicht was er gelijkheid. Ook bij hem viel dadelijk het uitzonderlijke op; een meerderheid, die zich aan zijn omgeving niet op gewone, zedelijke wijze oplegde, maar directer, dynamisch, bijna demonisch, zodat het gewone verkeer er door in gevaar werd gebracht, soms onmogelijk gemaakt. In mijn verbeelding zie ik hem een bank geheel alleen vullen of op avonden om de hoek van een straat komen, waarbij hij, ook al was hij in gezelschap, het verkeer vormde.

Een gewoon student is De Hartog zeker niet geweest. Alles was in gisting bij hem in die jaren. Bij wijze van interruptie op de colleges gaf hij zijn eerste, nog wat teruggehouden getuigenissen. Op een studentenkamer op de Oude Gracht, waar conventikel gehouden werd, werkte hij zich al disputeren,d in de kring in, zonder er in thuis te raken. Hij had, bij alle zin voor aansluiting en gezelligheid, behoefte aan ledige ruimte om zich heen, waarin hij zijn eigen verkeer kon hebben met de ideeën die om hem heen zwermden. Toen ook vooral heeft hij die metafysische kelder in zich zien uitbouwen, waaruit hem, zwaargewicht-bokser die hij was, die diepte-argumenten werden aangereikt, waarmee hij later in het heetst van het publiek debat of op de hoogtepunten van een bijna extatische bezieling, met onfeilbare zekerheid werd bediend. In deze jaren heeft hij ook ervaringen gehad van nog meer mystieke aard, waarover het alleen iemand zelf toekomt om er van te zwijgen of te getuigen. Het zijn deze ontmoetingen, die het laatste geheim zijn van de zegen, die zijn leven gebracht heeft en van de glansen, die er om zijn levensdag hebben gespeeld.

Ik kan hier geen levensschets geven van de pas ontslapene. Hij is in den lande ook zo bekend geworden, dat bijna ieder zich een eigen beeld van hem kan vormen. De levensverschijning, het fenomeen-De Hartog, trekt ook meer de aandacht dan de levensloop. In twee houdingen zie ik bovenal zijn tekening. En men weet niet te zeggen, welke de belangrijkste was. De eerste doet ons hem zien, zoals hij een groot gehoor in de boei sloeg. Op het hoogtepunt van zijn kunnen is het vermogen om dat te doen overweldigend geweest. Hier heeft zich dat directe, dat boven het redelijke en zedelijke uitgaande beslag op anderen, waarover ik boven sprak, bijwijlen tot titanisch geweld ontwikkeld. De tweede stelt hem heel anders voor; juist andersom. Dan is bij de man die elke wapenrusting, alle dialectiek heeft afgelegd en die het hart van de broeder of de zuster in eenzaamheid of nood weet te binden in gemeenschap of te zalven met wondere troost. Voor beide ambten, het publieke en het verborgene, had De Hartog zijn eigen charismal zijn eigen taaleigen ook.

Want De Hartog had iets van de Pinkstergave. Hij kon in tongen spreken, voor ieder in zijn eigen taal en voor allen samen. Zijn ideeën traden op in eigen bekleding en de taal voegde zich, wanneer hij haar dwong het elementaire te zeggen, dat hij uit de diepte te voorschijn bracht. Maar voor de verborgen omgang met God en de broeder had hij een eigen dialect, een soort moedertaal des Geestes, een tale Kanaäns in de goede zin des woords. De woorden kregen dan bijna een eigen verbuiging en de werkwoorden een eigen vervoeging. De zinnen ontvingen een zekere ronding, een syntaxis, die men nergens anders zo kon beluisteren. Er kwam haast en snelheid in de woorden, die dan onverwacht een hoek omsloegen om met vaart verder te gaan, zoals hij zelf dat als student placht te doen in de straten van Utrecht. Soms was het dan plotseling uit, de toespraak of het gebed, zoals ook zijn leven onverwacht is afgebroken. Hij en anderen met hem stonden dan voor de Eeuwige.

De loopbaan en het werk van dr. De Hartog zijn dus wel zeer persoonlijk of niet persoonlijk geweest, naar dat men het nemen wil. Te persoonlijk voor het gewone verkeer in de meeste gevallen. Maar berekend op verkeer in een hogere macht. In die vorm zal hij blijven doorwerken.

Wanneer hij zelf soms graag sprak over zijn logische kop of de steeds groeiende reeks zijner werken, dan valt het niet te verwonderen dat niet ieder daarvan zo diep onder de indruk wilde komen als hij dat zelf vaak hartstochtelijk begeerde. In academische zin is zijn opus niet zo omvangrijk als het lijkt en de logica is niet tot een rijk bewerktuigd organon geworden. Daarvoor stond De Hartog op de denklijnen te zeer vol ongeduld te trappelen en was hij te bereid om zich te wenden tot de inkeer. Zijn opus was naar deze maatstaf gezien - gereed na het schrijven van zijn Heilsfeiten en De redelijkheid der religie,a samen met de eerste jaargangen van Nieuwe Banen.4 Naar aanleiding van deze publikaties heb ik reeds in 1910 in Stemmen voor Waarheid en Vrede een artikel gegeven over Het getuigenis van dr. De Hartog.b Mede als een der eersten heb ik daarin op de betekenis van deze geweldige getuige opmerkzaam gemaakt. Het contact, dat ik met hem had gehad als student, toen ik menige zondagmiddag met hem de omgeving van Utrecht heb doorkruist, had mij daartoe voorbereid. - Later heb ik nog wel eens een of ander van zijn boeken gerecenseerd.5 Maar geen aanleiding gevonden om op wat ik nu zijn systeem wil noemen, terug te komen. Dit laatste was voor mij een modus, een manier van zijn getuigenis. Het getuigenis wies, het systeem bleef gelijk. Alleen als modus wies het met het getuigenis mee, samen met de taalschat.

En nu is dr. De Hartog niet meer. Op het orgel der Evangelieprediking in onze kerk werden een machtige pedaalstem, een kosmische bourdon en een echt menselijke fluit, een herdersfluit, tegelijk en voorgoed ingeschoven.

Een tweede sterfgeval heeft de aandacht van heel kerkelijk Nederland getrokken. Dr. Smit,6 de voorzitter der synode van de Nederlandse Hervormde Kerk, zal de vergaderingen van dit bestuur niet meer leiden. Hij was, evenals zijn voorganger dr. Weyland,7 een kerkelijk regent in de goede zin des woords. Hij had de gave vergaderingen te leiden, niet enkel door het handhaven van de goede orde, maar ook door een welgevestigde eigen mening. Deze vond altijd steun in een brede belezenheid en een helder inzicht.

Een nieuwe richting heeft hij aan het leven der kerk als bestuurder niet helpen geven. Op het stuk van kerkregering was hij geneigd tot grote voorzichtigheid.

Wie aan het getuigenis van dr. De Hartog denkt, wordt er aan herinnerd, welke mogelijkheden en middelen aan een kerk geschonken zijn die, zoals de Hervormde Kerk in Nederland en de gereformeerde kerken in 't algemeen, de prediking in het middelpunt van de dienst heeft gesteld. Rome kent haar ook wel, maar ze heeft daar geen centrale betekenis. Ze wordt er vaak enkel voor zedelijke en culturele doeleinden gebruikt. Het is een vulstem in de mis. Een goede hervormde preek raakt de gronden van het leven en oordeelt tegelijk hart en nieren.

Wie dit weet zal niet al te haastig meegaan met een liturgische beweging, die de strekking heeft de homilie tegenover de liturgie wat fors terug te zetten en aan een soort altaar de plaats te geven, die bij ons de kansel had.8 Ik weet wel wat men van die zijde daarop zeggen zal. Men zal opmerken, dat het niet allen koks zijn, die lange messen dragen. En dat met die lange messen het Woord Gods, zoals men dat soms noemt, niet altijd zo gesneden wordt als een profetische figuur als dr. De Hartog dat kon doen. - Dit is waar; maar toch handhaaf ik mijn opmerking.

Wij beleven een tijd, waarin de christelijke mening en de stem der kerk gevaar lopen aan banden gelegd te worden. Dat is de hachelijkste omstandigheid in de christenheid, die er valt op te merken. Wanneer de Evangelieprediking op de een of andere wijze rondom een zichtbaar of onzichtbaar altaar gewonden wordt; als de liturgie een gesloten geheel wordt, dat in zichzelf af is, met een eigen leven en een eigen adem; als de preek niet kosmisch mag daveren over het leven en pastoraal mag strijken over de gemeente, dan komt ons liturgisch streven de tijdgeest in het gevlij.

Rome gelooft ook nu nog aan een harmonische bouw van het mensenleven en houdt ons voor pessimistisch, omdat wij zo grote nadruk leggen op de dissonanten tussen kerk en staat, die thans zo duidelijk openbaar worden. Rome kan dat alleen, voor zover het liturgisch en priesterlijk denkt en in de buurt van het altaar blijft. Zodra het zich Augustinus en zijn pastoraal, Africaans episcopaat, dat in de Islam zoek raakte, herinnert, weet het wel beter. Alleen wanneer de prediking een rechte, vrije loop heeft, zodat ze met de gemeente de kerkdeuren kan passeren, zal onze godsdienstoefening een zout kunnen blijven om verderf te weren en de mensen te troosten.

Dezer dagen bereikte ons een circulaire van de Evangelische Maatschappij,9 waarin gewezen werd op de gevaren, die het protestantisme in Nederland bedreigen. Gewezen werd o.a. op de door De Nederlander bestreden, maar door het Algemeen Weekblad voor Christendom en Cultuur gehandhaafde 52% roomse schooljeugd. Over die procentsverhouding wil ik hier niet meespreken. Ook buitendien is de wassende invloed van Rome in het maatschappelijke en politieke leven van ons land wel duidelijk genoeg. Prof. Visscher zoekt de kleine partijen samen te brengen tot een protestants front tegen rooms en rood.10

Wie deze onrust deelt moge er zich over verwonderen, dat men nòch in de Evangelische Maatschappij, nòch in de redactie van Algemeen Weekblad, nòch onder de geestverwanten van prof. Visscher warm is voor het enige middel dat ons sterker kan maken tegen Rome: een reorganisatie van de Hervormde Kerk. Antipapisme is op zichzelf een negatieve beweging en voor zover het positieve actie beoogt, buiten het kerkelijk leven om, in vele gevallen niet veel sympathieker dan antisemitisme. Alleen als de Hervormde Kerk als volkskerk vrij werd van haar ongereformeerde organisatie en in brede zin haar ambtelijke dienst mobiel kon maken, zoals Rome daartoe gelegenheid heeft, alleen dan zouden beide als gelijken tegen elkaar over komen te staan. Zoals het nu gesteld is, moet onze kerk onder zware handicap doen, wat Rome met z'n geperfectioneerde organisatie onder veel gunstiger omstandigheden verricht.

Dat men dat, ook waar men het gevaar met de vinger aanwijst, niet ziet, is mij een raadsel. Met welke middelen zou men Rome anders willen bestrijden, dan met zuiver geestelijke? Of wil men, waar men voor eigen mensen een kerkelijke regering al te streng en te materieel vindt, tegenover anderen, waar het toch ook een godsdienstige overtuiging geldt, met grovere middelen te werk gaan? - Ik zie niet hoe men zich voorstelt hier iets te kunnen bereiken, zonder de zaak in het hart aan te vatten en onze kerk weer naar haar aard en wezen te laten optreden. ⚑Het reorganisatie-voorstel is nog aanhangig. Dat is alles wat men er van zeggen kan. De synode droeg de synodale commissie op, de zin van de adviezen tegen het ontwerp te overwegen, in overleg met de gezamenlijke kerkelijke hoogleraren. Deze commissie heeft op haar beurt deze taak overgedragen aan de kerkelijke hoogleraren mèt de H.H. prof. Aalders en ds. Gravemeyer. Daartoe zal in maart een eerste vergadering worden gehouden.11

De handen der voorstanders van dit Ontwerp zijn min of meer gebonden, omdat het niet bepaald is verworpen. Dat is het fatale van de situatie, waarop ik in een artikel in Onder eigen Vaandel heb gewezen.c

Intussen is er een zekere onrust aan 't groeien en vraagt men zich af of lijdelijk afwachten onder de langzame gang van zaken verantwoord is. De Nederlander heeft er nog juist op gewezen, dat een groot deel van de misère in de Duitse kerkstrijd te wijten is aan gebrek aan ervaring bij de ambtsdragers ten opzichte van kerkregering.d Tot onze grote schade moeten wij zeggen, dat wij er - in een gereformeerde kerk - ook aan ontwend zijn, nadat onze voorzaten daarin een voorbeeldige oefening hebben gehad.

Er is periculum in mora!

B. Kroniek april 1939

De Heere regeert, de aarde verheuge zich; dat vele eilanden zich verblijden.

Rondom Hem zijn wolken en donkerheid; gerechtigheid en gericht zijn de vastigheden zijns troons.

Een vuur gaat voor zijn aangezicht heen, en steekt zijn wederpartij en rondom aan brand.

Zijn bliksemen verlichten de wereld; het aardrijk ziet ze, en het beeft.

De bergen smelten als was voor het aanschijn des Heeren, voor het aanschijn des Heeren der ganse aarde.

De hemelen verkondigen zijn gerechtigheid, en alle volken zien zijn ere.

Beschaamd moeten wezen allen, die beelden dienen, die zich op afgoden beroemen; buigt u neder voor Hem, al gij goden!

Sion heeft gehoord, en het heeft zich verblijd, en de dochteren van Juda hebben zich verheugd vanwege uw oordelen, o Heere!

Want Gij, Heere! zijt de Allerhoogste over de gehele aarde; Gij zijt zeer hoog verheven boven alle goden.

Gij liefhebbers des Heeren! haat het kwade; Hij bewaart de zielen zijner gunstgenoten, Hij redt ze uit der goddelozen hand.

Het licht is voor de rechtvaardige gezaaid, en vrolijkheid voor de oprechten van hart.

Gij rechtvaardigen! verblijdt u in de Heere, en spreekt lof ter gedachtenis zijner heiligheid (Ps. 97 - st.v.).

Deze machtige psalm is door de oudtestamentische kerk gezongen. Dat is lang geleden en de wereld heeft sedert vele veranderingen ondergaan. Wereldrijken zijn opgekomen en ondergegaan. Godsdiensten zijn ontstaan en vergaan. Maar de psalm staat nog. En aan het einde van maart 1939 geeft hij nog rust aan allen die hem lezen of zingen.

Die rust heeft men nodig om over de gebeurtenissen van de dag te kunnen schrijven. Men kan dat niet doen zonder te merken dat ze op een verborgen wijze met elkaar samenhangen. De ⚑kleine dingen krijgen een andere en hogere betekenis; zij gaan delen in de oordelen Gods die over de aarde gaan en krijgen meer betekenis dan men er anders misschien aan zou toekennen.

Maar wat is groot en wat is klein?

Deze korte psalm, gezongen in een kleine kerk in een klein land, heeft al zijn macht en verve nog; en al het gedruis dat daarnaast de wereld vervulde is verstomd.

Het is in het licht van deze dingen dat ik nu ook wil zien een der feiten van de dag. Ik bedoel de oecumenische bijeenkomst in de Aakerk te Groningen, waar roomsen en hervormden samen de psalmen van Hasper hebben gezongen.12

Er is over deze zangdienst reeds heel wat te doen geweest. Ik behoef daarvan geen uitvoerig verslag te geven; men heeft alles in de bladen kunnen lezen. Bovendien is, wat daarop betrekking heeft, thans verzameld in een brochure onder de titel: Een zwarte dag?e Ds. Coolsma is onder zijn collega's vrijwel alleen blijven staan en in de hervormde gemeente te Groningen heeft het grote beroering verwekt.

Een Kroniek-schrijver heeft niet tot taak als rechter of scheidsrechter op te treden. Zo zou ik kunnen volstaan met de vermelding van deze gebeurtenissen. Toch lijkt deze zangdienst mij te behoren tot de tekenen der tijden en daarom ga ik er hier iets over zeggen.

Men versta mij wel. Een bezonken oordeel zou ik er niet over kunnen geven, gesteld dat ik mij daartoe bevoegd achtte. Ik heb de gegevens, die in bovengenoemde brochure verzameld zijn, nog niet onder ogen gehad. Ik wil alleen op een paar aspecten wijzen, die de zaak heeft.

En dan heeft ze ongetwijfeld een oecumenische zijde. Het is niet in de eerste plaats een interne aangelegenheid van de hervormde gemeente te Groningen, al heeft de bijeenkomst ook plaatsgevonden in een der kerkgebouwen dier gemeente. Het hele streven van ds. Hasper is er op gericht om in psalmen en gezangen althans de hele christenheid te doen samenstemmen, belijden en bidden. Hij weet heel goed dat daarmee de breuk der kerk niet is geheeld. Maar die christenheid heeft nu eenmaal ook haarformulieren van eendracht. Het zijn de Twaalf artikelen, de Tien geboden en het Onze Vader. Ieder die tot de sacramenten wilde toegelaten worden, is daarop in alle eeuwen en in alle landen gecatechiseerd. - En daarnaast kan men nu ook de psalmen noemen, die gemeenschappelijk bezit zijn van alle delen der algemene christelijke kerk. Ze mogen dan gregoriaans gezongen worden of volgens de zetting van Bourgeois en Maistre Pierre, het blijven de psalmen Davids, die Jezus ook zelf gezongen heeft en die wijding hebben gegeven aan de eredienst in de kerken van Paulus, van Augustinus en van Luther evengoed.

Deze psalmen heeft men te Groningen samen gezongen. Dat feit kan men nu zien onder heel verschillend licht. Men kan er op wijzen, dat er in onze kerk pas een nieuw psalm- en gezangboek is aangeboden. Prof. Wagenaar,13 die de zaak in Evangelisch Zondagsblad op zeer bezadigde wijze heeft besproken, merkt dat op.f Maar als men nu eenmaal met Rome wil psalmzingen heeft men het Evulgetur14 nodig dat Hasper voor zijn bewerking verkreeg. Men kan de zaak niet zuiver zien, als men ze te veel beschouwt als een interne aangelegenheid binnen de Hervormde Kerk. De concurrentie-Hasper tegenover de gezangencommissie is voorlopig wel van de baan.15

Blijft dan het oecumenisch aspect van de zaak, waarbij natuurlijk de belangen van de Nederlandse Hervormde Kerk in 't algemeen en van de Groninger gemeente in 't bijzonder niet vergeten mogen worden. Ieder realisere zich de uitwerking van een dergelijk samenstemmen van rooms en hervormd in eigen gemeente, naast de andere kerkdiensten, bij het grote verschil in opvatting omtrent Woord en Sacrament, in 't licht der kerkhistorie, gelet op het onderscheid van toon in geloof en leven en ook - dit mag men zeker wel vragen - zonder de betekenis van de roomse actie, door de ambten en het lekenapostolaat, in ons land over het hoofd te zien.16

Met inachtneming van dit alles moet dan een antwoord gezocht worden op de vraag, wat hier de doorslag had moeten geven, het oecumenisch streven of de bijzondere belangen der hervormde gemeente. Prof. Wagenaar wijst er in zijn bovengenoemd artikel op, dat men wel had moeten bedenken, dat Rome zich tot nog toe afzijdig houdt ten opzichte van de oecumenische beweging en noemt de zangavond daarom minstens prematuur. Hij meent dat deze beweging daardoor niet bevorderd, maar geschaad is geworden.g

Ik ben geneigd hem dat toe te geven. Maar ook wanneer men uit een oogpunt van hervormd beleid de zaak zou moeten afkeuren, dan is het algemeen aspect daarvan nog niet geheel weg. Wij blijven zitten met die ontroerende vraag of, wanneer Rome de behoefte gevoelt met ons te psalmzingen, wij dat moeten weigeren. In deze tijd, in februari en maart 1939. Onder een pikzwarte politieke hemel. In het gezicht van geloofsvervolgingen die voor alle delen der christenheid even dreigend zijn. Wij hebben toch ook één Doop en erkennen die wederkerig. Wij hebben samen, zoals ik boven aanwees, onze drie formulieren van enigheid. Wij hebben de psalmen ook samen en altijd gehad. Maar Rome heeft ze verwaarloosd, althans als gemeentezang; evenals het de bijbel, althans als huisboek, heeft teruggezet. Rome krijgt daar berouw van en het wil zich bekeren. Het gaat bijbel en psalmboek aan de leken teruggeven. Het weet dat, als de pastoor in arrest gehouden wordt, de bijbel nog gelezen kan worden. En ook dat, als de gregoriaanse zang moet zwijgen, omdat de kerk misschien verbrand is, de psalmen volgens de zetting van Bourgeois en Pierre nog gezongen kunnen worden, omdat de gemeente ze kent. Daarom is misschien de grootste fout in de zangavond te Groningen deze, dat men ook gregoriaanse zang ten beste heeft gegeven. Dat was onlogisch en verwarrend. Maar als Rome van ons het psalmzingen wil leren en het met ons wil doen, zullen wij dat weigeren?

Misschien is het goed dat wij ons herinneren dat er omstreeks dezelfde tijd dat Groningen psalmen zong, ook een conclave te Rome is gehouden. Wij, protestanten, zijn nog onder de indruk van het volmaakte ceremomeel, de pracht en de praal, die ten toon zijn gespreid bij de troonswisseling van Pius XI en Pius XII.17 Welk een schitterende hiërarchische inrichting heeft deze kerk, waarvan het hoofd zich toch beroemt te zitten in de stoel van de vissersman Petrus. Welk een apparaat en welk een voorname traditie! Zijn dat dezelfde mensen, die in de wereidstorm bij ons komen schuilen om psalmen met ons te zingen? Of vergissen wij ons toch in hen? Willen zij ons omgekeerd de weg wijzen naar de heilige kerkstaat, onder de fijne politiek van de gewezen kardinaal Pacelli?

Wij zijn vaak bang voor de roomse actie. Daarvoor is reden. Maar de oorzaak ligt bij ons zelf. De roomse organisatie is goed en de propaganda, vooral in ons land, niet te onderschatten. Maar we behoeven voor Rome als staat tenslotte toch niet bevreesd te zijn. De tempel te Jeruzalem is al lang verwoest. Maar Psalm 97 wordt nog gezongen. De Pieterskerk te Rome en de Sixtijnse kapel zullen voorbijgaan. Maar het Onze Vader, dat de paus bij zijn kroning bad, en de zang van Groningen zullen blijven. - De Reformatie heeft niet anders willen doen dan op deze eenvoudige eenheden Gods teruggaan.

Zo valt er, onder de oordelen Gods, een bijzonder licht op de feiten van de dag. En wij mogen niet weigeren, ze in dat licht te zien. Wil Rome met ons psalmzingen, dan is dat goed: wij gaan niet met hen naar de pauskroning.

Karl Barth in ons land.18 Onder omstandigheden die een ander teken des tijds vormen. Ik denk daarbij allereerst aan een courantenbericht waaruit wij vernamen dat de politie hem verboden heeft in een besloten samenkomst voor studenten aan de Vrije Universiteit te Amsterdam vragen te beantwoorden. En wel omdat hij niet de verzekering kon geven dat daarbij niet over politiek gehandeld zou worden. Het betreft hier, voor zover ik goed ben ingelicht, een algemene maatregel, waarbij het aan buitenlanders, althans onder bepaalde omstandigheden, verboden is in ons land over politiek te spreken.

