Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 4 · p. 241–243

Weergave

Wezen en welwezen der kerk. Calvijn of Smytegelt

naar aanleiding van H. Berkhof, Crisis der middenorthodoxie1

Toen de redactie van dit blad mij vroeg iets te zeggen over het boekje van dr. Berkhof had deze zijn Nabetrachting in het tijdschrift Kerk en Theologiea reeds geschreven. De lezer zal dus misschien zeggen, dat ik nu 'mosterd na de maaltijd' geef. Dr. Berkhof wil echter zelf zijn werkje als een oproep tot bekering beschouwd zien, toevallig gekleed in een beschouwing over de Hervormde Kerk.b Het zal dus wel niet in zijn bedoeling gelegen hebben, dat hij in april 1952, toen zijn Nabetrachting verscheen, zijn profetisch ambt reeds weer had neergelegd. Onderwerpen als Orthodoxie, Wet en Evangelie, de Eenvoud Gods zijn ook reeds langer aan de orde dan enkele maanden en zullen dat voorlopig wel blijven.

Wel is er in de prediking en de vermaning meestal een golfbeweging merkbaar. In de studentenwereld, waarmee ik op Hardenbroek en Woudschoten2 vroeger vaak in aanraking gekomen ben, werd meestal een zekere periodiciteit in acht genomen ter lengte van een academische generatie. In de kerk is de wisseling natuurlijk zo druk niet. Daar mag men misschien een golflengte van vijfentwintig jaar aannemen, de 'rhalve van een menselijke generatie. Berkhof neemt ook zulke periodes aan, maar hij rekent niet met een biologische, doch met een historische, half-eschatologische wisseling. Hij ziet de beide wereldoorlogen als knopen in de golfbeweging.

Inderdaad hebben zij daar veel van. Het is volkomen