Nu Barth daaronder valt voelen wij toch wel heel sterk het pijnlijke en het hacheli ke van de situatie. Vooral in deze weken, als we preken over Jezus voor Pilatus. Barth is geen politicus en geen jurist. Hij is theoloog, dogmaticus. Maar als zodanig eist hij dan ook het recht voor zich op, om alle dingen te betrekken onder de uitlegging van Gods Woord. Dat er uit een politiek oogpunt bezwaar kan bestaan, zelfs en misschien juist in dit geval, begrijp ik volkomen. Maar des te meer wordt het een teken des tijds. De vrijheid van het woord is dus ook bij ons, in het klassieke land der vrijheid, reeds sterk besnoeid. Maar wat erger is, een oecumenisch gesprek over de bijbel en zijn uitlegging, over de ordening van het christelijk leven en over de persoonlijke beoefening der godzaligheid, is bij ons niet altijd meer mogelijk. Een politieke band wordt rondom de theologie aangebracht. Geen wonder dat omgekeerd, wat Barth Politieke theologieh noemt, een bijzondere actualiteit krijgt De spanning tussen kerk en staat is bij ons ook reeds heel wat graden verhoogd.

Ook wij voelen behoefte aan psalmzingen met wie maar met ons mee willen zingen.

De persoon van Karl Barth bekleedt wel een zeer centrale positie in de huidige kerkgeschiedenis. Prof. Dijk schreef kort geleden in De Bazuin,19 dat zijn zon ondergaat. Hij geeft daarvoor de volgende redenen aan: In Engeland werd hij onpopulair om zijn kritiek op Chamberlain; in de vrije kerken om zijn dialectische theologie; in Duitsland om zijn profetenmantel; in Amerika om zijn invloed; in ons land door de kritiek van de VU. en van Kampen.i Een gesloten systeem vormen deze artikelen niet bepaald, zodat ik verwacht dat Barth voorlopig nog wel het oor der kerk zal behouden.

Aan een tournee, zoals hij die thans door ons land maakte, waarbij hij door allerlei vragen uit zijn tent gelokt werd, kleven overigens wel bezwaren. Het overwegend academisch milieu kan daartoe aanleiding geven. Een oecumenische figuur als Barth moet voorzichtig zijn, als hij een publiek dispuut-college houdt. Zo acht ik het niet verantwoord als Barth bij een dergelijke gelegenheid, op exegetische gronden, bezwaar maakt tegen de kinderdoop.20 Wie, zoals hij, een dergelijke professorale mening koestert, moet wel bedenken hoe diep dat insnijdt in de leer en het leven der kerk. Barth kan vraaguren, zoals hij die thans gaf, niet openen, zonder daarmee buiten het begrensde academische terrein te komen. Hij is een soort kerkvader der twintigste eeuw en moet zich dat herinneren als hij zulke fundamentele stukken als de kinderdoop bespreekt. Een dergelijk gravamen heeft absoluut de behandeling in de kerk nodig, voor men er mee van de katheder in het leven gaat. Dat Barth deze regel heeft veronachtzaamd, acht ik een ernstige fout in zijn optreden hier te lande. Er is veel meer reden voor de kerk om daar bezwaar tegen te maken, dan er voor de overheid bestond om hem over politiek te laten spreken.

C. Kroniek juni 1939

In Duitsland is het betrekkelijk stil op kerkelijk gebied. De geweldige politieke spanning werkt daartoe mee. Onder invloed daarvan en van de tot het uiterste opgevoerde totalisering op allerlei terrein, wordt het ook voor de kerk steeds moeilijker, zichzelf te blijven. De ontzaglijke atmosferische druk, waaronder hier het christelijk geloofsleven zich ziet geplaatst, vraagt meer dan menselijke kracht om uit-te-houden. Geen wonder dat men soms dan ook hoort van een zekere vermoeidheid naast de altijd-goede-moed, die er sprak uit de brieven van predikanten in de gevangenis, zoals die verzameld werden in het bundeltje ... Und lobten Gott.j

De Duitse kerkstrijd leert ons weer, wat Luther zo goed verstond, dat het met menselijke macht niets-gedaan is. Christus houdt zijn kerk in stand. Dwz.: de toekomst der kerk ligt in haar belijdenis. De Duitse kerk, voor zover ze niet bezig is onder te gaan in de voltooiing van de verliberalisering en versecularisering, die in de negentiende eeuw zo'n sterke vat op haar kregen, die Duitse kerk kreeg dan ook vanzelf, onder de druk der omstandigheden, de naam van belijdenis-kerk.21

Dezer dagen verscheen een kleine brochure van de hand van ds. D. Bakker22 te Drachten, waarin 'in hoofdzaak' de lezing is weergegeven die de schrijver op 9 november 1938 te Zutphen op een buitengewone vergadering van de Vereniging van Vrijzinnige Hervormden hield. In het Voorwoord klaagt hij er over dat 'de rechtse pers angstvallig zwijgt over wat er over deze dingen door vrijzinnigen gezegd, geschreven en besloten is'.k Daarom deze publikatie.

Wij willen gaarne nota nemen van deze klacht, waarbij wij in het midden laten of het juist is, dat onzerzijds minder ernst gemaakt wordt met de argumenten van de tegenstanders dan omgekeerd. Wij menen ons overigens een uiting van dr. De Vos te herinneren, in Kerk en Wereld van 't vorige jaar, waarbij de raad gegeven werd een tamelijk omvangrijke brochure van rechtzinnige zijde, waarin deze onderwerpen van alle kanten werden bekeken, maar ongelezen te laten.l Maar dat behoort tot het verleden en wij' moeten nu weer verder. Van angstvalligheid onzerzijds is meen ik geen sprake. Wij zijn bereid alles wat door de vrijzinnigen in 't midden wordt gebracht, onder ogen te zien.

En dan zijn er in deze brochure verschillende dingen die er op wijzen dat de ideeën marcheren. Ds. Bakker begint al dadelijk met er op te wijzen dat de tijd, waarin men in het vrijzinnig hervormd kamp van reorganisatie in 't geheel niets wilde weten, voorbij is. Men verwacht er wel niet alle, maar toch enig heil van. Wanneer men dan vraagt welk heil men er dan wel van verwacht, dan komt prompt het antwoord: Het nuttig effect voor de zendingstaak!m Boven de binnenkamer en de gemeentelijke pastoraal uit wensen ook de vrijzinnigen een meer publieke openbaring der kerk en een wijze van belijden, die meer in het geheel van het leven ingrijpt. Ds. Bakker noemt dit de apostolische roeping.n

Daarmee brengt hij trouwens tot uitdrukking, wat ook in de beginselverklaring van de Vereniging van Vrijzinnige Hervormden in Nederland is opgenomen.o Om dit te bereiken wil hij niet enkel te rade gaan bij de wensen der vrijzinnigen-alleen. Hij wil een zeker 'gelovig realisme' (opportunisme) in toepassing brengen.p

Datgene wat hij op die wijze voor verwerkelijkiiig vatbaar acht, is niet weinig. Hij maakt zich de zo lang gesmade stelling eigen, dat de kerk een mond moet hebben. De kerk heeft geen stem in 't volksleven. De kerk als gehéél, de kerk als kerk, heeft die niet.q Daarom komt hij op voor het herstel der classicale vergaderingen, voor provinciale synoden en voor een Generale synode, die regelrecht door de classicale vergaderingen gekozen zou moeten worden. Deze kerkelijke vergaderingen zouden dan uit hun midden commissies moeten benoemen, zoals in 't Ontwerp-1938.

Deze gedachten zijn vastgelegd in punt 4 van de Motie inzake reorganisatie van 9 november 1938 te Zutphen.r Maar nu komt de moeilijkheid. De Motie-Zutphen poneert in punt 2 dat blijkens de historie der reorganisatiebeweging de tijd voor de theologische oplossing van het reorganisatie-vraagstuk niet gekomen is. En in punt 3, dat mitsdien het theologisch aspect daarvan moet worden opgeschort.

Wat dit betekent kan men nu bij Bakker nalezen. Allereerst komt het van die zijde gebruikelijke argument, dat, als de kerk nu geen mond heeft, zij nu ook niet kan belijden. Daarom moet de reorganisatie plaats hebben los van de (historische) belijdenis. Ds. Bakker meent dat dit vanzelf spreekt, als kerkelijk denken nog logisch denken is.s ⚑Het lijkt mij hoog tijd dat dit beweren eens opzettelijk onder ogen gezien wordt. De stelling, dat aan onze kerk, zolang zij Genootschap is, het belijden verboden is, is zo onbarmhartig, dat de toe stand der Duitse Kerk daarbij vergeleken hoogst benijdenswaardig schijnt. Deze laatste belijdt juist omdat het haar verboden is. Daardoor schudde zij, voor een deel, haar liberalisme af en werd belijdeniskerk. Wanneer het ds. Bakker ernst is met zijn protest tegen de wordende onkerkelijkheid, de verzakelijking onzer cultuur, de naturalisering van het leven, dan heeft ook hij geen andere keus. Onze kerk belijdt als zij protesteert tegen het genootschap.23 En elk protest tegen het genootschap, dat niet meer is dan dat, dat geen belijdenis is, blijft krachteloos.

Het argument laat mij nog niet los. Het is een sofisme, geen conclusie. Het leven vloekt er tegen, zoals tegen eik sofisme. Het doet mij denken aan die Engelsman, Lawrence24 of iemand anders, die onder de bedoeïenen in Arabië geraakt was en zijn executie zat af te wachten. Hij kortte zich de tijd met wat te gaan zingen. De nomaden vonden dat zo onlogisch, dat zij het voor kerkelijk lieten gelden en er de openbaring van een hogere geest in beluisterden. Hij had er zijn vrijheid aan te danken. Knappe oudtestamentici zeggen, dat David op dezelfde irrationele wijze uit de handen van koning Achis is losgekomen.

Ik wil maar zeggen dat het niet te pas komt, als een rover een monnik zijn brevier afneemt, dat hij hem dan het recht ontzegt om te bidden, zolang hij het hem niet teruggegeven heeft. Ik denk dat de monnik dan harder zal bidden dan ooit te voren. Logisch is dat misschien niet, maar kerkelijk is het wel.

Maar nu in ernst - of liever een beetje minder in ernst - hoe is het mogelijk dat de vrijzinnigen telkens dit argument trachten uit te spelen! De onmondigheid van de synode in leergeschillen heeft met de functie die de belijdenis bij een reorganisatie heeft te vervullen, niets te maken. De synode kan haar eigen doodvonnis nergens schrijven dan in margine van de belijdenis. Als het genootschap ophoudt dan treedt de belijdenis tegelijk in functie. Deze dialectiek niet te zien zou een teken zijn van een zeer onkerkelijk logicisme.

Toch schijnt ds. Bakker er moeite mee te hebben. Wanneer hij uiteenzet wat in de Zutphense motie een 'opschorting van de behandeling van het theologisch aspect van het reorganisatie-vraagstuk' genoemd wordt, dan blijkt dat hij daaronder verstaat, dat men zich bij een herziening van het Algemeen Reglement tijdelijk van de belijdenis op de belijdenisvragen en de proponentsformule zou moeten terugtrekken.t Als over een vonder zouden wij op die wijze tot een nieuw belijden moeten geraken. In overgangsbepalingen zou dan moeten worden opgenomen, dat zij naar geest en hoofdzaak tijdelijk de plaats innemen van de symbolische geschriften.u

Wie zich indenkt in dit voorstel wrijft zich toch wel de ogen uit. Moeten wij nu werkelijk als partijen in een civiel geding samen naar de notaris gaan en elkaar wederzijds vastleggen op een paar formules? En zal ons geloof dan hierin bestaan dat, zoals Bakker wil, rechts en links beide het daarin gelegen risico aanvaarden? Dit zou wet kerkhistorie op z'n allersmalst wezen.

Welk een groot verschil bestaat er in dit opzicht tussen de modernisten in de Roomse Kerk en die bij ons. De eersten zoeken steeds hun houvast in wat zij het depositum fidei, het ijzeren bestand der kerkelijke geloofsovertuigingen noemen. Zij wensen mystisch daarmee verbonden te blijven en van daaruit risico's te nemen met het oog op de nood der tijden. Een opschorten van de belijdenis der kerk - een luchtledig,v zoals ds. Bakker het noemt - al was het maar voor twee minuten, zou voor hen de verstikkingsdood betekenen. Het idee, dat de kerk, de kerk van Paulus, van Augustinus, een zo formele procedure zou aanvaarden, moest hun wel een homerisch gelach ontlokken. Men kon evengoed de Rijn uitnodigen, een poosje door een pijpesteel te lopen. Hoe onze modernisten op dit punt zo formalistisch kunnen zijn, is en blijft mij steeds een raadsel. Een dergelijk interim is in het Ontwerp van Kerkopbouw ook nooit bedoeld, zoals ds. Bakker schijnt te menen. Jezus Christus als enig fundament in art. 1 van dat Reglement wil daar juist de mystische grond zijn, waartegen de symbolische en liturgische geschriften uitkomen. Wanneer een formule een juridisch karakter krijgt, een notarieel extract uit de belijdenis wordt, dan hoort ze in de kerkorde niet thuis. Zij mag alleen dienen om iemand de gelegenheid te geven op gepaste wijze zijn geloof uit te spreken. Het kerkrecht gaat steeds weer terug op de belijdenis en op de Christus der Schriften.

Ds. Bakker schrijft dan verder in een vierde hoofdstukje over Eenheid en Verscheidenheid en in een vijfde over Het parochie-stelsel. In het eerste wordt de ruimte voor religieuze verscheidenheid uitgemeten. Daarover valt weer veel gemakkelijker te praten.

De grote moeilijkheid bij het overleg met de vrijzinnigen blijkt steeds in verband te staan met de belijdenis-kwestie. De wijze waarop zij de geestelijke en historische aanspraken, die de belijdenis op onze individuele uitingen laat gelden, mystisch, historisch, kerkrechtelijk- de wijze waarop zij die willen beperken, zoals Bakker dat deed in Wij belijdenw of opschorten, zoals hij dat doet in de laatste brochure, daarvoor hebben wij geen begrip. ⚑Zulk een exterritorialiteit buiten de algemene christelijke kerk lijkt ons gelijk te staan met een verbanning buiten ons christelijk erf. De heemvastheid van de roomse modernisten lijkt ons daartegenover nog een begeerlijk goed.

D. Kroniek augustus 1939

Wie min of meer belezen is in de geschiedenis van de Hervormde Kerk in de negentiende eeuw, weet dat er toen altijd veel te doen is geweest over de verhouding van bestuur en beheer.25 Dat is een kwestie met een eerbiedwaardig verleden. Zij voert ons terug in de middeleeuwen, toen de christelijke kerk, naast het burgerlijke, een eigen recht bezat, het canonieke. Kerkrecht kennen wij, protestanten, ook nu nog wel. Maar het is veel minder omvattend en kan niet, als de andere of betere helft van het civiele, daarnaast geplaatst worden. De afwikkeling van het canonieke recht onder protestanten is niet overal, en niet voor elk terrein, dezelfde geweest. Bij de luthersen verliep zij anders dan bij de gereformeerden. En bij de laatsten in verschillende landen en daar weer, zoals ten onzent, in verschillende provinciën, op verschillende wijze. - Enkele algemene lijnen zijn echter wel aan te geven.

Het onderwijs is voor een groot deel in handen of onder controle van de staat gekomen, ofschoon de schoolstrijd in ons land en elders bewijzen te over levert dat het canonieke recht in latente vorm blijft meespreken. Huwelijkswetgeving en armenzorg zijn twee andere voorbeelden, die kunnen doen zien dat de onderscheiding tussen civiel en canoniek recht ook onder protestanten voortduurt. Een heel bijzonder beloop heeft de afwikkeling van dit recht gehad in verband met het beheer van het kerkegoed. Deze goederen hadden zeer verschillende bestemming. Sommige dienden voor 't onderhoud van de gebouwen, andere voor de armen, weer andere voor de bezoldiging van kerkelijke functionarissen, ook bij het onderwijs.

Bij het beheer nu van deze goederen heeft men over het algemeen, voor zover ze niet genaast werden door steden en edelen, de regels van het canonieke recht laten bestaan. Men kan zich daarvan 't best een voorstelling maken als men vergelijkt de wijze waarop de middelen van de diaconie in de Gereformeerde Kerk werden beheerd, met de manier waarop dit toeging bij de goederen en gelden, die volgens canoniek recht voor de armen bestemd waren. Deze laatste bleven ten algemenen nutte dienen, terwijl de middelen der diaconie strekten tot alimentering van de huisgenoten des geloofs. De administratie van de laatste werd dan ook beschouwd als een interne aangelegenheid der kerk, terwijl het beheer van de eerste een meer publieke zaak was. Dat roomsen of mennisten daarvan uitgesloten waren, w as niet vanzelfsprekend, blijkens het feit dat de Staten der provinciën van tijd tot tijd hebben bepaald, dat met name de eersten van het beheer van kerkegoed zouden zijn uitgesloten.

In de praktijk is deze tweeërlei armverzorging niet overal en altijd gescheiden gebleven, maar dit doet aan het beginsel, dat daaraan ten grondslag lag, niets af. Zij blijft een voorbeeld van de manier waarop het canonieke recht werd afgewikkeld.

Zoals er nu middelen waren voor armverzorging, zo bestonden die ook voor instandhouding van de openbare eredienst en wat daarmee in verband staat. Heel dikwijls was er tussen de kerkekas en de armenkas geen verschil. Het was eigenlijk Gods kas, waaruit zowel de Dienst des Woords moest worden onderhouden, als de armen gesteund, naar oud-kerkelijk inzicht.

Het zgn. beheer heeft derhalve zijn oorsprong in het canonieke recht en bleef na de Reformatie - mutatis mutandis - op overeenkomstige wijze geregeld. De predikant werd bijv. vaak de opvolger van de pastoor als mede-kerkvoogd. Alleen moet men omtrent de wijze van afwikkeling van het canonieke recht zich hoeden voor generaliseren, omdat het in de verschillende provinciën lang niet altijd op dezelfde manier is toegegaan.

Men mag echter wel zeggen dat het beheer overal trekken van het canonieke recht blijft vertonen en dat de overheid daarbij gaat optreden als voedsterheer der kerk en toezicht oefent, omdat de Gereformeerde Kerk minder dan de Roomse in de vorm van een staat optreedt. Het hangt ook samen met de onderscheiding van het geestelijke en het stoffelijke. Bij de nieuwe verhouding tussen kerk en staat, na de Reformatie, was er meer aanleiding om die twee te contrasteren. De kerk was een geestelijke verschijning geworden. En de mening kon gemakkelijk post vatten, dat de stoffelijke zorgen aan andere handen moesten worden toevertrouwd.

Dit alles heeft geleid tot een zekere zelfstandigheid van het beheer, naast en soms tegenover de kerk. Enerzijds de doorwerking van het canonieke recht, waarmee het gereformeerd protestantisme niet congeniaal was. En anderzijds het toezicht en de zorg van de overheid, die bij de vergeestelijking van het kerkbegrip naar voren kwamen. De tegenstelling van geest en stof.

In de negentiende eeuw is de tegenstelling van bestuur en beheer geboren. Dat is iets nieuws. De Gereformeerde Kerk kende geen besturen, maar vergaderingen. In 't midden van de eeuw of iets later werden bestuur en beheer door de regering beide aan zichzelf overgelaten. Het beheer van de goederen, die onder de presbyteriale kerkorde door de gereformeerde kerkelijke vergaderingen werden geadministreerd, bleef ook nu onder toezicht van de besturen. Zo ging het bijv. bij de diaconieën. Hier konden geen moeilijkheden ontstaan. - Maar het beheer, dat vóór de Revolutie volgens canoniek recht had plaats gehad, kwam nu in de lucht te hangen. Wel bleven de canonieke regels toegepast, maar het toezicht op deze toepassing, dat vroeger door de overheid werd uitgeoefend, bestond niet meer. Dit deel van het beheer van de kerkelijke goederen heet nu voortaan Beheer (met een hoofdletter). Daarmee wordt bedoeld dat gedeelte van de kerkelijke administratie, waarop de beginselen van het gereformeerde kerkrecht na de Hervorming niet waren toegepast, en dat zich als vanouds was blijven gedragen.

Na de invoering van de organisatie van 1816 raakte het gereformeerde kerkrecht zoek. Een vreemde kerkinrichting nam zijn plaats in. En zo ontstond de tegenstelling van bestuur en beheer, die wij uit de negentiende eeuw zo goed kennen en die een heel bijzonder karakter draagt. Het bestuur was negentiende-eeuws en het beheer middeleeuws. Geen van beide droeg een gereformeerd stempel. En in de tweede helft van de vorige eeuw kwamen beide geheel vrij te staan, zonder bemoeiing of toezicht van de overheid, die vroeger nooit had ontbroken.

Daaruit zijn moeilijkheden ontstaan, die al een heel lange geschiedenis hebben. Juristen en theologen hebben er hun scherpzinnigheid op gespitst om de puzzle op te lossen. Tot heden is dit niet gelukt. De ene school stond hier tegenover de andere. Kerkelijke staatsgrepen, om de oplossing te forceren, kwamen enkele malen voor. Over 't algemeen kan men echter zeggen, dat zowel van theologische als van juridische zijde een zekere voorzichtigheid is betracht.

Het kerkrecht van onze bestuursinrichting is, krachtens zijn aard zowel als krachtens zijn origine, weinig geschikt om als grondslag van een nieuwe rechtstoestand te dienen. Het is zelf uit onrecht geboren en bestaat van 't begin af alleen onder protest van de kerk zelve. - En de canonieke regels van het beheer zijn zo oud, dat ze zich steeds weer verzetten tegen opsmelting in een negentiende-eeuwse kerkorde.

Twee argumenten zijn het nog steeds, die van de zijde van het beheer naar voren worden gebracht. Het eerste is, dat het canonieke recht heel vaak te doen heeft met wat men stichtingen noemt en dat deze een eigen recht en een eigen beheer meebrengen. Dit is het oud-kerkelijke argument. Het andere argument heeft een algemener strekking. Het werkt met de tegenstelling van geestelijk en stoffelijk. De besturen, zo zegt men, hebben de geestelijke zorg in hun deel gekregen; het beheer behoudt de stoffelijke. Dit argument is een erfenis van de overheid uit de tijd van voor de Revolutie. ⚑Deze tegenstelling van bestuur en beheer, die in de laatste helft van de negentiende eeuw haar eigenaardige Nederlandse Hervormde toespitsing kreeg, vraagt om een oplossing. Er bestaan drie mogelijkheden. De beide eerste zijn min of meer revolutionair. De derde berust op mannelijke schikking.

De eerste zou hierin bestaan, dat de Staat nog eens terugkomt op de vrijlating van bestuur en beheer, om bij de wet een nieuw recht te scheppen. De overheid heeft daartoe tot nog toe niet kunnen besluiten.

De tweede zou bestaan in een uitbouw van de organisatie van 1816, waarbij ook reglementen voor het beheer zouden worden ontworpen. In het Algemeen Reglement komt een artikel voor, dat het laatst onderstreepte woord bevat.x Er is, sedert de vrijlating van het beheer, van verschillende zijden steeds bij de synode aangedrongen om in die richting werkzaam te zijn. Ofschoon de synode daarvoor niet doof bleef, is de zaak ook van deze zijde nooit naar het eindstadium gebracht.

Na de invoering van het Reglement op de predikantstraktementen en de daaruit ontstane wrijvingen en contacten,26 is de derde mogelijkheid, die van mannelijke regeling, bij wijze van overleg, meer naar voren gekomen. Dit laatste heeft geleid tot een conferentie op 4 maart 1938, waarop de voorzitter en secretaris van de Vereeniging van Kerkvoogdijen, onder voorzitterschap van wijlen dr. P. Smit, samen kwamen met de voorzitter en de secretaris van de Bond van Nederlandsche Predikanten.27 De eersten stelden zich op het standpunt, dat de vergadering een informatorisch karakter droeg. De anderen wilden als basis de erkenning zien, dat de kerkvoogdij geëncadreerd zou worden in het bestuur der Hervormde Kerk, waarbij dan de bestaande colleges zouden blijven bestaan. Deze zouden voortaan als penningmeesters der gemeente fungeren in wijde zin, bijv. ook over de kerkelijke collecten.

Besloten werd dat men weer samen zou komen na wederkerig kennis genomen te hebben van elkaars nadere overwegingen. Vijf punten zouden daarbij in beraad genomen worden: 1. Is de synode bevoegd? 2. Zijn de Colleges van Toezicht bevoegd? 3. Zijn de gemeenten met vrij beheer autonoom in beheerszaken? 4. De mentaliteit onder de kerkvoogden. 5. In welke vorm kan de aansluiting van beheer en bestuur op de minst aanstootgevende wijze geschieden?

Na uitwisseling van beide antwoorden kwam men op 3 mei 1938 opnieuw samen om de mislukking van het onderling beraad te constateren.

Vanwege het hoofdbestuur van de Bond van Predikanten is daarop bij de synode van 1938 een uitgewerkt voorstel ingediend om de inschakeling van het beheer in de bestuursorganisatie te regelen. Dit voorstel is, op een door prof. Haitjema namens een commissie uitgebracht rapport, met algemene stemmen verworpen.28

Het hoofdbestuur van de Bond van Predikanten heeft zich daarop gewend tot de hoogleraren De Blécourt en Meijers,29 om een advies over de bevoegdheid van de synode:

1. inzake regeling van het beheer in 't algemeen.

2. inzake de regeling daarvan ten opzichte van de goederen, die onder het beheer staan van de kerkvoogden ener gemeente.

Allereerst derhalve de vraag van het stoffelijke en geestelijke. En in de tweede plaats die van het canonieke recht.

De adviseurs hebben op beide vragen de bevoegdheid van de synode erkend; hun advies liep anders dan het Rapport-Haitjema. Het Orgaan van de Bond van Predikanten roept deze laatste nu op om de handschoen op te rapen.y

Intussen beklaagt het Maandblad van de Vereeniging van Kerkvoogdijen zich over de publikatie van de notulen der beide contact vergaderingen, die zonder toestemming van deze zijde heeft plaats gehad.z

Dit is de jongste fase van de befaamde controverse over bestuur en beheer. Wij bepalen ons hier tot de opmerking, dat de atmosfeer, waarin deze vragen gesteld worden, onder invloed van de gewijzigde omstandigheden, bezig is te veranderen. De middeleeuwen wijken hoe langer hoe verder terug. Over de verhouding tussen het geestelijke en het stoffelijke denkt de twintigste eeuw anders dan de negentiende. Kwam het tot reorganisatie, dan zou de oplossing van deze kwestie o.i. niet te veel moeilijkheden meer opleveren. De grootste hinderpaal daarvan ligt in het kerkrecht, dat aan het bestuur ten grondslag ligt.

E. Kroniek oktober 1939

De oorlog, die begin-september is uitgebroken, heeft niet enkel politieke betekenis. Het is een gebeuren, waarbij ook ons kerkelijk leven op het spel staat. En daarachter grijpt hij diep in ons leven met God in. Wij worden gedwongen ons rekenschap te geven van de hoop die in ons is en van de gronden waarop deze rust. Allerlei loze steunsels vallen weg. Een afgrond opent zich onder onze voeten en de vraag is nu maar of wij werkelijk vrede met God hebben.

Dat wij hier geen blijvende stad hebben, wisten wij. Ook dat wij de toekomende moeten zoeken. Wij wisten dat er tweeërlei burgerschap is. Het ene vindt zijn zwaartepunt in de hemelen, het andere op de aarde. Maar de letterlijke betekenis van deze bijbelse waarheden ontzet ons en brengt ons in twijfel over onszelf. Wij lezen de bijbel vaak met commentaren, die afstand scheppen tussen ons en dat boek. De geschiedenis van deze maand geeft een verklaring, die de zin van de bijbelwoorden duidelijker en klaarder in het licht stelt. De absolute betekenis van de uitspraken der Heilige Schrift wordt ons nabij gebracht. De geest is wel gewillig om ze te verstaan, maar het vlees is zwak. Wij durven de wereld en ons leven met zulke ogen niet aanzien en wij zoeken ons een geestelijke schuilkelder voor het inslaan van de woorden Gods. Wij hopen dat wij er buiten blijven en vestigen onze verwachting daarop. En zo komen wij nog niet te weten of de hoop, die in ons is, bestand is tegen de verdrukking.

Intussen komt de aanvechting zich op ons werpen. Wij vragen ons af of dit nu de zin van het mensenleven is. En of het dan nog zin heeft. De radicale twijfel wordt wakker en wij zijn bang dat wij bezig zijn grenzen te naderen, waar alle waarden, die het leven betekenis geven, ophouden. Staan wij dan niet in een verbond met God en is er geen verhouding tussen Hem en ons? Is Hij niet onze Vader? En zijn daarmee in dit leven geen perken gesteld, waarbuiten het geloof en de hoop en de liefde dreigen op te houden? Kan de kerk tegelijk met de hel op aarde zijn? Kan men eredienst houden in een loopgraaf? Of het Evangelie prediken door een gasmasker?

Dit zijn vreselijke vragen, die ons bestaan en onze toekomst in de diepste, geestelijke zin raken. En toch zijn het praktische en liturgische vragen van deze tijd. En wij zijn bezig er een oplossing voor te zoeken. Wel mocht iemand, met wie ik er over sprak, de opmerking maken dat wij een taai ras zijn. Maar hoe zal dat ras worden, als dit niet het begin van het einde is en waar zal die taaiheid en dat uithoudingsvermogen ons brengen? Hoe zal de kerkgeschiedenis, die hiermee evenwijdig loopt, er uit zien? Zal de kerk zich altijd en overal 1 aan kunnen aanpassen? Zal ze zich moeten oefenen in wat Rome zo goed verstaat: leven onder ieder systeem? En kan het Evangelie onder alle omstandigheden gepredikt worden?

Met deze vragen hebben reeds vele gewetens, ook onder de oorlogstoerusting, zich gekweld. Werkers in de grote industrie, tevens belangstellende leden van christelijke organisaties, wisten er van te spreken, hoe onhoudbaar de spanning wordt, die daardoor in het persoonlijk leven optreedt. Zich daaraan onttrekken kan men slechts in zeer beperkte mate. Men kan vermijden een werkkring te zoeken op die plaatsen, waar men, zoals op sommige punten van die industrie, het apocalyptische beest vlak in het gezicht moet zien. Men kan theologie gaan bestuderen. Maar dat is zelfbedrog. Want dat beest blijft onze waakhond; onze veiligheid. Of wat op 't zelfde uitkomt, de helhond, de dood.

Zo groeit er een vreselijke spanning tussen ons politiek en ons kerkelijk leven; tussen onze aardse en onze hemelse bestemming. En nu kan men wel zeggen dat dit altijd zo geweest is. Een geweermaker uit de tijd van Columbus is toch ook een goed lid van de kerk geweest. Maar daarbij vergeet men dan dat alle dingen grenzen hebben. Water gaat bij 100° over in stoom en ontwikkelt pas dan zijn spankracht. Zijn er zulke grenzen ook niet in het geestelijk leven?

Het komt mij voor dat wij zulk een overgang van toestand naderen. Inwendige conflicten, depressies van de ziel, existentiële schaamte zijn de symptomen die de verandering aankondigen. Men merkt het ook aan de afwezigheid van elke romantiek, waaronder de oorlog is begonnen. Er is een koele zakelijkheid, waarbij de dood stilzwijgend en als vanzelfsprekend onder de andere levensvoorwaarden is opgenomen. Er is een stille verbijstering over het feit dat de profetie, de kerk, als grote, leidende, vormende kracht schijnt te hebben afgedaan. De politiek en het materiële geweld varen over ons heen, alsof zij het rijk alleen hebben en alsof er geen tweeërlei rijk is. Men wacht gespannen op een profetisch geluid, dat aan de situatie is aangemeten. Maar, nog minder dan in 1914, valt dit te vernemen.

De duidelijkste illustratie van deze toestand lijkt mij op het zendingsterrein te liggen. Ik hoorde deze week prof. Kraemer, op een tournee door het land, spreken over de zendingssynode te Tambaram.30 Hij deelde o.a. iets mede over de houding en de gesteldheid van de afgevaardigden uit China en Japan. De Japannezen waren teruggetrokken en zwijgzaam. Zij konden niet spreken over wat hun volk de Chinezen aandeed. Daartoe was het te verschrikkelijk. Hier vond ik een duidelijk voorbeeld van wat ik daarstraks de existentiële schaamte noemde. Deze mannen waren de pessimisten op de conferentie. - De optimisten waren de Chinezen, die uit de hel van Sjanghai, Nanking, Hankou kwamen. Zij hadden de kerk als gemeenschap des lijdens en des gebeds weer opnieuw leren kennen. De laatste grens, waartegen de mens wordt aangedrongen, bleek hier het gebed en de voorbede te zijn. Hun motto was: Bid voor ons en leer ons bidden.31

Ik geef deze dingen hier door, omdat ze kunnen dienen om de hoop in onze harten wakker te houden. Maar zij leren ons ook nog iets anders. Zij doen bij ons de vraag wakker worden, of er in de kerk ruimte is voor het pessimisme der actieven, naast het optimisme der passieven. Is deze tweeerlei gesteldheid in één mens verenigbaar? Kunnen beide tegelijk in één kerk zijn? Kan de Una Sancta deze tegenstellingen verdragen?

Onze tijd schijnt daarop een ontkennend antwoord te willen geven. De actieve houding duldt de passieve niet. De staat voelt de kerk als een bedreiging. Het pessimisme van Kaïn kan het optimisme van Abel niet uitstaan.

Zal de houding der kerk daaraan beantwoorden? Zal zij een crisis doormaken, die daarmee correspondeert? Of zal er in haar schoot ruimte blijven voor beide? Zal zij op den duur de existentiële schaamte kunnen verdragen, die de actieve houding meebrengt? Of zal zij, teruggedreven op haar bronnen, het lijden en het gebed, haar eigen wezen terugvinden en de heiligheid resoluut boven de veiligheid stellen? Deze houding zou corresponderen met die welke van de andere zijde wordt aangenomen. Het bewustzijn dat er tweeërlei rijk is, zou daarmee weer klaarder worden.

Dit is een van de weinige lichtpunten, die er in de huidige situatie vallen op te merken. Maar van daaruit straalt dan ook waarlijk licht. Overigens staan wij in onze materiële naaktheid tentoongesteld en de schaamte bedekt ons. Dat wij deze gevoelen is ook nog een lichtpunt. Het is de laatste scheidsmuur tussen ons en de hel. Zo is het van den beginne af geweest. Maar zo zeker als nu is dat nog nooit geweest.

Wanneer de kerk daaruit haar conclusies gaat trekken, wanneer God haar onder het lijden en bidden goede moed geeft, dan zal zij tussen zichzelve en de staat de dood zien staan. Met deze gedachte zal zij zich hebben te verzoenen. Ook dat is van den beginne af zo geweest, maar nog nooit zo duidelijk als nu. Ook nu reeds verdisconteren wij de gedachte aan de dood in onze berekeningen. Maar het brengt ons geen winst; wij worden er met schaamte en pessimisme 1 voor betaald. Wij offeren op het altaar van Kaïn en niet op dat van Abel. Christus heeft door zijn dood andere dingen verworven en God is misschien bezig zijn kerk daarheen terug te brengen. Hij doet het niet misschien, maar Hij doet het zeker. De tekenen der tijden wijzen daarop.

Ik ben er mij van bewust dat ik een ongewone kroniek heb geschreven. Maar ik meen dat ik op mijn terrein, het kerkelijke, ben gebleven. Men zegt dat wij onder de buitengewone omstandigheden met de gewone dingen moeten doorgaan. Ik ken wel zulke dingen, die men daarmee bedoelt. De synode heeft vergaderd en zij is actief geweest, doch zonder schaamte. Zij heeft zichzelf weer gehandhaafd. Daarover laat zich nu niet spreken. Voor het optimisme dat wij nodig hebben, bezit het positieve noch negatieve betekenis. Het ligt eigenlijk buiten het kerkelijk terrein. De synode duurt nog en daarmee is alles gezegd.32

F. Kroniek december 1939

In de twaalfde zitting van de synode van dit jaar werd een besluit genomen, waarop ik nog even moet terugkomen, omdat het verdient in het volle licht geplaatst te worden. Van de zijde van de pre-adviserende hoogleraren De Vrijer33 en Korff was een voorstel ingediend om, bij de benoeming van een kerkelijk hoogleraar, de uit die benoeming voortvloeiende verhuiskosten ten laste van de kerk te brengen, en hem daarbij op dezelfde voet tegemoet te komen, als wanneer een predikant een beroep naar Leiden, Groningen of Utrecht zou hebben aangenomen.

De schadeloosstelling wegens verhuiskosten interesseert ons hier niet. Dat is een zaak tussen de kerk en deze heren. De synode heeft het voorstel voorlopig aangenomen.a

Maar waar we wèl belang in stellen is het feit, dat de synode de vergelijking tussen een naar Leiden, Groningen of Utrecht beroepen predikant en een voor een dier steden benoemd kerkelijk hoogleraar, nadrukkelijk heeft afgewezen. Deze vergelijking achtte zij niet toelaatbaar. Zij wilde wel verhuiskosten toestaan, maar niet op grond van een gelijkstelling van zulk een benoeming met een beroep. Volgens de synode, die zich hierin homogeen verklaarde met de conclusie, waartoe haar commissie-ad hoe gekomen was, stond de benoemde kerkelijke hoogleraar gelijk met een predikant die zijn bediening neerlegt en tot andere staat des levens overgaat. Het kerkbestuur bedoelde daarmee, dat ook een kerkelijk hoogleraar geacht moest worden tot andere staat des levens over te gaan.

Ik acht dit een juiste uitspraak. En dat ze juist nu gevallen is, is niet van belang ontbloot. Er openbaarde zich van sommige zijden een neiging om, zomaar stillekens weg, het kerkelijk hoogleraarschap tot een kerkelijk ambt te bevorderen. Prof. Brouwer wilde het oud-kerkelijke doctoraat daarin terugvinden.34 Anderen gingen er zo zoetjesaan de episcopale kant mee op. Deze hoogleraren zouden nu weliswaar geen dominee meer zijn, maar toch nog wel een kerkelijke functie bekleden. Zij zouden bij hun benoeming niet tot andere staat des levens overgaan, maar tot hoger kerkelijke staat. Dingen die te moeilijk bleken voor de predikanten, zouden dan telkens aan hen geëndosseerd moeten worden. Wij hebben daarvan de laatste tijd enkele proeven gehad. Ik denk aan de vraag van het kerkelijk huwelijk en die van de organisatie. Naast de kerkelijke besturen zou op die manier zo langzamerhand een college van hogere ambtsdragers komen te ontstaan, waarin predikanten en ouderlingen geen zitting konden hebben. ⚑En met de kansen op het herstel van een bijbelse kerkorde stond het dan nog weer zoveel slechter.

In een artikel De reorganisatie in een nieuwe fase, in Onder eigen Vaandelb heb ik vroeger reeds op dit gevaar gewezen. Thans heeft ook de synode het uitgesproken, dat een predikant, die tot kerkelijk hoogleraar benoemd wordt, tot andere staat des levens overgaat. Door de naam van kerkelijk hoogleraar moet men zich niet in de war laten brengen. Deze professoren bekleden geen kerkelijk ambt. Zij zijn van de kerk naar de school overgegaan. En daardoor is hun de plaats aangewezen, die zij verder ten opzichte van kerkelijke zaken hebben in te nemen. Verhuiskosten bij hun overgang naar andere staat des levens mogen hun gaarne gegund wezen. Maar rechten op een geestelijke stand, die hun niet toekomen, mogen zij zich niet aanmatigen.

Alzo besloot de synode. Dat is nog een lichtpunt op de donkere bladzijde van de historie onzer kerk, die in 1939 werd omgeslagen. De debácle van deze zomer35 lijkt mij overigens juist in verband te staan met de uitwassen van dit nieuwe instituut van hogere ambtsdragers. De reorganisatie-vraag was bezig zich in de gemeente in te bedden. Zowel bij intellectuelen als bij gewone kerkelijke mensen werd het besef wakker, dat het bij de kerkorde om een allerhoogst belang gaat. Dat de hele toekomst der kerk op het spel. staat. De brochure van prof. Wensinck36 is er een in-tweeërlei-opzicht-postuum bewijs van.c Er waren in dat opzicht, voor een paar jaar, hoopgevende tekenen aanwezig. Ik denk aan de Utrechtse predikantenvergadering van 1938, toen prof. Scholten daar zijn bekende rede hield.37 Aan de gemeentelijke beweging te Rotterdam, in de Achterhoek, en elders38 Wanneer de synode, die zelve bij het werk betrokken was, deze dingen toen nog wat dichter bij de gemeente had gebracht, zouden wij verder gekomen zijn.

Maar het hoogste kerkbestuur deed het omgekeerde. Het nam de zaak der kerkorde uit de kerk weg en bracht haar over naar de school. Het waren in hoofdzaak de kerkelijke hoogleraren, die er in hun kwaliteit over hadden te oordelen.

Toen volgde een vol jaar van volkomen stilte. Terwijl men in de school richtlijnen voor een kerkorde zat te trekken, stond het kerkelijk beraad totaal stil. Een smartelijke toestand, te erger omdat er een heel jaar lang totaal niets naar buiten doordrong van wat er verhandeld werd. En dat in een tijd, waarin dagen de betekenis hebben van jaren.

Na afloop van deze merkwaardige periode uit de geschiedenis onzer Hervormde Kerk kwam de 'Krach'. Daarna trad een der overlevende leden van dit onkerkelijk conclave rustig naar buiten om de kerk te adviseren nu maar eens tien jaar te wachten met die pogingen om de kerkorde met de belijdenis in overeenstemming te brengen.d Het moest voorlopig nog maar zo blij ven, zoals wij dat na 1816 gewend waren, dat de school in de kerk de lakens uitdeelde.

Deze dingen hebben een zekere verdoving teweeggebracht. Er is, ook in verband met de tijdsomstandigheden, een gevoel van hulpeloosheid over ons gekomen. Wij vrezen dat, waar in onze kerk de orde de grootste vijand van de kerkorde geworden is, zodat reformatie onmogelijk lijkt, de catastrofe in Gods hand het laatste middel zou kunnen worden om tot stand te brengen wat bij mensen onmogelijk lijkt. Ondertussen wordt in onze kerk het gereformeerde grondbesef van alle kanten aangevreten. Voor mij ligt een artikel van dr. Beerens,39 in Kerkopbouw van november '39. Hij bespreekt daarin de bovengenoemde brochure van wijlen prof. Wensinck. Deze laatste heeft daarin niet alleen gepleit voor een betere kerkorde, maar heeft ook, wat dr. Beerens noemt, een scherp requisitoir tegen de Hervorming opgesteld.e Beerens gaat daarin niet tot het einde toe met de schrijver mee. Maar hij geeft veel toe en daaronder zijn dingen die ik bij hem niet zonder verbazing en droefheid gelezen heb. Zo wanneer hij, met een in onze tijd meer en meer gebruikelijke correctie van de Heidelbergse catechismus, verklaart dat beelden niet stom zijn.f Wanneer wij zoiets zeggen op een schilderijen-tentoonstelling, dan is het een waarheid als een koe. Maar wanneer een gereformeerd predikant, zoals dr. Beerens dat in ruime zin toch is, dit bij zijn onderwijs of op de preekstoel zegt, dan is het inbreuk op een grondbeginsel van ons belijden. De mystiek en de schoonheid van ons geestelijk begrip van Gods Woord, als hervormde christenen, worden er door aangetast. Dan is het geen wonder, wanneer Beerens dadelijk daarop ook spreekt van het cerebraal-aangelegde, schoonheid-schuwende calvinisme.g Wanneer dr. Beerens, een goed-hervormd man en echt Nederlander, zulke dingen zomaar neerschrijft, dan vind ik dat ontstellend. Ik houd niet van dat woord 'ontstellend'. Maar hier heb ik het nodig. - Als Henri Bruning40 in Verworpen christendom Calvijn en Descartes naast elkaar zet en van hen beiden zegt, dat zij 'welhaast exclusief cerebraal'h⚑ waren, dan kan ik dat lezen. Deze schrijver heeft geen verstand van de gereformeerde mystiek, die bijv. dr. W. J. Aalders in de Institutie van de hervormer heeft aangewezen.i Deze mystiek is te beeldenloos, dan dat hij ze zou kunnen ontdekken. Maar wanneer een man als Beerens dat naschrift en ook al gaat spreken van de cerebrale Calvijn, dan vind ik dat meer dan jammer. Het maakt mij ongerust. Het doet mij vrezen dat er meer bezig is los te raken, dan wij ons wel durven bekennen. En dat in een tijd waarin wij het merg uit onze geloofsbelijdenis voor ons geloof zo broodnodig hebben om staande te blijven. Wanneer wij nu ons gaan keren van het onzienlijke tot het zienlijke, dan is het ogenblik wel heel slecht gekozen.

Dezer dagen trof mij het bericht dat de Ethische kring te Utrecht was opgeheven, bij gebrek aan belangstelling. Deze kring was een onderafdeling van de Ethische Vereniging,41 die gedurende een reeks van jaren in studiekringen en conferenties velen placht bijeen te brengen, die zich kenmerkten door wat op de oprichtingsvergadering van de Ethische Vereniging door de pedagoog Gunning42 een gemeenschappelijke mentaliteit genoemd werd. Daarmee werd toen bedoeld, dat de oprichters niet zozeer verenigd werden door gereed liggende overtuigingen op geestelijk en kerkelijk gebied, zoals dat op heel verschillende wijze van de confessionelen en de vrijzinnigen gezegd kon worden. Integendeel, zij voelden zich onder degenen, die rechts en links bevestigend of ontkennend tegenover de belijdenis der kerk stonden, niet geheel op hun gemak. Beide malen voelden ze zich genoopt tot tegenspraak. Zij voelden behoefte aan een minder naïeve bevestiging of, zo nodig, een minder platte ontkenning. Daartussenin hadden zij hun eigen wijze van de dingen te benaderen en ook van ze te zeggen. Vergeleken met de confessionelen en de vrijzinnigen beide kan men zeggen dat zij behoefte voelden aan dialectiek en dat ze door deze behoefte zich tot elkaar voelden aangetrokken. De min of meer bewuste gebruikmaking van deze dialectische methode schiep een sfeer, waarin men met elkaar kon verkeren. En het waren bepaalde, niet al te brede kringen, die zich daarin bij voorkeur bewogen. Een volksbeweging is het nooit geweest.

Thans is een der langst gebleven onderafdelingen dezer Vereniging opgeheven. Wij hebben het bericht daarvan niet zonder weemoed in de NRC. aangetroffen. De Martini-conferenties te Groningen zijn overlang gestaakt. De Lunterse conferenties worden niet meer gehouden. Thans is ook de Utrechtse Kring ontbonden.

Ave pia anima!

Wij zullen in de ontbinding van de oud-ethische mentaliteit moeten berusten. De dialectiek is haar boven het hoofd gewassen. Het is daarmee volle ernst geworden zowel theologisch als cultureel.

Reeds de verschijning van de vereniging Kerkopbouw,43 waarin tot op zekere hoogte de Ethische Vereniging werd opgelost, wees in deze richting. De Ethische Vereniging vertoonde nog geen bepaalde kerkelijke trekken. Met Kerkopbouw was dit wel het geval. Dogmatisch was de dialectiek reeds vroeger in een ernstiger en feller stadium gekomen door de verschijning van de zgn. Zwitserse theologie. Theologisch en kerkelijk beide is de ethische mentaliteit uiteengeslagen. Zij is een voedingsbodem geweest voor de nieuwere leerstellige en gemeentelijke inzichten. Maar nu deze uitgegroeid zijn, is zij daarmee zelve verdrongen. Zij past niet meer bij onze tijd. Haar elite-houding is daartoe te hoog en te smal. Haar kritiek te sarcastisch. Haar redenering te wijsgerig en te historisch.

Het is de tragiek van Kerkopbouw dat haar leiding daarvoor niet voldoende oog heeft. Terwijl de dialectiek van Gods Woord, in verband met die van de historie onzer dagen, de diepste gronden en de meest absolute kanten van het Evangelie en het mensenleven blootlegt, heeft men hier de grootste moeite om zich los te maken van de betrekkelijkheden van het schoolse negentiende-eeuwse richtingsleven. Terwijl de kerkstrijd in een eschatologisch stadium is gekomen, houdt men er een instituut, dat door de twintigste eeuw in al zijn zieligheid te pronk is gesteld, de hand boven het hoofd.

Wij behoeven over deze dingen niet te twisten. Wij staan aan grenzen, waarover alleen God ons leiden kan. Wij zouden, wat het vlees betreft, gaarne terug willen. Maar naar de geest moeten wij verder. Het sarcasme is een slechte bedekking van de ziel. Het zal ons niet warm houden als wij ons daarin kleden. Wij staan naakt voor God en Hij moet ons dekken.

G. Kroniek februari 1940

De secretaris van de Bond van Nederlandsche Predikanten is onlangs zestig jaar geworden. In Het Orgaan is de jarige met artikelen van allerlei hand gehuldigdj Zo is een alleraardigst nummer ontstaan, waarin de kwaliteiten van deze martiale figuur van vele zijden zijn belicht. In deze Kroniek mag ik niet nalaten op deze gebeurtenis de aandacht te vestigen. Een hard stuk kerkelijke historie is er mee gemoeid geweest. Wie het werk van ds. Boer44 wil beoordelen moet dit zien tegen de achtergrond van de sociaalpastorale zorgen, die ontstaan waren uit een achterstand van enige eeuwen. De predikantstraktementen en -pensioenen waren een soort bevroren salarissen uit de tijd dat een flink werkmansgezin met een braspenning45 per dag kon rondkomen. Sedert had men, zo niet geheel, dan toch voor een groot deel, deze aangelegenheden aan de natuur overgelaten. Dwz. het bedrag van deze inkomens werd niet geregeld in verband met de omstandigheden overwogen en gewijzigd. Het traktement dat aan de standplaats was verbonden en dat op een ligger46 stond aangegeven, werd beschouwd als door de Voorzienigheid zo gewild. Daarover iets te zeggen gold niet alleen als een vallen uit de goede toon, maar het was ook onvroom. - Ook de onaandoenlijkheid van vele dragers van het kerkelijk beheer en hun onwil om een eenvoudige huishoudelijke berekening te maken, moet waarschijnlijk in vele gevallen voor een deel in dit licht worden gezien. Hun schrielheid, die de kenmerken droeg van in de mammon verharde goddeloosheid, zal vaak hierin haar verzachtende omstandigheden gehad hebben, dat men meende in het bestaande het van God gewilde te moeten handhaven. De ligger gold voor een soort heilige codex.

Vóór 1918 zijn wel geïsoleerde pogingen gedaan om hierin verandering te brengen. Vooral de schreiende nood der predikantsweduwen gaf er aanleiding toe. Omstreeks 1908 deed ds. O. Norel - wel te onderscheiden van de Hemmense dominee van nu - een poging om aan alle weduwen een pensioen van fl 600 te verzekeren. Hij schreef een lijvige brochure en omreisde het hele land.47 Maar de zaak stuitte af op het conservatisme, dat ik boven met enkele lijnen heb trachten te tekenen. - Toen de oorlogsjaren an 1914-1918 de onhoudbaarheid van deze toestanden voor iedereen duidelijk begonnen te maken, is Aanpakken48 begonnen met een miljoen bijeen te brengen, om uit de revenuen daarvan de laagste traktementen tot 1400 aan te vullen. Maar ook dit was een druppel aan de emmer.

Toen heeft in 1918, terwijl de nood op het hoogst was, ds. Boer, toenmaals predikant te Grootebroek, het initiatief genomen voor het oprichten van de Bond van Nederlandsche Predikanten. Dr. De Vrijer werd voorzitter. Ds. Boer secretaris. Zelf heb ik, in de eerste jaren, als hoofdbestuurslid de ontwikkeling dezer dingen van nabij meegemaakt49 De nachtelijke vergadering, waarop Boer 'vrijgesteld' werd, herinner ik mij nog levendig. Er is toen onder grote spanning gewerkt.

De geschiedenis van de Bond over de afgelopen twintig jaren is nog niet geschreven. Wanneer dat eens gebeurt, zal blijken, welk een stuk arbeid er in die tijd door Boer is verzet. Een vrij compleet stelsel van kassen en beurzen is tot stand gekomen. Dit is weliswaar slechts zijdelings het werk van de Bond, daar de kerkbesturen de regelingen hadden vast te stellen. Maar veilig mag men zeggen, dat het grootste deel van dit alles nog tot de vrome wensen zou behoren, als Boer er niet geweest was. Het bijzondere geval deed zich hier voor, dat hij enerzijds vrijgestelde was van een heel bijzondere vakvereniging en aan de andere kant gevolmachtigde van de kerkelijke werkgevers, als ik de besturen nu eens zo noemen mag. Hij was lid van de commissie, wier ontwerp-reglement op de predikantstraktementen in 1924 werd vastgesteld. En sedert 1925 is hij secretaris van de Pensioenraad.50 Zijn zeer bijzondere gaven, zijn doorzettingsvermogen, zijn kerkrechtelijk inzicht, zijn administratieve talenten, zijn journalistiek flair zijn daarbij tot volle ontplooiing gekomen. Het geval-Boer is een unicum geworden en in zoverre had het niet anders moeten zijn.

Toch is het duidelijk dat daardoor andere mogelijkheden afgesneden zijn. Nu de predikanten de sociale noden zo sterk aan den lijve hadden gevoeld, waren zij tot het besef gekomen dat zij ook deze zijde van hun leven in ernst hadden te nemen, zoals ieder ander, en dat zij er zich niet boven verheven mochten achten de zorg voor vrouw en kinderen met God en met ere te behartigen. Dit zou hen te dichter brengen bij de gemeenten, die aan hun bearbeiding waren toevertrouwd. In de jaren toen ik actief meedeed aan het bondswerk, heb ik vooral getracht dit besef bij mijn collega's te wekken en te versterken; o.a. op de Utrechtse Predikantenvergadering van 1919 in een referaat, dat in de Stemmen van dr. Bronsveid is opgenomen en in artikelen in Het Orgaan van de Bond.k⚑

In die richting had de Bond uitgebouwd kunnen zijn tot een maatschappelijk vormsel van zeer bijzondere aard. Immers een vakvereniging in de gewone zin van het woord, kon bij niet zijn; althans niet lang blijven. De aard van het predikantswerk bracht mee, dat de actie, zou ze blijvend zijn, een zeer gewijzigd karakter zou dragen. Maar dan was juist in de bevestiging en niet in de ontkenning van eigen persoonlijke maatschappelijke dienstplicht een grote kans gegeven voor contact met wat elders in verschillende kringen gaande was. De deur stond toen open voor een verdieping van het sociale voelen bij de predikantenstand over de hele lijn. Men was door ondervinding geleerd.

Maar wanneer men er daardoor toe was gebracht om meer te gaan gelijken op andere arbeiders in de maatschappij, dan kon omgekeerd het gewijzigde in deze 'vakactie'- een wijziging die het ambt vanzelf meebracht - weer van grote invloed zijn op de sociale beweging in haar geheel. - Op twee voorwaarden echter. Ten eerste dat het opkomen van de dominee voor zijn gezin echt was en hij er zich niet half voor schaamde, dat hij geen pastoor was. Maar dan ook in de tweede plaats dat de wijziging, die krachtens zijn ambt in de 'vakactie' natuurlijkerwijze optrad, even echt ware, zodat zij door anderen kon worden overgenomen.

Daarvoor zou een inwendige organisatie van de Bond nodig geweest zijn, om een christelijk-sociale ethiek praktisch, door eigen oefening, in te studeren, om er op die wijze ook, anderen mee te dienen.

Dit alles noemde ik een afgesneden mogelijkheid. Het was misschien een onmogelijkheid. Het is zeker niet billijk om Boer er voor aan te klagen dat hij, nadat hij sommige schijnbaar onmogelijke dingen klaargespeeld heeft, andere mogelijkheden onmogelijk gemaakt heeft. Maar het feit blijft bestaan. Boer is niet in de volle zin van het woord een vrijgestelde. Zijn werkzaamheid ligt niet hoofdzakelijk op intern bondsgebied. Dat werk is braak blijven liggen. Boer is een geweldig secretaris. Maar niet van de Bond van Predikanten. Want daarin valt niet veel te notuleren, omdat er weinig gebeurt. Hij is secretaris zonder meer. Hij beschrijft wat hij zelf doet en dat is niet weinig geweest. Hij gebruikt de Bond als stormram om de dingen die hij tot stand wil brengen er door te krijgen en om de veten, die hij daarbij aangaat, uit te vechten. Daarom is hij een even wonderlijke ambtenaar als hij een zonderling vrijgestelde is. Hij verschijnt te midden van zijn lastgevers, omstuwd door zijn praetorianen. En hij levert veldslagen voor de poorten van de synode, waarvan hij een der secretarissen is.

Door dit alles wordt het fenomeen-Boer gevormd, waardoor in Den Haag 'Jan van Nassaustraat 111' voor de predikanten een even bekend adres geworden is als 'Javastraat 100'.51 - De Bond is tot een Secretariaat geworden, van waaruit gestreden werd tegen de afbrokkeling van het Reglement op de predikantstraktementen enerzijds en voor de opbouw van de pensioenfondsen anderzijds.

Dat hierdoor anomalieën geschapen werden, kon niet uitblijven. Ik denk aan de wijze waarop Boer zich soms in Het Orgaan gemengd heeft in de kerkelijke strijd, bijv. in die over het reorganisatie-ontwerp. De bondsleden betalen hun contributie niet voor het in stand houden van een secretariaat, om daaruit een partijman in het veld te zien treden.

Maar dit alles behoort tot het singuliere, dat met bepaalde gaven verbonden is. Er zou meer te noemen zijn. Maar er is goede reden om, tegenover het vele, waarvoor de kerk deze secretaris dankbaar zal blijven, daarop geen bijzonder gewicht te leggen.

Moge de ongunst der tijden zijn werk sparen!

Ik moet nog iets zeggen over het werk van een andere emeritus. Ditmaal niet bij de Nederlandse hervormden, maar bij de doopsgezinden. Ik bedoel ds. H. Bakels.52 Van zijn hand verscheen een brochure, die blijkbaar op ruime schaal is verspreid. Zij is getiteld Balans van Christus, opgemaakt door een gewoon mensch.

Het is al heel lang geleden, dat ds. Bakels de aandacht trok door de publikatie van zijn Bouquetje Dogmatiek,l waarin gepoogd werd op een soort proefondervindelijke wijze bewijzen bij te brengen voor het bestaan van God en van de Voorzienigheid. Sedert is er allerlei verschenen, waarin de heel-eigen manier van deze schrijver om de religieuze dingen te benaderen, tot uitdrukking kwam. In 1908 gaf hij een vertaling van het Nieuwe Testament.m Ook daarop heeft hij zijn eigen methode toegepast. Men moet, nu hij, na twintig jaren, zijn eindindruk geeft, zeggen dat dit tot verschrikkelijke uitkomsten heeft geleid. Ik reken deze brochure tot de tekenen der tijden. Wat deze emeritus-predikant, die toch gediend heeft bij die gemeenten, die in ons land zulk een groot getal martelaren hebben aan te wijzen, hier heeft laten drukken, zou zeker thans in Rusland voor een bekroning in aanmerking komen. Hier wordt een methodische, van het begin tot het einde volgehouden poging gedaan om het nieuwtestamentische beeld van Christus stuk te slaan. En in dat beeld bedoelt hij Christus zelf te raken. Voor hem is er alleen de nieuwtestamentische Christus, die hij, zoals hij het noemt 'steeds beter ... in het vizier' kreeg.n Daardoor krijgt deze revue van het Nieuwe Testament een zeer persoonlijk karakter. Het is niet meer een koel-wetenschappelijke, historisch-literarische beschouwing, maar door het onderzoek heen breekt zich de behoefte baan om Christus te schelden. Hij noemt dat zelf zo. "Ik scheld op die Moordenaarsgestalte omdat 'ie mij (wijl ik hem niet als Messias erken) ontelbare keren een verdoemeling acht te zijn. Door hem nu te scheiden, wreek ik mij op hem; dit wreken heb ik van hem geleerd. "o

Van de wijze waarop dit schelden toegaat, durf ik geen voorbeelden aan te halen. Daardoor wordt inderdaad het visioen van de lastering van een verdoemeling in de hel opgeroepen. De schrijver noemt het zelf 'krabben en bijten'.p Wanneer men dit leest voelt men een vaag besef bij zich ontwaken, dat deze uitingen, hoe geïsoleerd ze voor het uiterlijk ook mogen lijken te staan, verband houden met wat elders in massaformatie wordt uitgevoerd. Het geldt hier een spontane uiting, die niets met het naäpen te maken heeft, dat men in populaire propagandistische lectuur soms kan aantreffen. Hier is een Nederlands theoloog van enige naam, die zich tientallen jaren intensief met het Nieuwe Testament heeft beziggehouden en zichzelf in zijn voorrede de beste kenner daarvan durft te noemen, voor zover ons land betreftq en die nu dit pastoraal testament geschreven heeft.

Ik herinner mij de lezing van een ander geschrift van Bakels, ik meen reeds meer dan twintig jaar geleden, waarvan ik mij de titel op dit ogenblik niet meer herinner. Ook de inhoud ben ik bijna kwijt. Maar één Danteske passage is mij steeds bijgebleven. De pastor Bakels beschreef hoe hij aan een ziekbed stond, dat wel een sterfbed zou worden. De jonge vrouw sprak met hem over het sterven en over de aard daarvan. Zij zei dat het wel niet anders zou zijn dan bij het schreien van een zuigeling, wanneer die van de ene borst wordt afgenomen om aan de andere gelegd te worden. En dan volgde een vet gedrukt zinnetje, het enige in het hele boek, als ik mij goed herinner, dat zo was afgedrukt. Het luidde aldus: Wat kon ik anders doen dan haar kussen met een heilige kus?r Ik ben ervan overtuigd dat niemand van de lezers van Bakels' boekje ook maar ooit een ogenblik aan de heiligheid van die kus getwijfeld heeft Hoe komt de ze beminnelijke mysticus, na twintig jaren meditatie over het Nieuwe Testament, in het jaar 1940 tot het schrijven van deze lastering van Christus? De schrijver schijnt zelf betekenis te hechten aan het jaartal, dat hij in de titel heeft opgenomen. Weet hij zelf ook, dat dit met het einde te maken heeft? Dat er op de een of andere wijze een ferment -van het laatste in de dagen is?

Want deze brochure kan in de richtingstrijd haar plaats niet meer vinden. Het schijnt nog wel een ogenblik zo, als hij tegenover de rooms-katholieken en grieks-katholieken en de orthodox-protestanten spreekt van 'wij-linksen', om dan te zeggen: "Wij verdedigen ons slechts. De Invallers zijt gij, gij, GIJ ."s Maar dat is nog slechts een reminiscentie aan vroeger tijd. Dat is niet 1940. De Christus van het Nieuwe Testament is niet het eigendom van de orthodoxen, of van de radicale-vrijzinnigen tegenover de Jezus van de liberalen. Het is de enige Christus, zoals Bakels goed begrepen heeft.t Het is de Christus zelf; naar het woord van Calvijn, dat Christus voor ons staat in het kleed van zijn Evangelie.u Het is Christus zelf die in 1940 onder ons is. Het past bij dat jaar dat Hij ook zelf gescholden wordt en niet de theologen, die iets over Hem gezegd hebben. Hij zal niet terugschelden. ⚑Wie deze brochure van Bakels leest, komt onder de indruk van het persoonlijke van dit geval. Er is iets in van een bijbels handgemeen. Iets bovennatuurlijks. Het is 1940. Balans van Christus. Zo zal men misschien later dit jaar in de geschiedenis dopen. Maar dan in omgekeerde zin van de betekenis die Bakels daaraan hecht. Wij worden gewogen. En Christus houdt de weegschaal. Ook Bakels wordt gewogen in zijn eigen brochure en hij weet dat. Daarvoor is hij mysticus genoeg. Hij heeft het zien aankomen; vandaar zijn groeiende felheid.

Het is wonderlijk dat hij telkens zelf datgene wordt, waarvan hij Christus beschuldigt. Zo schrijft hij dat hij bij Jezus sommige uitlatingen-omtrent-zichzelve 'potsierlijk' vindt. Bakels stelt zich daar nu tegenover. Heel ongewild in het volgende zinnetje, als hij gesproken heeft over zijn nauwgezetheid bij de vertaling van het Nieuwe Testament: Ik werd als het ware het Nieuwe Testament. Meo jure staat er boven.v Dat is dan 1940. Niet meer Christus, maar Bakels is het Nieuwe Testament. Wie is hier potsierlijk?

Door het steeds schroeviger toepassen van zijn proefondervindelijke, huisbakken methode is de mysticus Bakels dan geworden tot de kruidenier onder de theologen, die onder credit en debet de perikopen of teksten van het Nieuwe Testament uiteenlegt, naarmate ze hem sympathiek of antipathiek zijn, om dan de balans op te maken. De eerste debet-post is deze: Hij maakt vele varkens dol... Matth. 8 : 28-32.w En aan het slot van de slotwoorden staat dan: Maar u begrijpt nu wel waarom ik voor mij vaak als 'k ergens een beeld van hem zie staan, neiging heb om dat met 'n revolver kapot te schieten.x

Wie is hier dol geworden? Dit is dol geworden vrijzinnigheid. Maar het is vrijzinnigheid-1940; geen gewone vrijzinnigheid meer. Het is een vrijzinnigheid van de grens, waar het zwijgen het enige antwoord is, omdat er beslissingen van bovennatuurlijke aard op handen zijn, waarheen alles om ons heen met steeds sneller vaart gedreven wordt.

H. Selma Lagerlöf †

Kroniek april 1940

Het is lang geleden, dat ik een Duitse vertaling van Selma Lagerlöfs beroemde eerstelingroman Gösta Berling in Reclam-editie in handen kreeg. Ik was student en ik herinner mij nog dat ik haar aan De Hartog uitleende. ⚑Sedert heeft het boek steeds tot mijn meest vertrouwde lectuur behoord. Het staat nu vlak onder mijn bereik, niet ver van Nestle's Nieuwe Testament.

Selma Lagerlöf heeft later nog vele boeken geschreven, waarvan ik de meeste wel gelezen heb. Maar voor mij blijft er toch een groot onderscheid tussen die andere en haar eersteling: Gösta Berling heeft zij moeten schrijven, de andere heeft zij ook een beetje willen schrijven. De schrijfster kon het plekje grond aanwijzen, waar zij de roeping kreeg om het te doen. En toen zij het ging doen moest zij wachten tot haar de toon geopenbaard werd, waarop de sproke gezegd wilde worden.53

Wanneer er ergens een goede verteller of vertelster op een verhoogde toon begint te zeggen wat zij weet, dan merkt een mens pas dat hij oren heeft. Het doet er niet toe of het Homerus is over de Griekse helden in de Ilias of Longfellow over de Roodhuiden in Hiawatha's Song54 of Lagerlöf over de cavaliers van Ekeby in Gösta Berling, wij zijn er bij. De grote voorwaarde voor de vertelling wordt vervuld. De vertelster weet het en wij wisten het niet. Wij hadden het ook nooit kunnen bedenken. En niemand anders ter wereld had het ons kunnen zeggen dan deze vertelster alleen. Wij zouden het ook nooit te weten gekomen zijn dan door haar. Het lijkt op een Evangelie, wat wij horen.

Wie had ooit gedacht dat er zulke dominees op de wereld waren? Gösta was door verveling en eenzaamheid een dronkaard geworden. Wel sloeg het hemelvuur nog één keer op de kansel, toen hij er voor de laatste maal op stond, maar het leven om hem heen was te wild en zijn hartslag was te fors dan dat hij heel netjes eerst bisschop en dan aartsbisschop van Uppsala had kunnen worden. Pas in de hemel, als God hem een sterker hart ha gegeven, zouden de wanden daarvan bestand zijn tegen de grote vreugden van het leven. Daarom smeedde God bij hem aldoor aan zulk een hart en liet het leven tegen hem zijn. Wie zou ooit gedacht hebben dat zo iemand hier op aarde ook nog ergens goed voor was en dat hij de klok der eeuw zou verzetten met zijn sterke handen?

Een andere dominee, die van Broby, is een gierigaard. Zijn paard verhongert op stal en hij verkoopt het hooi. Zijn hand is uitgestrekt om te bedelen en zijn rug gekromd om te danken. Hij bedelt bij de rijken en leent van de armen. Hij zit op een ongeverfde houten bank, kleedt zich in lompen en leeft van droog brood. Maar zijn hart heeft ook iets bijzonders. Het is veertig jaren bezig te verwelken en toch is het nog niet dood. Wat een leven moet God in zo'n mensenhart gelegd hebben. Hij is huisleraar geweest bij een adellijke familie en de dochter des huizes en hij hebben elkaar lief gehad. De ouders hebben het verboden, zou Ovidius zeggen.y Dan komt na veertig jaren een geel, verwelkt en oud freuleke in haar koets de heuvel oprijden, waar de pastorie van Broby bovenop staat. De dominee staat aan de weg en houdt zijn hand op om te bedelen. Zij vraagt naar de pastorie en hij merkt wie zij is. Veertig jaren en veertig mijlen hebben tussen hen gelegen, maar met iedere mijl heeft zij ook een jaar achter zich gelaten. Nu volgt van zijn kant de herkenning, zoals Penelope Odysseus herkende. En de goddelijke verbazing valt tussen hen. Hij zegt dat de dominee 's middags pas thuis zal zijn. Fris geschoren en goed gekleed, in zijden kousen staat de dominee van Broby kort daarop voor de vrouw van de proost te Bro, om haar hulp in te roepen; en zij komt. Als de proost van de lidmaatcatechisatie thuis komt, vindt hij geen middageten, geen dienstmeisjes, niemand en niets. Waarom ook niet? De eeuwigheid is in de tijd geslagen en veertig jaren zijn daarbij zoek geraakt. Wat kan de kerk beter doen dan daarbij al het andere vergeten?

De dominee van Broby is later toch gestorven. Hij is op die ene dag niet ten hemel gevaren. Een ander hoofdstuk vertelt van zijn dood. Het was in het jaar dat de cavaliers in Ekeby regeerden. Het was of de reuzen van voor de zondvloed weer losgebroken waren. Alles ging uit de voegen, ook in de natuur. Wolven en beren hadden nooit erger huisgehouden. Ziekten heersten in Wermeland. Voor St. Jan waren de onweren er al en daarna viel er geen drup regen meer. "Gods hand zoekt iemand, zeiden de boeren."z Zij bedoelden daarmee de predikant en wierpen dorre takken voor de pastorie. Dor voeder voor de dominee, riepen ze; zo droog zijn ook zijn gebeden.

De predikant van Broby heeft dan nog maar één bestaansreden op deze wereld: hij moet om regen bidden. Dan komt de zondag van zijn overwinning. De preek is gedaan en hij wil de kansel afgaan. Maar hij valt op de knieën en smeekt om regen als Elia op Karmel. En onder zijn gebed komen de bliksem en de donder en de regen. De dominee was de enige die niet in de regen naar buiten kwam. Hij lag op zijn knieën voor het altaar. Hij stierf van vreugde.

Gösta Berling zal in de wereldliteratuur zeker een ereplaats behouden. Het schrijven van zo'n boek is geen individuele daad. Het is de ziel van een volk, die er zich in uitspreekt. En de adem van moeder aarde, waaruit dat volk genomen is, slaat er ons uit tegemoet. In dat opzicht is het 't best te vergelijken met Cervantes' Don Quichotte.

Maar ook nog in een ander opzicht is dit het geval. De Spaanse roman maakt scheiding tussen eeuw en eeuw als tussen dag en nacht. Onder spot en lach zal de ridder uit de Mancha teruggejaagd worden in het donker, waaruit de burger-eeuw naar voren kwam. Maar hoe langer Cervantes van hem vertelt, hoe meer hij hem lief krijgt. En tenslotte vragen wij ons af wie deze ge lagen mens toch wel is, die zich te pletter loopt tegen een ploertige burgerlijkheid. Was het niet beter met hem terug te keren in de nacht? Ook daarin doet Lagerlöf aan Cervantes denken. Ik denk aan het sterfbed van de majoorske. De cavaliers hebben hun wilde levensdans uitgespeeld en daarachter spookte de macht van het Boze, waarvan de demon Sintram de geheimen kende. De ijzerwerken op Ekeby liggen stil en de gebouwen zijn ingestort. Het einde van het mensenleven in Wermeland schijnt gekomen. Er is wanhoop in het hart van de majoorske en haar laatste gedachten zijn er aan gewijd hoe zij in haar sterven de algemene ondergang zal verhaasten door Ekeby aan de cavaliers te vermaken. Dezen zijn echter tot inkeer gekomen en doen al hun best om althans de grote stoomhamer tijdig weer gangbaar te maken.

Bij het sterfbed wordt een laatste strijd gevoerd. Gösta wil aan de draaien schaafbank staan; hij wil een ridder van de arbeid worden. De majoorske wil hem Ekeby geven. Terwijl dit gesprek duurt en de goedbezitster in de kussens terugzinkt davert ineens door de stilte een doffe slag, toen weer een, en nog een. De grote stoomhamer is zijn dreunend werk begonnen. De trekken van de majoorske ontspannen zich en zij ontslaapt in vrede.

Het heeft mij altijd voor willen komen, dat met deze hamerslagen de negentiende eeuw werd ingeluid. De era der industrie deed haar intrede. De cavaliers konden bij de boeren in de kost gaan en de wilde Gösta werd een brave handwerksman. Terug in de romantiek met de boze Sintram maar ook met Gods gezant, kapitein Lennart! Weg met Mamsel Marie en met Liliencrona naar de eeuw van de sentimentaliteit! Maar terwijl de ijzerwerken dreunen van de hamerslag en Gösta Berling het rad des tijds een volle tand verzet, gaat onze liefde terug met de gestalten die gebannen worden. Selma Lagerlöf heeft die hamerslag op haar eigen sterfbed ook gehoord. Hij viel nu op de deur van haar Zweedse huis. Haar laatste gedachten gingen mede naar Finland uit. De slag heeft niet meegewerkt om haar trekken in de laatste ure te ontspannen. Hij hamerde in haar groot hart de zorg voor wat komen ging. Zou ze ook aan Ekeby gedacht hebben? Aan de smidse? Was dit de vrucht van de arbeid, die de sterke majoorske moed gaf om te sterven? Heeft Selma Lagerlöf het misschien altijd wel geweten, ook toen ze haar mooie Marbacka uit zijn vervallen staat opbouwde? En heeft zij daarom, voor alles, wat zij lief had in Gösta Berling in veiligheid gebracht?

Gösta Berling heeft iets van een bijbel. Alles staat er in. Sintram de duivel,- die het spel tenslotte verliest en overste Lennart, de heilandsgestalte, die geen hoofdkussen heeft, en die sterft in een oproer onder de slagen die voor anderen bestemd zijn.

Het heidendom is er in, de heks uit het hooggebergte, en gravin Martha, die de eksters uit de onderwereld de ogen willen uitpakken, zodat zij het daglicht niet meer te zien krijgt. Zij heeft verzuimd haar hart te voeden en deed niet anders dan dansen en spelen. Ook het christendom is er, in de gipsen heiligen, die uit de kerk te Svartsjö in het Löfvenmeer gegooid worden en later achter elkaar de kerk weer binnenschrijden.

Waar men het boek ook opslaat, er staat overal een tekst.

Selma Lagerlöf was de ziel van Zweden. Maar tevens, zoals de allergrootsten, behoort ze de mensheid toe. Zij is onze zuster, onze moeder, onze grootmoeder, de vertelster, alle drie tegelijk. Zie er haar beeltenis maar op aan. Hoe graag had ik haar eens, al was het maat uit de verte, gezien.

I. De Heere spreekt

Juli 1940

Hij spreekt en het is er; Hij gebiedt en het staat er (Ps. 33 9). En: "Wij geloven, dat die goede God, nadat Hij alle dingen geschapen had, deze niet heeft laten varen, noch aan het geval of de fortuin overgegeven, maar stiert en regeert ze alzo naar zijn heilige wil, dat in deze wereld niets geschiedt zonder zijn ordonnantie, hoewel nochtans God noch auteur is, noch schuld heeft van de zonde, die daar geschiedt. Want zijn macht en goedheid is zo groot en onbegrijpelijk, dat Hij zeer wel en rechtvaardiglijk zijn werk beschikt en doet, ook wanneer de duivelen en goddelozen onrechtvaardiglijk handelen. En aangaande hetgeen Hij doet boven het begrip des menselijken verstands, dat willen wij niet curieuselijk onderzoeken, meer dan ons begrip verdragen kan; maar wij aanbidden met alle ootmoedigheid en eerbied de rechtvaardige oordelen Gods, die ons verborgen zijn; ons tevreden houdende, dat wij leerjongeren van Christus zijn, om alleen te leren hetgeen Hij ons aanwijst in zijn Woord, zonder deze palen te, overtreden. Deze leer geeft ons een onuitsprekelijke troost, als wij door haar geleerd worden, dat ons niets bij geval overkomen kan, maar door de beschikking van onze goedertieren hemelse Vader, die voor ons waakt met een vaderlijke zorg, houdende alle schepselen onder zijn heerschappij, alzo dat niet één haar van ons hoofd (want die zijn alle geteld), ook niet één musken op de aarde vallen kan, zonder de wil onzes Vaders (Matth. 10 : 30, 29). Waarop wij ons verlaten, wetende dat Hij de duivelen in toom houdt en al onze vijanden, die ons zonder zijn toelating en wil niet schaden kunnen. En hierin verwerpen wij de verdoemelijke dwaling der Epicureeërs, dewelke zeggen, dat God zich nergens mede bemoeit en alle dingen bij geval laat geschieden" (art. 13 van de Nederlandse geloofsbelijdenis).

Onze vaderen onderscheiden in de scheppende en bestierende werkzaamheid Gods twee kanten: het verborgene en het aangewezene. Het eerste moet onze aanbidding wakker maken; het andere legt zich open voor onze lering. Beide te zamen geven zij een onuitsprekelijke troost. Voor die troost valt weliswaar de nadruk op het laatste, de lering, die ons toekomt van Christuswege, wanneer Hij ons in zijn Woord aanwijst, hoe de dingen staan. Dat ons niets bij geval overkomen kan en dat de hemelse Vader alle schepselen onder zijn heerschappij houdt en over ons waakt met een vaderlijke zorg. Op deze leer is dan in het bijzonder van toepassing, dat zij een onuitsprekelijke troost bevat. Daarmee houden wij ons tevreden. Wij willen deze palen niet overschrijden en niet proberen daarachter nog meer te weten te komen en de verleiding weerstaan om een nieuwsgierig onderzoek in te stellen naar een andere leer, een diepere kennis van Gods schepping en bestier. Ons begrip zou dat niet kunnen verdragen. Het is God die spreekt. En buiten Christus, zo leert ook Calvijn ons, zijn Gods wegen voor ons een doolhof.a Wij moeten ons houden aan de aanwijzing, als God met zijn vinger, zijn Geest, bij zijn Woord langs gaat en het ons leert lezen alsof wij het voor 't eerst onder de ogen kregen. - Zo hebben het onze vaderen geleerd en zo is de ervaring van de gelovigen van nu.

Toch vergeten de heiligen van de eerste en de laatste dagen onder de bijbelse les niet, dat het een verborgenheid is, die hun wordt geopenbaard en uitgelegd. Als de vinger Gods langs de regels gaat en de onuitsprekelijke troost daarvan aan hun hart wordt gelegd, dan weten zij dat het een groot mysterie is, waaruit hun zoveel wordt uitgelegd als voor hun begrip te dragen is. Zodra zij buiten het boek kijken, naar de werkelijkheid van Gods scheppende en bestierende Majesteit, dan schrikken zij. Dadelijk moeten hun ogen weer terug naar de regels van Gods Woord en de leer van Christus. Maar als de heiligen dat doen, kunnen zij toch niet vergeten hoe zij geschrokken zijn, toen zij oog in oog met Gods Majesteit geplaatst werden. Zij blijven er aan denken onder het lezen van de woorden van de Here Jezus en van de profetische en apostolische teksten. Alleen maar, hun schrik verandert in aanbidding, nu zij weten dat het Dezelfde is, die vanuit de verborgenheid van zijn raad handelt boven het begrip van hun menselijk verstand. Dezelfde als Hij, die hun het abc des geloofs, der hoop en der liefde leert door hun het Evangelie voor te spellen. De geduldige uitleggen, die elke morgen weer opnieuw met hun zwak begrip te rade gaat, door hun aanwijzingen te doen in zijn Woord, die hun bevatting niet te boven gaan, is geen andere dan de toornige en grimmige Werker aan de voleinding dezer wereld, die hen doet vergaan en verschrikken. Zijn geduld in het aanwijzen en het leren komt te heerlijker uit tegenover de haast en het geweld van zijn werken. Bij dat laatste is niets zo sterk, of Hij werpt het neder; zo snel, of Hij achterhaalt het. Maar onder het eerste richt Hij het zwakke op en laat Hij zich achterhalen door de gebeden dergenen, die Hem al lang hadden vergeten en die zich zijn naam nauwelijks meer konden herinneren. Zij roepen achter Hem aan en hun gebed komt Hem voor en brengt Hem tot staan op de weg van zijn gerichten. Zij lopen voor zijn voeten en zij kunnen zijn vriendelijk aangezicht zien.

Zo wordt de schrik tot aanbidding. En deze aanbidding is het, die de troost onuitsprekelijk maakt. Het is geen menselijke les, die de heiligen hebben te leren. De leer van Christus is een goddelijke aanwijzing. Terwijl zij die aannemen, aanbidden zij God en hun aanbidding gaat over in een bidden zonder ophouden. Terwijl zij al maar vragen, gaat de verschrikking hoe langer hoe meer uit de aanbidding weg en wordt het een bidden-zonder-meer; een gesprek tussen Vader en kind. Het ontzag der aanbidding, als zij zien naar het majesteitelijke handelen Gods, bindt hun ogen altijd weer aan het boek, het Woord waarin Hij zijn aanwijzingen geeft. Dan hangen zij weer aan de beloften Gods, die aan hun kinderlijke beden zijn aangemeten. Maar die aanhankelijkheid zou zo sterk niet kunnen zijn als daarbuiten Gods toorn en grimmigheid niet rondgingen; als vergankelijkheid en schrik voor hen niet alle andere toegangen tot God bezet hielden.

Een der eerste vruchten van de aanwijzingen Gods in zijn Woord en van de leer van Christus is de gemeenschap der heiligen. Uit de verborgenheid van de nacht, waarin het ongeloof van de met zichzelf tevreden mens hen gevangen houdt, komen de mede-heiligen te voorschijn en maken de duisternis tot licht. Zij worden door God ontbonden om heen te gaan, waar zijn hulp van node is. Dan wordt het openbaar dat er een Rijk is, waarin aardse macht geen zeggenschap heeft, waar alle knie zich voor Jezus buigt en waar allen verbonden zijn door de band der liefde en des Geestes. De minste is daar de meeste en men leeft er niet om te heersen, maar om te dienen.

In die gemeenschap heeft de aanwijzing in het Woord plaats en wanneer de vinger Gods, de Heilige Geest, de heilige teksten onderstreept, dan kijken de mede-heiligen ook op het blad en zij staan als getuigen in het stille verbond dat God met de ziel sluit. Hun aanwezigheid helpt om de schrik voor de werkelijkheid in aanbidding om te zetten. Zij zien de dingen van de andere zijde. Zij weten dat God zeer wel en rechtvaardiglijk zijn werk beschikt. Zij hebben daarvan een klare en volmaakte kennis en wanneer in de strijdende kerk de aanwijzing plaats heeft naar de mate van ons begrip, dan is iedere tittel en iedere jota voor hen een verheuging. De bijbel, zo zei mij eens een klare ziel, is niet helemaal alleen voor mensen op aarde geschreven. Deze visie is waarachtig en wordt bevestigd door de mystische ervaringen der gelovigen. Er staat wel hier en daar iets in, waarvan de betekenis ons niet geheel kan worden uitgelegd, maar dat een toegift is, bestemd voor de zalige geesten, die zeer begerig zijn om in te zien (1 Petr. 1 : 12).

Een andere verborgenheid van de aanwijzing Gods in zijn Woord en van de leer van Christus is deze, dat zij, te midden van de schrik der werkelijkheid van Gods scheppende en bestierende werkzaamheid, in vele gevallen de laatste kans is om zalig te worden. De dingen hebben onder de gewone gang des levens de neiging om hun loop gelijkmatig voort te zetten, ook tot het bittere einde toe. Het ongeloof paart zich met de sleur van het leven en samen brengen zij de ijdelheid voort, die de passende naam is voor een gestadig sterven, waarmee wij gevaar lopen ons tevreden te houden. - Hier grijpt nu God in met de schrik van zijn Majesteit. Hij verstoort de ijdele waan der trotse zielen, die hij van ver met gramschap aanziet en schenkt leven aan hen die, omringd door tegenspoed, moeten bezwijken.b Het zijn misschien en in vele gevallen dezelfden, de trotse zielen in ijd'len waan en degenen die in tegenspoed dreigen te bezwijken. Er is wellicht tussen de ene en de andere staat des levens een tijdsruimte van één dag. Toen kwam de schrik des Heeren, waardoor de mensen vermaand worden tot het geloof. Maar toen ook openbaarde zich de verborgenheid der godzaligheid. Was die schrik niet gekomen, dan zou de ijdelheid des levens misschien voortgang gehad hebben. Nu kwam nog eens, als van een groot geheim, de aanwijzing Gods. Nog éénmaal hield het gestadig sterven op en kwam God om leven te schenken. Gezien het grote apparaat dat Hij in beweging moest brengen, wellicht wel voor 't laatst. In ieder geval droeg het de kenmerken van het laatste aan zich, ook al was dit alleen duidelijk voor de enkele ziel. Want deze had het wel niet mogelijk geacht, dat God zo barmhartig zou zijn, dat Hij nog ééns, dwars door de gebedsloze sleur van het dagelijks leven en door de ijdelheidskermis der wereld, nabij zou willen zijn en zijn geduldige lessen zou willen geven in de gemeenschap der heiligen. Zo werd de schrik des Heeren tot een laatste kans om zalig te worden. Misschien was het al te laat. Te laat naar menselijke en psychologische berekeningen. Het was niet te verwachten dat het gebed in dit leven nog weer op gang kon worden gebracht. Het was meer dan onwaarschijnlijk, dat dit oog nog eens zou letten op de woorden Gods. Het was te laat, behalve voor God. Zijn barmhartigheid achterhaalde de ziel.

Zo kwam de gemeenschap der heiligen weer tot de mogelijkheden des levens te behoren. Het grote motief is daar de belijdenis van Gods grote Naam. En daardoor bekleedt het Kruis er een veel grotere plaats dan elders. Kruisschuwheid, zo zou men de grote kwaal van het ijdele leven kunnen noemen. In de gemeenschap der heiligen is het andersom. De apostelen, profeten en martelaars, die in het Te Deum worden genoemd, hebben het kruis op zich genomen, hebben zichzelve verloochend en zijn Jezus gevolgd. Het is niet te laat om zich bij hen aan te sluiten. De barmhartigheid Gods heeft het 'te laat' achterhaald. Misschien heeft het wel eens zo geschenen alsof er voor deze dingen geen plaats meer was in de wereld. Deze schijn is verdwenen. Wij leven niet te laat voor de gemeenschap der heiligen en voor de plichten en goederen, die tot hun samenleving behoren. Dit burgerschap vertoont zich midden onder ons en de aanwijzing in het Woord Gods is duidelijker dan sedert lang het geval was. Wij hebben de dag onzer geboorte niet achter ons, maar voor ons: de Wedergeboorte.

Wanneer wij ons door de lering van Christus door zijn Geest laten troosten, dan blijkt telkens weer dat de kracht en de zoetheid van die troost hierin gelegen is, dat hij ons gegeven wordt door Hem, wiens wezen en werk boven ons begrip is, ook wanneer wij ons binnen de palen van zijn Woord willen houden en niet curieuselijk willen onderzoeken wat daarbuiten valt. Christus is mens geworden, maar Hij is God. En niet onze geboorte, maar de Wedergeboorte bepaalt ons leven. Ook wanneer de leer van Christus zich wil richten naar ons begrip, dan is het verborgene toch veel meer dan wat daaruit door God wordt aangewezen. De aanbidding zal de eeuwigheid vervullen, ook al moet het geloof in de tijd uit het gehoor leven.

Dat dit het geval is, hebben onze vaderen wel geweten en God leert het ons niet minder in onze dagen. Onze geloofsbelijdenis laat aan de geschiedenis heel geringe ruimte om buiten God om te gaan. Integendeel, zij distantieert Hem daarvan zo weinig, dat de gedachte bijna zou kunnen opkomen, dat zij Hem betrekt in het kwaad dat daarin geschiedt. De belijdenis verweert zich tegen deze aanklacht en stelt uitdrukkelijk vast, dat God noch auteur der zonde is, noch schuld daaraan heeft. Maar daarom is het toch geen toeval en het gebeurt niet door de wenteling van het rad der fortuin. Neen, het staat vast dat niets geschiedt zonder zijn ordonnantie.

Hier schuilt een grote verborgenheid, die te allen tijde boven het begrip van mensen is uitgegaan en waarvan onze geloofsbelijdenis zegt, dat wij daarnaar niet nieuwsgierig moeten vragen. Toch is er, en niet steeds met de vrome schroom onzer vaderen, over dit punt heel veel gedacht, geschreven en gesproken. Altijd weer heeft het raadsel van het kwaad en de rol, die het Godsbestuur daartegenover speelt, de mensen beziggehouden. Zij noemden dat de theodicee, de rechtvaardiging van de goddelijke Voorzienigheid. Er is op dit gebied heel veel spitsvondigs uitgedacht, dat weinig troost geeft aan verschrikte harten. Toch merken wij, uit de wijze waarop onze Geloofsbelijdenis dit punt behandelt, dat wij er niet buiten kunnen blijven. Wij mogen aan de geschiedenis niet veel ruimte geven om buiten God te verlopen. Wij moeten Gods macht en goedheid heel eng etre en op e dingen die gebeuren. Wij moeten ze als 't ware zien gaan voor zijn ordonnantie uit, zonder dat zij gelegenheid hebben, een schrede ter rechter- of ter linkerzijde van de weg te wijken. Even streng gaat het hier toe als bij de Schepping, waarvan geschreven staat: Hij spreekt en het is er; Hij gebiedt en het staat er. De duur der geschiedenis, die een aarzeling van de feiten schijnt in te sluiten, verandert daaraan niets. De hoofdman van Kapernaüm had gelijk toen hij Jezus' macht en goedheid vergeleek met zijn eigen commando over de soldaten (Matth. 8 : 9). Als God zegt: Ga! dan gaan de dingen; als Hij zegt: Kom! dan komen zij. Als Hij tot iemand zegt: Doe dat! dan doet hij het. Aarzeling komt daarbij niet voor.

Inderdaad staat het geloof hier voor een grote verborgenheid in verband me t het kwaad of de zonde. Maar de belijdenis daarvan behoeft niet te verlopen in spitsvondigheden. Er is hier weliswaar meer dan ons begrip verdragen kan. Maar de kennis en de belijdenis van deze verborgenheid zijn nodig om de onuitsprekelijke troost deelachtig te worden, die de aanwijzing Gods in zijn Woord en de leer van Christus ons schenken. Zoals de mensheid van Christus zonder de kennis van zijn godheid ons niet baten kan, zo helpt ons de aanwijzing Gods in zijn Woord, dat ons niets bij geval overkomen kan, maar door de beschikking van onze goedertieren hemelse Vader, die voor ons waakt met een vaderlijke zorg - dit alles helpt ons niet, als wij de aanbidding niet oefenen van het grote wonder, dat zijn macht en goedheid zo groot en onbegrijpelijk zijn, dat Hij de handelingen van de schepselen met zijn regerende hand zo vast omsloten houdt dat, terwijl zij werken, Hijzelf zijn eigen werk zeer wel en rechtvaardiglijk beschikt.

Het bedenken van deze verborgenheid is geen ijdele filosofie, maar inderdaad vrome aanbidding, zonder welke wij slechts een schrale en geen onuitsprekelijke troost zouden hebben. Onze vaderen zijn er wel eens hard over gevallen, dat zij er zo op gestaan hebben om deze kanten van hun geloof tot zo krachtige uitdrukking te brengen. Ik denk dat de behoefte daaraan in alle tijden niet even sterk zal zijn, maar wij verstaan hen beter dan vaak het geval is geweest. Wij doen niet goed als wij Gods macht en goedheid van elkaar trachten te scheiden; wij behoren ze zo nauw mogelijk verenigd te houden, ook al kost het ons nog zo veel moeite. Wij verliezen onze troost, als wij Gods goedheid alleen willen eren in de leer van Christus en zijn macht slechts in de werken van schepping en regering. Het is de goede God - zo zegt het onze Geloofsbelijdenis - die de wereld heeft geschapen en haar daarna stiert en regeert. En die goedheid ligt zo dicht aan het wereldgebeuren, dat er niets geschiedt zonder zijn ordonnantie. Er is geen duimbreed afstand tussen die goedheid en dat gebeuren. Daarin ligt de zenuw van onze onuitsprekelijke troost. Uit dat onuitsprekelijk verband doet God in de Schrift enkele aanwijzingen naar ons zwak begrip. En uit die goedheid welt de liefde Gods in Christus, van welke niets ons scheiden kan, noch dood noch leven, noch engelen noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel (Rom. 8 : 38 v.).

Dat niets ons kan scheiden van de liefde Gods in Christus valt min of meer onder ons begrip. Dit geloof heeft een ervaringskant, die er een zoetheid aan geeft, die alle gelovigen kennen. Jezus heeft zichzelf vernietigd, de gestaltenis van een slaaf aangenomen hebbende, en is de mensen gelijk geworden (Fil. 2 : 7). Wij hebben grote aanrakingsvlakken met zijn leven. Hij is vlees geworden en heeft onder ons gewoond.

Maar deze zoetheid ontgaat ons, als wij ons omkeren en de verborgenheid van Gods bestiering in het aangezicht trachten te zien. Als wij ons wenden tot de bron, waaruit de liefde Gods in Christus vloeit. Dan wordt de zoetheid tot bitterheid. Wij kennen allen die bitterheid. Zij kerft soms als een mes in onze harten; zij mengt zich als alsem in onze levensbeker. Het Daarom! van het geloof wordt tot het Waarom? van de twijfel. Jezus heeft zelf deze beproeving doorstaan. Laat deze drinkbeker aan mij voorbij gaan! Waarom hebt Gij mij verlaten?

Er is voor onze mensheid en menselijkheid zo weinig ruimte tussen Gods verborgen goedheid en tussen het kwaad. Zij zijn zo dicht bij elkaar. De eerste omsluit het laatste zo nauw, dat wij daartussen schier niet kunnen ademen. Waarheen zullen wij ons wenden? Keren wij ons naar Gods goedheid, dan bedreigt het kwaad ons in de rug. En wenden wij ons om, dan zien wij niets van Gods goedheid. Zullen wij hier niet wat ruimte maken en onszelve lucht verschaffen?

In stille en rustige tijden, als er gelegenheid is voor het bedrijven van ijdele filosofie en het uitdenken van spitsvondigheden, doen de mensen dat. Zij maken de ruimte tussen Gods goedheid en het kwade groter. Zij scheppen daar plaats voor de menselijke vrijheid, bewegingsvrijheid tussen God en het kwade. - Maar in dodelijke tijdsgewrichten, waarin God alleen de ziel kan redden en de tranen kan drogen, blijkt dat een onnutte bezigheid. Dan blijkt dat men geheel zit ingekneld en dat de heiligen in hun gemeenschap alleen kunnen knielen op de plaats waar zij zijn. Een andere bewegingsvrijheid hebben ze niet. Alleen de aanbidding blijft over. Met de rug tegen het kwade zien zij God in het aangezicht en aanschouwen zijn goedheid.

Deze grote verborgenheid moeten wij niet curieuselijk gaan onderzoeken. Dat baat ons niets. Wij zouden er niets meer van te weten komen. Wij zouden het onuitsprekelijke van de troost er mee te niet doen. Van brood zouden wij stenen maken. Wat zou het ons geven als wij met allerlei denkmiddelen een open veld maakten tussen Gods goedheid in zijn regerende macht en het verkeerde dat de mensen doen. Dit veld is het juist, waar de wortelen der bitterheid uitgroeien tot een kwade oogst. Het kan nooit tot een zaadveld van de Zoon des mensen worden. - Wanneer daar zoetheid is in de lering van Christus en de aanwijzingen van God in zijn Woord, dan moet die haar schatkamer hebben in de verborgenheid van Gods Majesteit, in de verborgen samenhang van zijn werken. Daarom zijn wij op de verkeerde weg als wij daarin een neutraal veld zouden gaan uitdenken, om God verwijderd te houden van de geschiedenis. Daaruit zou ons alleen de bitterheid kunnen toekomen, waarover wij spraken. De bron van de troost kan alleen ontspringen uit het onuitputtelijk verband van Gods majesteitelijke schepping en regering. Wij moeten het aanbidden, dat zijn goedheid het kwade zo nauwsluitend omringt, als de zonde het ons doet (Hebr. 12 : 1). Wij moeten dat doen, ook al gaat het ons begrip verre te boven. Tussen Hem en de geschiedenis is niet meer afstand dan tussen Elia en de dode zoon van de weduwe van Sarfath, toen hij zich driemaal strekte over het kind. God is met zijn goedheid vlak op het kwade. God heeft de dingen niet laten varen, noch aan het geval of de fortuin overgegeven - houdende alle schepselen onder zijn heerschappij.

Deze verborgenheid der godzaligheid is de voorraadschuur, waaruit de breking des broods plaats heeft, die in het Evangelie geschiedt. De leer van Christus put uit dit mysterie. Zolang het Evangelie gepredikt wordt worden wij, naar de mate van onze behoeften en van ons begrip, daaruit gevoed. Wanneer wij vergaan door Gods toorn en door zijn grimmigheid worden verschrikt, dan weten wij daarin en daarachter de goedheid Gods, die wij alleen door aanbidding vermogen te eren.

Deze aanbidding is de zwaarste geloofsoefening, waartoe de heiligen op aarde geroepen worden. De dichter van Psalm 73 wist er van:

"Bezwijkt dan ooit in bitt're smart
Of bange nood mijn vlees en hart,
Zo zult Gij zijn voor mijn gemoed
Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed."c

J. Dominee Gunning †

Kroniek juli 1940

Het was in 1891 dat ik, als student te Leiden aangekomen, in aanraking kwam met dr. J. H. Gunning Jr.,55 die in dezelfde stad het Evangelie bediende, waar zijn vader een theologisch hoogleraarschap bekleedde. Sedert is hij voor mij, in onderscheiding van de professor, dominee Gunning gebleven. De toen nog jonge predikant, die overigens reeds een drietal gemeenten had gediend, had zijn studentikoze manieren nog niet afgelegd, zoals hij trouwens nooit helemaal heeft gedaan. Met grote vriendelijkheid en jovialiteit trad hij de aankomende theologen van zijn richting tegemoet. In kleine kringen bracht hij hen bijeen en zocht hen dan op allerlei wijze als pastor en ook als wetenschappelijk man van dienst te zijn. - Met de vroeg gestorven Willem van der Schans56 heb ik toen tegen Pasen 1892, tegenover hem belijdenis des geloofs afgelegd. - Gunning bleef de jongeren, die zijn tegemoetkomendheid beantwoordden, ook later met zijn belangstelling volgen. Men kon er zeker van zijn, in belangrijke of moeilijke ogenblikken van het leven een blijk van zijn medeleven te ontvangen. Steeds was er dan in zijn brieven, met het karakteristieke handschrift, een spontane hartelijkheid, waarvoor hij een bijzonder charisma had. En wanneer men hem een of ander teken van leven of activiteit deed toekomen, dan kon men er zeker van zijn, dat hij daarop per kerende post reageerde. - Zo is dominee Gunning voor ontelbaren in den lande op zijn eigen, zeer bijzondere wijze in meer of mindere mate tot een blijvende steun geweest.

Gewone correspondentie, hoe omvangrijk ook, was daarvoor niet voldoende. Uit dit tekort is al heel vroeg, in de Leidse tijd, Pniël geboren, het blad waardoor Gunning sprak tot een zeer uitgebreide gemeente. Meer dan in zijn boeken heeft hij daarin zijn wezen en roeping tot uitdrukking gebracht. Een halve eeuw lang heeft hij op een originele, frisse wijze, waaraan de jaren geen afbreuk deden, een gemeentelijke correspondentie gevoerd, die zeer velen tot grote zegen is geweest. Want rondom de briefwisseling in engere zin, die ook in Pniël een plaats bekleedde, kan zeer veel van wat Gunning daarin en elders aan kleingoed schreef, onder de titel 'correspondentie' worden begrepen. Wanneer hij schreef, dacht hij aan mensen en dikwijls aan bepaalde mensen. Groep en gemeenschap hebben dan ook, naar het laatst van zijn leven toe, een sterke invloed op hem uitgeoefend, zoals dat bij zijn vader het geval was met de kerk. De zoon was, hoezeer een gevierd prediker en een vroege liturg, als ik het goed zie, nooit een recht kerkman, ofschoon hij aan de andere kant toch ook weer een echte dominee was. Maar hij was meer dominee-alleen en had er moeite mee om dominee-met-anderen te zijn, tenzij dan met persoonlijke vrienden. Dit gaf aan Gunnings leven en werk iets onstabiels, waarbij hij zocht zonder te kunnen vinden. Steeds werd hij dan weer op zichzelf teruggeworpen. Maar onder dat alles door bleef de lust tot pastorale expansie, bleef de drang om van Jezus te getuigen, bleef de behoefte om behulpzaam te zijn, een vriendelijk woord te zeggen en anderen op te beuren. Hij was evangelist bij Gods genade en hij is tot het einde toe aan die roeping getrouw gebleven.

God had hem grote gaven geschonken, ook wel voor wetenschappelijke arbeid. De bibliotheek van dominee Gunning is een belangrijke afdeling geworden van de Utrechtse Universiteitsbibliotheek. En die boekerij was niet het resultaat van een lust om te verzamelen alleen. Gunning las ontzaglijk veel en goed, daarvan getuigen zijn recensies in Pniël. Hij was, heel jong nog, uitnemend hebraïcus en later steeds meer een sterke talenkenner. Hij las, in de sporen van zijn vader, in vele richtingen.

Maar die uitgebreide belezenheid en rijke kennis dienden, hoezeer ook de begeerte om een monumentaal boek te schrijven hem dikwijls te sterk werd, toch in hoofdzaak zijn corresponderende evangelisatie. Daarin geleek hij op zijn vader, die op heel andere wijze zijn geleerdheid geheel in zijn profetische activiteit insmolt.

Met de publieke werkzaamheid van vader en zoon, professor en dominee Gunning zijn een tachtig jaren gemoeid geweest. De profeet en de correspondent. Wie treedt er in hun sporen?

K. Kroniek september 1940

Wie nadenkt over de geschiedenis der kerk in onze tijden, merkt, dat het kerkbegrip zich onderdehand verbreedt en verdiept. Hij zal in verlegenheid raken ten opzichte van de feiten die hij daartoe al of niet moet rekenen. Dat valt al dadelijk op als men zich er rekenschap van geeft, dat het in onze kerk betrekkelijk stil geworden is. De gewone classicale vergaderingen bleven op de laatste woensdag van juni achterwege.57 De verkiezingen, die daar plachten gehouden te worden, vonden plaats door middel van de post. Verder bleef het kerkelijk gesprek, dat op die dag over het hele land gevoerd wordt, ditmaal geheel weg. Een ongewoon verschijnsel, dat op zichzelf reeds een merkwaardig stukje historie betekent, dat boekdelen spreekt.

Wanneer wij de kerkgeschiedenis echter alleen van die kant bekijken, zijn wij niet op weg om haar recht te leren kennen. Als wij op zoek zijn naar de dingen, die waard zijn om geboekstaafd te worden, dan moeten wij er op voorbereid zijn dat zij een meer mystiek karakter zullen dragen. Ik bedoel daarmee niet dat de gewone gang van zaken in de kerk zijn betekenis zou hebben verloren. Integendeel. Maar deze is in de schaduw gesteld door ervaringen en gebeurtenissen, die voortvloeiden uit een hogere orde van dingen. De kerk is, in haar embryonale toestand in de evangeliën, een gemeenschap des gebeds en des lijdens. En het einde van haar aardse verschijning zal hierin bestaan, dat rouw en moeite niet meer zullen zijn en dat God alle tranen van het aangezicht der heiligen zal afwissen. Door deze beide uiteinden wordt de kerkhistorie bepaald.

Uit dit oogpunt gezien zal men niet mogen zeggen dat het stil geworden is in de kerk. De Heilige Geest heeft in de harten der gelovigen gebeden met onuitsprekelijke zuchtingen. En de bijbel heeft zijn schatten opengedaan en uitgedeeld. Misschien is het daarbij anders toegegaan dan in gewone gevallen, wanneer de wereld zegt dat een gemeente bloeit. Het zal een andere bloei geweest zijn, zoals die van de staf van Aäron. Dood hout, dat toch bloeide.

Deze kerkgeschiedenis te schrijven wordt echter niet van een kroniek-schrijver verwacht. Toch is het goed er op te wijzen dat zij zich voltrekt, Anders zou de infernale humor, waarmee men heeft opgemerkt, dat de mond der kerk dit jaar gesloten bleef, een verkeerde schijn wekken. Want in deze spot schuilt, ook wanneer men hem een wijder strekking geeft dan met betrekking op het passeren van de classicale vergaderingen, een stuk waarheid. Dat is het meest neerdrukkende van de dingen die wij beleven. Daarom is het goed te letten op het getuigenis van zeer velen die de macht des Geestes aan hun hart en leven hebben ervaren juist in deze tijd. De Zone Gods vergadert zich een gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren, door zijn Geest en Woord in enigheid des waren geloofs, van het begin der wereld tot aan het einde.d De geschiedenis dezer gemeente blijft met de wereldgeschiedenis saamgeweven. Soms neemt die kerk de gestalte aan van een stormcentrum, van de wereld niet anders te onderscheiden dan daardoor, dat juist hier de doodsbeenderen levend worden, zodat men weet dat het Gods storm is en dat Hij Geest moet heten. Angstig blijft het dan toch nog. Maar wie het wedervaart, weet, dat het ten leven is en niet ten dode.

Het gewone raderwerk der kerk heeft inmiddels niet helemaal stilgestaan. Uit de aard der zaak trad daarbij de algemene synodale commissie naar voren, die waakt over de belangen der kerk, zolang de algemene synode niet vergadert. Zij wordt - aldus leerde mij prof. Cannegieter - gezegd te slapen, als de synode vergadert.e Zij bestaat uit de president, de vicepresident en de secretaris der synode; voorts uit drie predikanten en drie ouderlingen.58 Behalve allerlei toezicht en beslissing in geschillen is aan deze commissie ook opgedragen de uitvoering van alles, wat de synode haar heeft in last gegeven en de behandeling van spoed vorderende zaken, welke tot de bevoegdheid der synode behoren (art. 70 Alg. Regl. 6e).

Krachtens deze laatste bepaling was de synodale commissie het aangewezen lichaam om, bij het uitbreken van de oorlog, sommige zeer urgente maatregelen te nemen. Reeds op 16 april 1940 had deze commissie zich nog meer dan gewoonlijk op spoed ingesteld door het benoemen van een urgentie-commissie,59 waarvan de leden in of in de omtrek van 's-Gravenhage woonachtig moesten zijn. Daardoor werd de commissie van waakzaamheid, die in november 1939 was ingesteld, overbodig en werd dan ook door de urgentie-commissie opgeheven.

De algemene synodale commissie en haar urgentie-commissie hebben tot dusverre van hun bevoegdheden een bescheiden gebruik gemaakt. Na 14 mei werd een boodschap tot de kerk gericht, die ik bekend mag veronderstellen.60 Enkele noodmaatregelen werden genomen, in verband waarmee een abonnement op het Weekblad der kerk verplicht werd gesteld voor de kerkeraden. Aangedrongen werd op eenparigheid in doen en laten der ambtsdragers. De geleden oorlogsschade werd opgenomen en een noodcollecte uitgeschreven. De termijn voor de tienjaarlijkse stemming inzake kerkeraad of kiescollege met een jaar verlengd. Voor toewijzing van Avondmaalsbrood werd een regeling gevonden. Enigszins verder greep in het besluit om de classicale vergaderingen te passeren. Waar de verkiezingen schriftelijk hebben plaats gehad en de te behandelen wetswijzigingen aan de omstandigheden niet waren aangemeten, kan men deze maatregel moeilijk van vergaande strekking achten. Vooral waar de synode later aan de synodale commissie heeft opgedragen om ten opzichte van de buitengewone classicale vergaderingen diligent te blijven. Dit is van belang, omdat deze vergaderingen zich in een stadium bevinden, dat een overgang kan vormen naar een meer zuiver presbyteriaal overleg. - Men kan dus zeggen, dat onze kerk zich op dit punt op een tweesprong bevindt. Zouden de omstandigheden er toe leiden dat de spoedhouding der synodale commissie, welke volgens art. 70, 6e Alg. Regl. verantwoord is en die door de benoeming van een urgentie-commissie is toegespitst, met het oog op de moeilijke omstandigheden zich vast ging leggen, dan zou de organisatie van 1816 ons waarschijnlijk in een richting brengen, waarbij wij van de gereformeerde kerkelijke gemeenschap blijvend werden vervreemd. Dit zou het ergste zijn wat ons kon overkomen. Het administratieve in het bestuur onzer kerk zou helemaal de overhand krijgen en het geestelijke zou totaal onmondig worden. De verschillende administratieve en financiële instellingen, die bij de urgentie-commissie vertegenwoordigd zijn, zouden elkaar over het Hoofd der kerk heen de hand reiken en de Hervormde Kerk zou uiteindelijk opgaan in haar onbijbelse organisatie.

Daarom is het van zo buitengewoon grote betekenis, dat de urgentie-commissie zelf heeft voorgesteld om een buitengewone kerkelijke vergadering samen te roepen uit allerlei kerkelijke (hervormde) kring, ambtelijk en niet-ambtelijk, welke commissie later door de synode in haar dertiende zitting als 'commissie voor kerkelijk overleg'61 in het leven is geroepen. Zij zal bestaan uit een negentiental leden. Gezien haar samenstelling ligt het in de bedoeling der synode, dat in haar boezem aandacht zal worden geschonken juist aan de geestelijke mogelijkheden en moeilijkheden in het kerkelijk leven van onze tijd. En in verband daarmee aan een kerkorde, waaronder het Woord Gods zijn loop zal kunnen hebben en doen waartoe God het gezonden heeft. Want één ding is nu wel zeker, nl. dat wij in dat opzicht nu voleinds op een tweesprong staan. Wanneer wij de éne weg niet kiezen, zullen wij de andere tot het bittere einde moeten gaan. Haar fatum zal zich dan aan de Hervormde Kerk in snel tempo voltrekken. De spanning tussen haar organisatie en haar ambten zal ophouden en wij zullen dan niet langer een gereformeerde kerk zijn.

De synode is ditmaal, volgens het afscheid van de voorzitter, uiteengegaan terwijl allen het eens waren hierover, 'dat wel kerkvernieuwing nodig is, maar kerkbreuk vermeden moet worden'.f Dat is een goed-hervormde leuze. Maar wij hebben het niet in onze hand haar absoluut te maken. God alleen kan maken en breken. Ook breken en maken.

In haar eerste zitting heeft de synode een kloek getuigenis gegeven, dat wij hier met dankbaarheid weergeven en waarin van een éénheid sprake is, die alleen in Christus gevonden wordt, een éénheid door de Waarheid, die breekt met iedere leugen. Aldus:

"De Algemene Synode der Nederlandse Hervormde Kerk in haar 125ste vergadering bijeengekomen op de zeventiende juli 1940 voelt zich gedrongen bij de aanvang harer werkzaamheden, getuigenis te geven van het geloof der kerk, die zij vertegenwoordigen en dienen moet.

In diepe ootmoed en met dankbaarheid spreekt zij uit, dat God aan de Hervormde Kerk in vroegere dagen van strijd de volle schat van zijn Woord en de troostvolle inhoud van het Evangelie: dat de rechtvaardige door het geloof leven zal, heeft hergeven (Heidelbergse catechismus zondag 23).

In die strijd heeft Hij mannen verwekt, die stonden in de gehele wapenrusting Gods. Zo denke de kerk met dankbaarheid aan wat God in Marnix van St. Aldegonde, vier eeuwen geleden, aan de kerk der Hervorming heeft geschonken. Met lijdzaamheid hebben getrouwe getuigen in alle tijden de loopbaan gelopen, die hun voorgesteld was. Moge de Hervormde Kerk, die God in zijn grote genade als een Moeder aan ons volk heeft gegeven, weer trouw worden gemaakt in haar roeping voor heel ons volk. Moge de oproep, die nu uitgaat, gehoord en verstaan worden, opdat de kerk één moge zijn door de Waarheid en mogen daarbij alle belemmeringen worden overwonnen. Moge het karakter van de Nederlandse Hervormde Kerk als deel van de kerk van Christus opnieuw openbaar worden, opdat haar getuigenis weer klinke te midden van het volksleven. Mogen de leden der kerk in waar geloof door de krachtige werking van de Heilige Geest met de ware kerk van alle eeuwen belijden de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, van die God in wiens Naam zij gedoopt zijn, wiens Naam zij openlijk hebben beleden, bij welke belijdenis een ieder, die tot de kerk behoort, geroepen is te volharden.

Moge in plaats van partijheerschappij er een buigen zijn onder de heerschappij van Hem, wie te dienen alleen de ware vrede geeft. En moge van hier en met nadruk in deze dagen een oproep uitgaan tot allen, van wie wij kerkelijk gescheiden leven om samen te luisteren naar de bede van de Hogepriester onzer belijdenis, Christus Jezus: opdat zij allen één zijn, gelijkerwijs Gij Vader in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons één zijn, opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt.

'Die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom haastelijk, Amen. Ja, kom, Heere Jezus! De genade van onze Heere Jezus Christus zij met u allen, Amen'. "g

Dit oecumenisch getuigenis draagt een ander karakter dan de verwijzing naar art. 11, die wij in het Weekblad van 23 mei aantroffen:

"De zorg voor de belangen zo van de christelijke kerk in het algemeen als van de Hervormde in het bijzonder, de handhaving harer leer, de vermeerdering der godsdienstige kennis, de behartiging van de zending, de bevordering van christelijke zeden, de bewaring van orde en eendracht, en de aankweking van liefde voor koning(in) en vaderland, moeten steeds het hoofddoel zijn van allen, die in onderscheidene betrekkingen, met het kerkelijke bestuur belast zijn."h

Dat laatste is een reglementsartikel voor bestuurders. Het eerste is een getuigenis voor belijders.

Dit verschil wijst de richting aan, waarin onze kerk zich heeft te bewegen.

L. Kroniek december 1940

Kort na de verschijning van het september-nummer van dit tijdschrift heeft prof. Aalders de zeventigjarige leeftijd bereikt. Ik geloof in zijn geest te handelen, wanneer ik nalaat om nu, eind-oktober, daarop uitvoerig terug te komen. Hier sta dan alleen dank aan God, omdat Hij ons in deze figuur voor leven en werken iets van een standaard heeft geschonken. Dr. Aalders oefent deze functie niet persoonlijk uit. Niets zou hem vreemder zijn dan zulk een veronderstelling. Wat ik bedoel komt af van hoger plaats. Het gaat heen door wat ik zou willen noemen een gehoorzaam denken en doen, waaraan een strenge eenvoud eigen is, die stijl geeft aan zijn persoon en arbeid. Wie de proef wil nemen op het hier gezegde, leze bijv. nog eens over wat Aalders in de Dom te Utrecht gesproken heeft bij de Willibrord-herdenking.i Deze korte rede, die gespeend was van alle retoriek, diende haar onderwerp op een wijze, die haar standaardwaarde gaf.

Hetzelfde wat hier van het woord gezegd werd, geldt ook van de daad. In het ja of nee, dat dr. Aalders bij bepaalde gelegenheden weet uit te brengen, liggen woord en daad trouwens dooreen. Wie het vóór of tegen zich krijgt, voelt er een reële norm in, die iemand dwingt zijn houdingopnieuw te bepalen.

Bewijs van de echtheid hiervan is, dat hij, als hij de norm hanteert, zelf ook niet onbewogen blijft. Aan het denken en doen van dr. Aalders is geen starheid eigen.

Moge hij zijn dienst in ons midden nog verder vervullen!

Bijna gelijktijdig met bovengenoemde gedenkdag voltooide prof. Aalders zijn vijfde lustrum als hoogleraar te Groningen. Onwillekeurig brengt ons dat tot de vraag, wat de laatste vijfentwintig jaren voor de theologie en de kerk hebben betekend. Het beginpunt ligt in een wereldoorlog; het eindpunt doet dat weer. Aan het theologisch en het kerkelijk denken is dat wel merkbaar geweest. Beide zijn in sterke beweging gekomen en hebben een richting ingeslagen, die in merkwaardige tegenstelling staat tot dat van de vorige eeuw. Dat laatste dreigde in de eerste tien jaren van deze eeuw uit te lopen op de erkenning van menselijke autonomie in de theologie en op een eenheidsbeweging in de kerk, waarbij de synodale belijdenisloosheid in de plaatselijke gemeente zou zijn doorgetrokken. Ware dat toen zo doorgegaan, dan zou er in de kerk in plaats van de belijdenis een zekere onbepaalde stemming gekomen zijn. Een bereidheid tot eenheid, waarbij de bijbelse waarheid te kort zou zijn gekomen. Nog zo laat als in 1932 gingen de voorstellen Niemeyer c s.,62 die het afstaan van bepaalde beurten door de kerkeraad verplicht wilden stellen, in deze richting.

In tegenstelling daarmee kwam omstreeks dezelfde tijd de reorganisatiebeweging op gang. Zowel in Kerkopbouw als in Kerkherstel werd daarbij opnieuw de nadruk gelegd op wat aan de kerk als zodanig onvervreemdbaar eigen is. Woorden als dogma, belijdenis en tucht, die voor sommige oren een onaangename klank hadden gekregen, werden weer in ere hersteld, al bleef er met name ten opzichte van de tucht een scherpe onenigheid bestaan. Men erkende weer meer en meer dat wij in het kerkbegrip en in de kerkinrichting niet mogen afwijken van de kenmerken, waarmee de kerk staat of valt, en die in laatste instantie uit de Schrift moeten worden afgeleid. Deze beweging is in botsing gekomen met de kerkelijke toestanden, die wij als erfenis van de vorige eeuw hadden meegekregen. Teruggaan op de tijd van ± 1910 is daardoor onmogelijk geworden. Zelfs in de oecumenische actie is dat de laatste jaren duidelijk gebleken. Men is geneigd aan de eigen confessie groter waarde toe te kennen dan dit geruime tijd geleden het geval was. En met een vage liefde voor de Una Sancta, een stemming zonder meer, is niemand meer tevreden.

Overeenkomstige veranderingen hebben de laatste jaren op theologisch gebied plaats gehad. Dit spreekt wel vanzelf, omdat men moet beginnen met te erkennen dat deze wetenschap, zo men haar die naam wil toekennen, zich veel meer dan vroeger naar de kerk heeft gericht. Zij is, zoals in het begin van de Reformatie, weer een praktische kennis geworden. En de roem van volstrekte onpartijdigheid en algemeengeldigheid, die zij in de vorige eeuw zo hartstochtelijk najoeg, wordt door haar niet meer begeerd. Ook wanneer de theologie in hogere zin de titel van wetenschap niet loslaat, zo heeft zij toch het nerveus koketteren met de term 'wetenschappelijk' al lang vaarwel gezegd.

Dit kwam reeds voor vijfentwintig jaren tot uiting in de titel waaronder prof. Aalders toen zijn inaugurele rede te Groningen uitsprak. Deze luidde: Gewijde synthese. Met het laatste woord handhaafde hij voor de theologie het recht en de plicht om naar éénheid te zoeken in de verschijnselen, die op haar terrein zich voordeden, en om naar het verband daartussen te vragen. Met het eerste hief hij haar uit de vlakken van een materialistisch of psychisch monisme. Gewijd is de synthese, wanneer de zonde niet over het hoofd wordt gezien en met de heiligheid Gods ernst wordt gemaakt. En daarom werd dan, ook tegenover Heymans, wiens monisme toen van Groningen uit veel invloed oefende, getuigd: Wij durven de vergelijking met andere concepties aan.j

In 1915 werd echter de heiligheid Gods nog dikwijls op de achtergrond der theologie geschaduwd met behulp van de godsdiensthistorie. Omstreeks die tijd schreef Otto zijn bekend boek.k Op de voorgrond werden dan culturele tinten opgedragen. Sedert is die achtergrond al maar donkerder geworden, zodat alleen de bijbel ons in staat stelt haar aan te duiden, zonder dat onze christelijke hoop daarbij verloren gaat. En het culturele op de voorgrond heeft zich dienovereenkomstig verdiept en tevens versmald tot het blote heil. Het denken van een synthese tussen goddelijke majesteit en heiligheid enerzijds en menselijke waarde en zaligheid anderzijds, is nog oneindig veel moeilijker geworden.63

Voetnoten

  1. a

    A. H. de Hartog, De heilsfeiten, Amersfoort 1907. De redelijkheid der religie, Amersfoort 1907.↩

  2. b

    O. Noordmans, Het getuigenis van dr. De Hartog. Waardering en kritiek, in Stemmen voor Waarheid en Vrede 47 (1910), p. 144-172. Opgenomen in VW., dl. 1, p. 151-166.↩

  3. c

    Bedoeld is O. Noordmans, De reorganisatie in een nieuwefase, in Onder eigen Vaandel 13 (1938) nr. 4, p. 288-302. Opgenomen in VW., dl. 5, p. 490-504. Zie m.n. p. 497.↩

  4. d

    De Nederlander. Christelijk-historisch dagblad voor Nederland 46 (27.1.1939) nr. 13912.↩

  5. e

    *Uitg. A. W. Spiering, Groningen.* Een zwarte dag? Verzameling van stukken, verslagen, protesten en bijvalsbetuigingen, die alle betrekking hebben op den Protestantsch-Katholieken zangavond, gehouden in de Der Aakerk te Groningen op Donderdag 23 Februari 1939, Groningen z.j.↩

  6. f

    C. G. Wagenaar in het Evangelisch Zondagsblad van 26 maart 1939 (niet te achterhalen nummer). Vgl. C.W. Coolsma, In boeien, Leeuwarden 1950, p. 52.↩

  7. g

    Ibid.↩

  8. h

    Zie p. 60, noot g.↩

  9. i

    K.Dijk in de rubriek Kerkelijk leven, in De Bazuin 87 (3.2.1939) nr. 5.↩

  10. j

    ... Und lobten Gott. Zeugnisse evangelischer Pfarrer und Laien des heutigen Deutschland, P. Vogt ed., Zollikon 1938 (herausgegeben vom Schweizerischen Evangelischen Hilfswerk für die Bekennende Kirche in Deutschland). In het Nederlands vertaald door M.Stomps onder de titel ... En zij loofden God. Getuigenissen van protestantsche predikanten en leeken in het tegenwoordige Duitschland, z.p. 1938.↩

  11. k

    D. Bakker, Wenselijkheden en mogelijkheden van reorganisatie in de Nederlandse Hervormde Kerk, Assen 1939, p. 3. Met 'deze dingen' bedoelde de schrijver de zaak van de reorganisatie.↩

  12. l

    H. de Vos gaf dit advies met betrekking tot N.' geschrift Kerkelijk denken voorwaarde voor kerkorde (zie VW., dl. 5, p. 430-485), niet in Kerk en Wereld maar in Tijd en Taak. Religieus-socialistisch weekblad 36 (25.6.1938) nr. 39. Zie voor De Vos dl. 5, p. 616, noot 30.↩

  13. m

    D. Bakker, a. w., p. 6.↩

  14. n

    A. w., p. 7.↩

  15. o

    Bedoeld is de beginselverklaring die op 9 juni 1937 werd aangenomen door de algemene vergadering van de Vereeniging van Vrijzinnige Hervormden te Den Haag. Daarin werd als een der taken van de kerk geformuleerd (art. l): "het zoeken van de wegen, langs welke de beginselen van het Evangelie verwezenlijkt kunnen worden in staat en maatschappij." Deze verklaring werd opgenomen in Bakker, a. w., p. 4 v.↩

  16. p

    Bakker, a. w., p. 7.↩

  17. q

    A. w., p. 8 vv.↩

  18. r

    De tekst van deze Motie-Zutphen bij Bakker, a. w., p. 5. Punt 4 luidde: "dat dus de reorganisatie zich in de huidige omstandigheden heeft te beperken tot uitbouw van de bestaande kerkorde in de richting van alles, wat voor de functionering van het kerkelijk leven in gemeentelijk en breder verband betere mogelijkheden schept."↩

  19. s

    A. w., P. 10.↩

  20. t

    A. w., p. 11 v.↩

  21. u

    A. w., p. 12.↩

  22. v

    A. w., p. 11.↩

  23. w

    Zie het voorwoord van D.Bakker in J.Lindeboom, H.deVos e.a., Wij belijden... Vrijzinnige beschouwingen over de belijdenisvragen der Ned. Herv. Kerk, Assen z.j., p. 5-9.↩

  24. x

    N.doelt op alinea 2 van art. 65 van het Alg.Regl.:"Omtrent de administratie der bijzondere kerk-, pastorie-, kosterij- en andere gemeentefondsen en de betrekking tussen hun bestuurders en de kerkeraden, zullen nadere bepalingen worden ontworpen."↩

  25. y

    Zie het redactioneel artikel onder het kopje Inzicht of sentiment?, in Het Orgaan van de Bond van Ned. Predikanten 21 (juni 1939) nr. 6.↩

  26. z

    Het Maandblad van de Vereeniging van Kerkvoogdijen in de Nederlandsche Hervormde Kerk (juniljuli 1939) nr. 162/163, p. 66-69.↩

  27. a

    Hand. Syn. 1939, p. 98 vv.↩

  28. b

    Zie in dit deel, p. 252, noot c.↩

  29. c

    A. J Wensinck, De Nederlandsch-Hervormde Kerk en de Gemeente van Christus. Gedachten naar aanleiding van de Reorganisatiebeweging, Rotterdam z.j.↩

  30. d

    Bedoeld zal zijn prof. F. W. A. Korff, pre-adviserend lid der algemene synode en van Synodi contractae. Bij de bespreking van het rapport van de synodale commissie inzake de reorganisatie op 8 augustus 1939 merkte K. op: "Persoonlijk zou ik menen, dat, nadat wij gedurende de laatste tien jaren tot driemaal toe een reorganisatie-ontwerp hebben gehad zonder ander resultaat dan een verscherping der verhoudingen, het thans gewenst ware tien jaren over deze zaak te zwijgen, om dan weer eens opnieuw te overleggen, wat er gedaan zou kunnen worden." Zie Hand. Syn. 1939, p. 152.↩

  31. e

    J. F. Beerens, Een scherp requisitoir tegen de Hervorming, in Kerkopbouw 8 (november 1939) nr. 7, p. 60 v.↩

  32. f

    A.w., p. 61. Vgl. HC. zondag 35.↩

  33. g

    Beerens, p. 61.↩

  34. h

    *H. Bruning, Verworpen christendom, Amsterdam 1938, p. 162.↩

  35. i

    W. J. Aalders, Mystiek. Haar vormen, wezen en waarde, Groningen/Den Haag 1928, p. 259-264, m.n. p. 261 v.↩

  36. j

    Het Orgaan van de Bond van Ned.Predikanten 21(december1939)nr.ll met bijdragen van o.a. J. P. Cannegieter en M. van Haaften.↩

  37. k

    O.Noordmans, Gemeenschap en persoonlijkheid, in Stemmen voor Waarheid en Vrede 56 (1919) nr. 7, p. 481-501 en nr. 8, p. 571-592. Opgenomen in VW., dl. 1, p. 205-230. Voor N.' artikelen in Het Orgaan, zie VW., dl. 5.↩

  38. l

    H. Bakels, Bouquetje Dogmatiek. Waarin zoo overtuigend als mogelijk was, volgens het beginsel der vrije gedachte, wordt aangetoond de waarachtigheid van God, Deugd, Onsterfelijkheid, Enkhuizen 1907.↩

  39. m

    H. Bakels, Het Nieuwe Testament. Voor leeken leesbaar gemaakt, Amsterdam 1908.↩

  40. n

    Niet in de door ons geciteerde uitgave. Zie in dit deel, p. 306, noot 52.↩

  41. o

    H. Bakels, Godslastering?, Den Haag 1940, p. 139.↩

  42. p

    Ibid.↩

  43. q

    Niet in de door ons geciteerde uitgave.↩

  44. r

    De passage in H. Bakels, Spaansche pepertjes, Amsterdam z. j., p. 209 v. N. parafraseert niet helemaal correct. Het beeld van de schreiende zuigeling was door Bakels zelf aange- dragen.↩

  45. s

    Godslastering?, p. 139.↩

  46. t

    A. w., p. 42.↩

  47. u

    Inst. II, 9, 1.↩

  48. v

    Niet in de door ons geciteerde uitgave.↩

  49. w

    Godslastering?, p. 50 v.↩

  50. x

    Niet in de door ons geciteerde uitgave.↩

  51. y

    Sed vetuere patres. Ovidius, Metamorphoses IV, 61.↩

  52. z

    S. Lagerlöf, Gösta Berling, uitg. H. J. W. Becht, Amsterdam 195211 (vert. M. Meyboom), p. 238.↩

  53. a

    Inst. I, 6, 3.↩

  54. b

    Vgl. ps. 138: 3 en 4 (oude berijming).↩

  55. c

    . Ps. 73 : 13 (oude berijming).↩

  56. d

    Vgl. HC. zondag 21.↩

  57. e

    Zo op een college. Zie VW., dl. 5, p. 90 v.↩

  58. f

    Zie Hand. Syn. 1940, p. 260. Voorzitter van deze synode was J. W. J. Addink.↩

  59. g

    Hand. Syn. 1940, p, 11 v.↩

  60. h

    Weekblad van de Nederlandsche Hervormde Kerk 23.5.1940. Deze herinnering aan de taak van de kerk van de zijde van de Algemene Synodale Commissie werd opgenomen in H.C. Touw, Het verzet der Hervormde Kerk, 's-Gravenhage 1946, dl. 2, p. 11 v.↩

  61. i

    W, J. Aalders, Willibrord en het heden. Rede, gehouden in den Dom te Utrecht bij de herdenking van het twaalfde eeuwgetijde van Willibrord, apostel der Nederlanden, op 7 november 1939, opgenomen in Stemmen des Tijds 28 (1939) nr. 12, p. 835-843.↩

  62. j

    W. J. Aalders, Gewijde synthese, Utrecht 1915, p. 31.↩

  63. k

    R. Otto, Das Heilige. Über das Irrationale in der Idee des Göttlichen und sein Verhältnis zum Rationalen, Breslau 1917.↩

Eindnoten

  1. 1

    N.' Kronieken verschenen in de beide eerste jaargangen van Woord en Wereld (voortaan WW.), resp. in WW. 1 (1939) nr. 1, p. 50-56; nr. 2, p. 143-148; nr. 3, p. 216-220; nr. 4, p. 299-304; nr. 5, p. 392-395; nr. 6, p. 472-476; WW. 2 (1940) nr. 1, p. 51-56; nr. 2,'p. 140-143; nr. 3, p. 161-169; p. 202-203; nr. 4, p. 263-267; nr. 5, p. 312-315. Aan de eerste Kroniek was de volgende noot toegevoegd: "Voor de inhoud van deze kroniek zijn uitsluitend de schrijvers, welke er aan medewerken, verantwoordelijk" (p. 50). De Heere spreekt, in WW. 2 (1940) nr. 3, p. 161-169, was daarin niet als kroniek opgenomen, maar is, gezien het karakter van dit artikel, door de red. aan deze serie toegevoegd.

    Het tweemaandelijks tijdschrift Woord en Wereld werd in 1939 opgericht. Het verscheen steeds op de vijftiende van een maand. In 1941 werd het op last van de bezetter verboden (zie daarover H. C. Touw, Het verzet der Hervormde Kerk, 's-Gravenhage 1946, dl. 1, p.281). De redacteuren kwamen uit de kring van voorstanders van het reorganisatie-ontwerp-1938 van de Nederlandse Hervormde Kerk. Behalve N. behoorden o.a. P. Scholten, H. Kraemer en J. Koopmans tot de vaste medewerkers. In dit tijdschrift wilden zij de strijd om een belijdende kerk voortzetten na de verwerping van het Ontwerp-1938. Theologisch stond Woord en Wereld in de nog jonge traditie van de dialectische theologie. Het tijdschrift werd uitgegeven te Nijkerk.↩

  2. 2

    A. W. Bronsveld (1839-1924), hervormd predikant, o.a. te Utrecht. Vanaf 1875 redigeerde hij het tijdschrift Stemmen voor Waarheid en Vrede (zie VW., dl. 1, p. 165 v., noot 1). Zijn belangrijkste bijdrage daaraan bestond uit de Kronieken, die hij gedurende vijftig jaar met slechts een enkele onderbreking verzorgde. Hij schreef m.n. over politieke onderwerpen. B. was oorspronkelijk een geestverwant van Groen en een vriend van Kuyper (zie VW., dl. 5, p. 480, noot 58). Door m.n. de kerkelijke strijd van 1886 werden Kuyper en hij tegenstanders.↩

  3. 3

    A. H. de Hartog (1837-1895), hervormd theoloog, vanaf 1882 hoogleraar aan de Vrije Universiteit. Geestverwant van Kuyper. De H. schreef o.a. in De Heraut, waarin hij de rubriek Uit den schat der kerk verzorgde.↩

  4. 4

    Zie voor Nieuwe Banen VW., dl. 1, p. 150, noot 31.↩

  5. 5

    N. gaf o.a. een bespreking van De Hartogs De zin van ons leven, Amsterdam z.j., in A WCC. 1 (1924125) nr. 52, p. 8. Over het karakter van dit geschrift, volgens N. behorend tot de chokma-literatuur, merkt hij op dat z.i. "de redelijkheid, die ds. De Hartog in z'n wilsfilosofie zo krachtig handhaaft, hier de grenzen van achttiende-eeuwse verstan eheid nadert ... De Wijze, die hier geduldig de 'kleine' zielen onderwijst, weet veel in het leven rationeel te maken, wat wij sedert een eeuw gewend waren in hoger samenhang onverklaard te laten."↩

  6. 6

    P. Smit (1872-1939), hervormd predikant, o.a. te Heumen. Van 1935 tot aan zijn dood was hij praeses van de Algemene synode van de Nederlandse Hervormde Kerk. S. behoorde tot de ethische richting.↩

  7. 7

    G. J. Weyland (1860-1935), hervormd predikant, o.a. te Veere. W. was van 1917 tot kort voor zijn dood praeses van de Algemene synode van de Nederlandse Hervormde Kerk. Met L. W. Bakhuizen van den Brink bezorgde hij De reglementen der Ned. Herv. Kerk, uitgegeven met aanteekeningen op last van de Algemeene Synode,'s-Gravenhage l9242 W. behoorde tot de ethische richting.↩

  8. 8

    Zie voor een uitvoeriger kritiek van N. op de Liturgische beweging het iets later geschreven artikel Kansel of altaar in WW. 1 (1939) nr. 4, p. 284-299, opgenomen in VW., dl. 6.↩

  9. 9

    Blijkens notulen van de Evangelische Maatschappij (Rijksarchief te Utrecht) werd in 1938 door het hoofdbestuur van de Maatschappij besloten een circulaire te zenden aan alle predikanten in Nederland, uitgezonderd de gereformeerde, en daarin te wijzen op 'de machtsontwikkeling van de Rooms-Katholieke Kerk' in de samenleving. Dit rondschrijven werd opgesteld door W. F. C. L. Schulte en D. A. van Krevelen onder de titel Het onbegrijpelijke. De Evangelische Maatschappij werd opgericht in mei 1853 tijdens de Aprilbeweging (tegen herstel bisschoppelijke hiërarchie in de R.-K. Kerk in Ned.) met als doel versterking van het protestantisme tegen het opdringend ultramontanisme. Orgaan: De Protestant (sinds 1895; sinds 1970: Tenminste). Thans is de E.M. aangesloten bij het Protestants Convent.↩

  10. 10

    Bedoeld is de Christelijk Nationale Actie, ter verdediging van het recht der hervormde gezindheid, de politieke partij die door de theoloog H. Visscher werd opgericht (1935), maar geen zetel haalde in de Kamer. Orgaan: Nieuw Politiek Leven. Met deze partij wilde V. de beginselen van het gereformeerd protestantisme "weder tot invloed brengen in de wetgeving en het bestuur des lands en alzo het Protestants karakter, dat onze natie krachtens hare oorsprong eigen was, weder tot meerdere erkenning brengen" (art. 1 concept program van beginselen CNA., in J. van der Graaf, Delen of helen? Hervormd kerkelijk leven in en met de Gereformeerde Bond, 1906-1951, Kampen 1978, p. 166). Zie voor Visscher voorts VW., dl. 5, p. 136, noot 24.↩

  11. 11

    Op 10.8.1938 was het in eerste aanleg ter synode aangenomen reorganisatie-ontwerp verworpen. De meerderheid der synode wenste in plaats daarvan een 'niet nader bepaalde reorganisatie'. De algemene synodale commissie benoemde in overleg met de kerkelijke hoogleraren op 16.12.1938 de door N. hier genoemde cie van rapport. Op 5.6.1939 zou deze cie een rapport en twee minderheidsnota's presenteren welke alle door de synode van 8.8.1939 werden verworpen. Zie de rubriek De eindstrijd rondom het ontwerp-1938, in VW., dl. 5, p. 430-517. Voorts in dit deel, p. 305, noot 32.↩

  12. 12

    Op initiatief van ds. C. W. Coolsma werd op 23 februari 1939 een oecumenische zangavond gehouden in de Der Aakerk te Groningen. Doel was enerzijds het geven van een gemeenschappelijk getuigenis van protestanten en katholieken, anderzijds kennisname van elkaars zangwijze. De hier gezongen 'psalmen van Hasper' waren afkomstig uit H. Hasper, Het boek der psalmen. De psalmen van Israël op de oorspronkelijke melodieën uit de zestiende eeuw opnieuw naar het Hebreeuwsch bewerkt en voorzien van aanteekeningen, 's-Gravenhage 1936, welke (ritmische) berijming een correctie wilde zijn op de Staatsberijming van 1773. Zie voor de reacties op de Groningse zangavond behalve de door N. genoemde brochure (p. 253, noot e), C. W. Coolsma, In boeien, Leeuwarden 1950, p. 52. C. W. Coolsma (1877-1955) was hervormd predikant, o.a. te Groningen. C. behoorde tot de ethische richting en was o.a. redacteur van Bergopwaarts.

    H.Hasper (1886-1974), gereformeerd predikant o.a. te Oldeboorn. In 1927 sloot hij zich aan bij de Gereformeerde Kerken in Nederland in hersteld verband en werd predikant te Den Haag. Zijn activiteiten richtten zich vooral op het kerklied. Behalve de bovengenoemde psalmberijming publiceerde hij in 1935 Geestelijke liederen uit den schat van de kerk der eeuwen. Recentelijk verscheen over H.: N. van Tellingen, H. Hasper, een omstreden hymnoloog, Goes 1980; B. Smilde, Hasper en het kerklied. Een onderzoek naar het hymnodische en hymnologische werk van ds. Hendrik Hasper (1886-1974) in verband met de ontwikkeling van het kerklied in Nederland in de twintigste eeuw, Leeuwarden 1986.↩

  13. 13

    C. G. Wagenaar (1884-1954), hervormd theoloog, vanaf 1928 bijzonder hoogleraar vanwege de Ned. Evangelische Vereniging te Groningen. W. was o.a. actief in de vereniging Kerkopbouw en werkte mee aan verschillende publikaties daarvan.↩

  14. 14

    Evulgetur: term uit het r.-k. kerkelijk recht welke betrekking heeft op de keuring die voorafgaat aan het uitgeven van geschriften over geloof en moraal. Lett.: Het worde uitgegeven. Haspers psalmberijming werd in kringen van de rooms-katholieke geestelijkheid enthousiast ontvangen. Na enkele wijzigingen werd in 1936 aan de psalmberijming met alle aantekeningen het 'evulgetur' en voor alle melodieën het 'nihil obstat' verleend.↩

  15. 15

    De Alg. synode der Ned. Herv. Kerk had in 1928 een commissie benoemd tot samenstelling van een nieuwe tiederenbundel. Deze commissie, onder voorzitterschap van J. Riemens jr. (1875-1974) bezorgde in 1938 de bundel-1938 waarin de psalmberijming van 1773 opnieuw werd opgenomen. Het psalter van Hasper wees zij af als onvoldoende bijbels en in artistiek opzicht gebrekkig. Zie voor het conflict tussen Hasper en de gezangencommissic het postuum verschenen tweede deel van Haspers Calvijns beginsel voor de zang in de eredienst, verklaard uit de Heilige Schrift en uit de geschiedenis der kerk (bewerkt door W. de Graaf), 's-Gravenhage 1976, hfdst. 13 en 14.↩

  16. 16

    Begin deze eeuw ontwikkelde zich in de Rooms-Katholieke Kerk een streven naar actieve werkzaamheid van leken in deze kerk. Rond 1930 legde deze ontwikkeling zich vast in de definitie van 'katholieke actie': de deelname van het laïcaat aan het hiërarchisch apostolaat van de kerk. In 1936 werd daartoe in Nederland het Landelijk Centrum voor Katholieke Actie in Nederland opgericht, gevestigd te Heemstede, dat de samenwerking van priester en leek tracht te stimuleren. Zie L.C. Baas, Hiërarchie en laïcaat, (pastorale cahiers 14), Hilversum-Antwerpen 1963.↩

  17. 17

    Kardinaal Eugenio Pacelli werd na de dood van Pius XI tot diens opvolger gekozen (Pius XII) in een conclaaf van slechts één dag op 2 maart 1939.↩

  18. 18

    Barth kwam in maart 1939 voor de derde maal naar Nederland. Hij gaf voor de theologische faculteiten van Utrecht, Leiden, Kampen, Groningen en Amsterdam college over de soevereiniteit van het Woord Gods en de beslissing des geloofs (verschenen als Heft 5 in de reeks Theologische Studien). Toen Barth in Amsterdam verboden werd op politieke vragen in te gaan, weigerde hij verder te spreken en is, buiten de politie om, de vergadering voortgezet in het A.M.V.J.-gebouw. Ook N. was daarbij aanwezig. Zie in dit verband J. J. Buskes, Hoera voor het leven, Amsterdam 19635, p. 89 v.; G. van Roon, Protestants Nederland en Duitsland 1933-1941, Utrecht-Antwerpen 1973, p. 143 vv. Na Barths overlijden in 1969 schreef een der organisatoren van de tournee in 1939, J. C. van Dongen, een uitvoerig artikel in IdW. 24 (1969) nr. 15, p. 298 vv., onder de titel Karl Barth als genodigde van Nederlandse studenten in 1939.↩

  19. 19

    K.Dijk(1885-1968),gereformeerdtheoloog, vanaf1937tot1955hoogieraaraandeTheologische Hogeschool te Kampen. K. was vooral beïnvloed door A. Kuyper, van wiens Dictaten dogmatiek hij een (ongeautoriseerde) uitgave bezorgde. Hij vervulde een leidende rol in de Gereformeerde Kerken. Zijn hoofddoel was de opbouw van de gemeente in het belijden van de vaderen. Behalve in De Bazuin schreef hij in het door Kuyper opgerichte weekblad De Heraut.

    De Bazuin, gereformeerd weekblad, verscheen vanaf 4 augustus 1853 onder red. van o.a. de predikanten S. van Velzen en A. Brummelkamp. Van 1855 tot 1885 werd het geredigeerd door docenten van de Theologische Hogeschool. Het blad had grote invloed in de Gereformeerde Kerken. Het werd in 1964 opgeheven.↩

  20. 20

    Barth vreesde in het handhaven van de kinderdoop een dermate groot respect voor de natuurlijke levensverbanden dat daardoor het primaat van de openbaring in gevaar zou komen. Z.i. moest de doop volgen op geloof en geloofsbelijdenis. Door zijn uitlatingen op dit punt speelde sindsdien ten onzent de discussie over de kinderdoop een grote rol in menige beschouwing over Barth. In 1947 publiceerde G. C. Berkouwer zijn uitvoerige studie over Karl Barths opvattingen over de kinderdoop, getiteld Karl Barth en de kinderdoop, waarin hij in Barths doopleer een synergistisch element constateerde door de nadruk op de menselijke geloofsdaad voorafgaande aan de doop. Zie in dit verband het informatieve hoofdstuk Karl Barth en de kinderdoop (1947), in M. E. Brinkman, De theologie van Karl Barth: dynamiet of dynamo voor christelijk handelen. De politieke en theologische kontroverse tussen Nederlandse barthianen en neocalvinisten, Baarn 1983, p. 75-88.↩

  21. 21

    Als begin van deze belijdeniskerk (Bekennende Kirche) gelden de zgn. Barmer Thesen, door Barth geïnspireerd en mede opgesteld en aanvaard door de synode van Barmen op 31 mei 1934, waarin de religie van het nationaal-socialisme in scherpe bewoordingen werd afgewezen. Zie voor een overzicht van de belangrijkste gebeurtenissen in de Duitse kerkstrijd en literatuurverwijzingen VW., dl. 5, p. 155, noot 8.↩

  22. 22

    D. Bakker (1889-1954), hervormd predikant o.a. te Amsterdam en Drachten, voorman van de vrijzinnigen. B. was o.a. hoofdredacteur van Kerk en Wereld, het orgaan van de landelijke Vereniging van Vrijzinnige Hervormden. Op het punt van de reorganisatie gaf hij uiting aan het in vrijzinnige kringen vrijwel algemeen verzet tegen de leertucht. Zie H. Bartels, Tien jaren strijd om een belijdende kerk. De Nederlandsche Hervormde Kerk van 1929 tot 1939, 's-Gravenhage 1946, p. 97 en 125 v. Zie voor de Vereniging van Vrijzinnige Hervormden en haar orgaan VW., dl. 5, p. 352, noot 6.↩

  23. 23

    Vgl. N.'artikel in Kerkopbouw 5 (december 1936) nr. 8, opgenomen in VW., di. 5, p. 349 vv., waarin hij zich ook verzet tegen de genootschapsidee en het vermoeden uitspreekt dat de vrijzinnigen bezig zijn deze idee los te laten en teruggrijpen op Christus als het enig fundament van de kerk.↩

  24. 24

    T. E. Lawrence, bijgenaamd Lawrence of Arabia (1888-1935), Brits militair, archeoloog en schrijver. Door archeologisch onderzoek in Syrië leerde hij de Arabieren kennen en vocht hij tijdens de Eerste Wereldoorlog aan hun zijde tegen de Turkse overheersing. L. schreef o.a. Revolt in the Desert (1927).↩

  25. 25

    Zie voor de kwestie van Bestuur en Beheer ook N.'artikelen Isolement, in Het Orgaan van de Bond van Ned. Predikanten 3 (15.2.1921) nr. 1, en De taak der besturen in 1922, in Het Orgaan 4 (15.5.1922) nr. 4, opgenomen in VW., dl. 5, resp. p. 39-48 en p. 60-62.↩

  26. 26

    Het Reglement op de predikants-traktementen werd van kracht op 15 januari 1921. Als mede-oprichter en lid van de Bond van Ned. Predikanten had N. daaraan een grote bijdrage geleverd. Zie voor de verwikkelingen rond de traktementsregeling VW., dl. 5, p. 24-79. Voorts ook het artikel van A. de Groot, Noordmans en de Bond van Predikanten, in KTh. 30 (1979) nr. 3, p. 215-221.↩

  27. 27

    Over de gang van zaken rond de vergaderingen van beide hoofdbesturen zie men het op p. 266, noot z genoemde artikel van het Maandblad van de Vereeniging van Kerkvoogdijen. Aanwezig waren voorzitter J. A. Bakker en secretaris A. de Jong van de zijde van de Ver. van Kerkvoogdijen, van de zijde van de Bond van Predikanten voorzitter M. van Empel en secretaris D. Boer. De vraag in de uitnodiging van de president van de synode P. Smit aan beide hoofdbesturen, luidde: "of het niet mogelijk kon zijn om gezamenlijk de kwestie van het Beheer nader te overwegen". De president der synode zat de samenkomsten voor à titre personnel, ten einde bij een behandeling van mogelijke voorstellen tot nadere regeling van het Beheer in de synode volkomen vrijheid van handelen te hebben. Het overleg over een regeling mislukte door gebrek aan overeenstemming op de beslissende punten. De notulen van beide vergaderingen werden opgenomen in een brochure van de zijde van het hoofdbestuur van de Bond van Nederlandsche Predikanten onder de titel De Nederlandsche Hervormde Kerk en hare goederen, z.p. 1939, resp. p. 8-14 en p. 25-30.↩

  28. 28

    Dit ontwerp-reglement werd ingediend door de heren M. van Empel, H. C. J. van Deelen en D. Boer. Zie voor de tekst van het ontwerp en van het rapport-Haitjema, de in noot 27 aangehaalde brochure, p. 31-70.↩

  29. 29

    A. S. de Blécourt (1873-1940), rechtshistoricus, van 1917 tot 1939 hoogleraar te Leiden. Van hem is het veelgebruikte leerboek Kort begrip van het Oud-Vaderlands Burgerlijk Recht (1922). E. M. Meijers (1880-1954), rechtsgeleerde, van 1910 tot 1950 hoogleraar te Leiden. M. werkte mee aan het ontwerp van een nieuw burgerlijk wetboek. Beiden waren adviseur van de synode inzake de kwestie van beheer van kerkelijke goederen. Zij gaven advies aan de Bond van Predikanten inzake haar ontwerp-reglement op het Beheer. Zij stelden de subordinatie van het Beheer aan de synode. Zie voor de tekst van hun advies over de bevoegdheid van de synode, De Nederlandsche Hervormde Kerk en hare goederen, p. 72-100.↩

  30. 30

    In september 1939 maakte Kraemer een naar eigen zeggen 'zesdaagse veldtocht voor de zending door Nederland', waarbij hij in zes verschillende plaatsen sprak voor predikanten. Waarschijnlijk heeft N. een van deze bijeenkomsten bezocht. Het ging Kraemer er om de gemeenten in deze tijd van oorlog te doordringen van de noodzaak van apostolische verantwoordelijkheid van de kerk. De indrukken van zijn reis naar Tambaram en een daaropvolgende tournee naar Ceylon en Indonesië stelde K. te boek in zijn Van godsdiensten en menschen. Reisindrukken van een Tambaramganger, Nijkerk 1940.

    De wereldzendingsconferentie te Tambaram bij Madras in India (de derde na Edinburgh 1910 en Jeruzalem 1928) werd gehouden van 12-29 december 1938. Anders dan op de vorige conferenties waren hier de afgevaardigden van de 'jonge' kerken in de meerderheid. Hoofdthema was de betekenis van de zending voor de mensheid, dat behalve theologisch ook werd bestudeerd met het oog op de groei van de jonge kerken in een niet-christelijke omgeving. Kraemers boek The Christian Message in a non-Christian World (1938), in opdracht van de internationale zendingsraad geschreven, gaf aanleiding tot gespannen discussies over de discontinuïteit van het Evangelie ten opzichte van alle religies. Tambaram is vooral van betekenis geweest doordat christenen uit alle delen van de wereld elkaar hier bemoedigden onder de toenemende dreiging van een wereldoorlog.↩

  31. 31

    Over de houding van de Japanse en Chinese delegatie op de conferentie te Tambaram schreef Kraemer in zijn artikel Tambaram, in WW. 1 (1939) nr. 2, p. 90 v. Vgl. in dit verband ook Kraemer, Van godsdiensten en menschen, p. 63 v., waar K. verslag doet van een indrukwekkende bijeenkomst te Alwaye (India) met een Japanse en een Chinese studentensecretaris. De Chinese spreker roept daar op tot gebed voor elkaar: 'Your cross is my cross'.

    Het Chinees-Japanse incident, ontstaan als gevolg van de militaire expansie van Japan in Zuidoost-Azië, brak uit in de zomer van 1937 en was in feite een informele oorlog tussen Japan en de nationalistische regering van Tsjiang K'aisjek. Dit incident dat tot een strijd leidde die eerst in 1945 werd beslist, werd oorzaak van nieuwe conflicten met andere mogendheden met belangen in het gebied rond de Grote Oceaan (Groot-Brittannië, Verenigde Staten). Na de Japanse aanval op de Amerikaanse vloot bij Pearl Harbor op Hawa:i (1941) werd het Chinees-Japanse conflict onderdeel van de Tweede Wereldoorlog en vocht China zij aan zij met Engelsen en Amerikanen om de opmars van Japan in Zuidoost-Azië tot staan te brengen.↩

  32. 32

    N. spreekt hier over de 124ste vergadering van de synode van de Ned. Herv. Kerk in de zomer van 1939 (19.7.1939-12.8.1939). Op deze synode kwam een eind aan de behandeling van het reorganisatie-vraagstuk en daarmee aan een periode van strijd voor een belijdende kerk. De 'duur' van de synode die N. hier wraakt, heeft betrekking op de organisatie van deze kerkvergadering - de organisatie 1816 - die zo onwrikbaar was gebleken dat ook de pogingen om het reorganisatiestreven opnieuw aan te wakkeren na de verwerping Van het Ontwerp-1938, mislukten (zie VW., dl. 5, p. 507, waar N. in een lezing in februari 1940 zich uitvoeriger te weer stelt tegen de 'duurzaamheid' van de synode). Voor N. betekende de houding van de synode een voorbijgaan aan de 'nood des tijds' welke'dringt tot nieuw belijden' (De reorganisatie in een nieuwe fase, in dl. 5, p. 497). Tot de door de synode afgewezen voorstellen inzake de reorganisatie behoorde het voorstel-Gravemeyer om te komen tot een grote synode. In laatstgenoemd artikel had N. reeds gepleit voor een Brede algemene synode (conform art. 63 Alg. Regl. van het Ontwerp-1938) die door haar samenstelling (predikanten, hoogleraren, mensen uit de zending, uit de liturgische vereniging, maatschappelijke en politieke werkers enz.) in staat zou zijn het gesprek over de reorganisatie een nieuwe wending te geven.↩

  33. 33

    Zie voor De Vrijer VW., dl. 5, p. 225, noot 21.↩

  34. 34

    Het voorstel kerkelijke hoogleraren als 'doctoren' te zien, verdedigde Brouwer in zijn artikel Kerkorde en beroep op de Heilige Schrift, in Kerkopbouw 6 (mei 1937) nr. 1. Zie VW., di. 5, p. 395 v., waar N. uitvoerig hier op ingaat. Zie voor Brouwer VW., dl. 1, p. 149, noot 24 en dl. 5, p. 115 v., noot 2.↩

  35. 35

    Zie noot 32.↩

  36. 36

    A. J. Wensinck (1882-1939), hervormd theoloog. Vanaf 1912 hoogleraar Hebreeuws, vanaf 1927 hoogleraar Arabisch te Leiden. Zijn brochure De Nederlandsch-Hervormde kerk en de gemeente van Christus. Gedachten naar aanleiding van de reorganisatiebeweging, verscheen in oktober 1939, dus na de verwerping van het Ontwerp-1938 in de synode en enkele maanden na W.s overlijden ('in tweeërlei opzicht postuum' ) -↩

  37. 37

    Scholten hield zijn rede over de reorganisatie onder de titel Kerk (in druk verschenen Nijkerk 1938) voor de predikantenvergadering te Utrecht op 27 april 1938. Het was een laatste pleidooi voor een belijdende kerk in de geest van het Ontwerp-1938. Zie voor deze vergadering H. Bartels, Tien jaren strijd om een belijdende kerk, p. 171 v.↩

  38. 38

    Waarschijnlijk doelt N. op de gemeentelijke beweging in Rotterdam rond predikanten als A.R. Rutgers, M. J. C. Visser en W. A. Zeydner onder de naam 'de kerk in het vuur'. Deze beweging was o.a. beïnvloed door het missionair streven van Kraemer (vgl. VW., dl. 5, p. 269, noot 2: initiatief van de 'honderd mannen'; vgl. ook de in deze tijd verschenen brochure van Zeydner, De Hervormde kerk op de tweesprong. Kerk of genootschap?. Rotterdam 1938). Voor de Achterhoek valt m.n. te denken aan N.'inzet ten aanzien van het reorganisatiestreven (artikelen in kerkbladen, bijeenkomsten zoals die van de predikantenkring de Regenboog (zie in dit deel, p. 63, noot 1), waarin N. veel invloed had).↩

  39. 39

    J.F.Beerens(1882-1949),hervormdpredikant,o.a. te Utrecht. B.was een der oprichters van Kerkopbouw en redacteur van het gelijknamig orgaan van deze vereniging. Zie voor dit laatste VW., dl. 5, p. 101, noot 1.↩

  40. 40

    H. Bruning (1900-1983), journalist en dichter. B. keerde zich in zijn essay Verworpen christendom (1938) tegen zowel Van Duinkerken als Ter Braak. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij redacteur van het Cultuurkamerblad De schouw.↩

  41. 41

    Zie voor de Ethische Vereniging en de door haar georganiseerde conferenties VW., dl. 5, p.146, noot 4 en 6. N. hield verschillende malen lezingen op deze conferenties. Het bericht van de opheffing van de Ethische kring te Utrecht in NRC. Avondblad D van 28.11.1939.↩

  42. 42

    Voor J. H. Gunning Wzn. zie VW., dl. 1, p. 229, noot 26. G.s karakteristiek van het ethische als 'een zaak van mentaliteit' in het verslag van de oprichtingsvergadering van de Ethische Vereniging in Bergopwaarts 3 (1920) nr. 26.↩

  43. 43

    De vereniging Kerkopbouw werd opgericht op 16 februari 1931. Zie voor een typering N.' lezingen Wat wil Kerkopbouw?, in VW., dl. 5, p. 88-97 en Twee lezingen over Kerkopbouw, in dl. 5, p. 231-241. Zie ook Bartels, Tien jaren, p. 40-46.↩

  44. 44

    Zie voor D. Boer VW., dl. 5, p. 525, noot 8.↩

  45. 45

    Braspenning: oude Nederlandse munt met waarde van 11/4 stuiver en rekeneenheid van dezelfde waarde. Fig.: werken voor een b. = werken voor een minimumbeloning.↩

  46. 46

    Ligger: officiële beschrijving van de inkomsten aan de predikantsplaats verbonden, waaraan de predikant zijn financiële zekerheid ontleent.↩

  47. 47

    O. Norel Rzn. (1863-1922), hervormd predikant te Gaastmeer en te Wons. Zijn brochure Hoe krijgen onze weduwen fl 600 pensioen?, verschenen in 1906, had geen succes.↩

  48. 48

    De Vereniging 'Aanpakken' zette zich in voor verbetering van de schraalste predikantstraktementen. Zie VW., dl. 5, p. 33, noot 1.↩

  49. 49

    N. was lid van het hoofdbestuur van de Bond van 4.4.1921 tot 9.9.1927. Zie voor de geschiedenis van de Bond H. C. J. van Deelen red., Veertigjaar Bondsgeschiedenis, 19181958 (uitg. van de Bond van Predikanten), 's-Gravenhage z.j. Vgl. ook A. de Groot, Noordmans en de Bond van Predikanten, in KTh. 30 (1979) nr. 3. M. J. A. de Vrijer, eerste voorzitter van de Bond, geeft een tekening van ontstaan en eerste tijd van de Bond in Het Orgaan 23 (jan. 1946) nr. 1.↩

  50. 50

    Tegen het vervullen van beide secretariaten van Bond en Pensioenraad door één persoon had N. wel bezwaren. Zie zijn artikel Het emeritaat, in Het Orgaan 25 (okt. 1948) nr. 10. In VW., dl. 5, p. 583 v.↩

  51. 51

    Jan van Nassaustraat 111, het woonadres van Boer; Javastraat 100, het adres van het bureau van de Ned. Herv. Kerk.↩

  52. 52

    Zie voor Bakels VW., dl. 1, p. 355, noot 13. B.' op 10 januari 1940 verschenen brochure Balans van Christus werd na een aanklacht wegens godslastering van de zijde van 28 Amsterdamse hervormde predikanten, o.a. L. C. W. Ekering, door justitie op 2 februari 1940 in beslag genomen. B. trachtte zich te rehabiliteren met een gekuiste versie van het werk onder de titel Godslastering?, Den Haag 1940. In de (paginagrote) ondertitel schrijft B., dat in dit boek'de geheele vóórgeschiedenis en de geheele substantieele inhoud van de "Balans van Christus" volledig medegedeeld [wordt], alleen in zachtere woordenkeus (om inbeslagneming te voorkomen) maar toch zóó dat de lezer volkomen wordt ingelicht over hetgeen de genoemde brochure wilde bereiken'. Van N.' aanhalingen uit Balans van Christus hebben wij, waar mogelijk, een vindplaats in Godslastering? gegeven.↩

  53. 53

    Zie het begin van Lagerlöfs autobiografie En saga om en saga (1908), waarin zij vertelt dat er eens een sage was die verteld wilde worden en de wereld binnengedragen. De directe aanleiding tot het schrijven van Gösta Berling was voor L. de verkoop van het geliefde familiebezit, Marbacka, de plek waar zij de verhalen hoorde die de stof leverden voor haar roman. In L.s werk wordt een nieuw romanticisme nagestreefd met grote aandacht voor de Zweedse culturele tradities als reactie op de naturalistische periode in de Zweedse literatuur.↩

  54. 54

    Zie voor Longfellow VW., dl. 3, p. 193, noot 9. Zijn epos The Song oflHiawatha (1855) steunt op sagen over Noordamerikaanse indianen (de 'Chippewa-mythologie'). De hoofdpersoon, Hiawatha, begiftigd met bovenmenselijke kracht, zet zich in voorzijnvolk in de strij . d tegen de blanken.↩

  55. 55

    J. H. Gunning J. Hzn. (1858-1940), hervormd predikant o.a. te Leiden en Utrecht, zoon van J. H. Gunning Jr. Groot prediker. G. kreeg bekendheid door zijn weekblad Pniël, dat een stichtelijk, pastoraal karakter had. Hij bezorgde de uitgave van Prof. dr. J. H. Gunning. Leven en werken (3 dln. + registerdi., 1925-1929) en schreef o. a. De gezangen kwestie in de Ned. Herv. Kerk (1910).↩

  56. 56

    Zie voor W. M. van der Schans VW., dl. 1, p. 116, noot 12.↩

  57. 57

    Het besluit van de algemene synodale commissie om de jaarlijkse reglementair voorgeschreven classicale vergaderingen in juni 1940 niet te laten doorgaan, was een noodmaatregel. Persverslagen zouden onverantwoorde uitingen naar buiten kunnen brengen. Zie H, C. Touw, Het verzet der Hervormde Kerk, dl. 1, p. 42.↩

  58. 58

    Zie art. 66 en 67 van het Algemeen Reglement.↩

  59. 59

    Zie Hand. Syn. 1940. Bijlagen, p. 212.↩

  60. 60

    De eerste zin van deze boodschap luidde: "De Nederlandse Hervormde Kerk wendt zich in verband met de eerste zondag na de geweldige dagen, die wij hebben doorgemaakt, tot ons ganse volk met een woord van medeleven en getuigenis." De boodschap werd gepubliceerd in Weekblad van de Ned. Herv. Kerk (23.5.1940). Zie voor de volledige tekst H.C. Touw, Het verzet, dl. 2, p. 11.↩

  61. 61

    Zie Hand. Syn. 1940, p. 222 en 225. In deze commissie hadden o.a. zitting W. J. Aalders, K, H. E. Gravemeyer en P. Schoften. Ook N. was uitgenodigd zitting te nemen, maar bedankte vanwege de moeilijkheden bij het reizen. Zie voor de betekenis die 'Kerkelijk overleg' heeft gehad in de strijd tegen het nationaal-socialisme H. C. Touw, Het verzet, dl. 1, p. 45 vv.↩

  62. 62

    De commissie-Niemeyer c.s. was ingesteld door de synode van 1930 met de opdracht te onderzoeken welke maatregelen het vreedzaam samenleven der richtingen zouden kunnen bevorderen. Zij diende in 1931 twee voorstellen in, waarvan het eerste - waarop N. hier doelt - luidde: "Indien een groep van gemeenteleden, welke voldoet aan de daarvoor gestelde eisen, dit aanvraagt, staat de kerkeraad haar toe, dat jaarlijks enige godsdienstoefeningen worden geleid door predikanten van haar keuze, en wel tenminste twee voor het bedienen van de Heilige Doop, één voor de viering van het Heilig Avondmaal en één voor de bevestiging van lidmaten." Beide voorstellen werden in 1932 door de synode verworpen. N. gaf zijn visie op deze voorstellen in een aantal artikelen in A WCC. en het Indisch Protestantsch Kerkblad, opgenomen in VW., dl. 5. Zie de nrs. 20, 21 en 23. Voor de inhoud van beide voorstellen, samenstelling commissie en gang van zaken zie dl. 5, p. 111 v., noot 1. Zie voor Niemeyer di. 5, p. 140, noot 4.↩

  63. 63

    Het slot van de laatste kroniek is niet opgenomen. Het luidde als volgt:

    "Ons werd, voor deze Kroniek, toegezonden een serie van twaalf foto's van de St. Laurenskerk te Rotterdam, waarvan de resten, met het oog op de mogelijkheid van wederopbouw, zullen worden beschermd. Men ziet daarop het monumentale gebouw van de buiten- en binnenkant, zoals het eens was. Zij zijn uitgegeven door de hervormde gemeente van Rotterdam. Een map met twaalf foto's in groot formaat kan worden besteld bij het Kerkekantoor der Ned. Herv. gemeente, Statensingel 67, Rotterdam; giro 27738; zij kosten fl l.- (plus 10 cent port). Ook zijn vergrotingen (18 x 24 cm) verkrijgbaar tegen 50 cent per stuk."↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Wezen en welwezen der kerk. Calvijn of SmytegeltDeel 4In memoriam prof. dr. G. van der Leeuw →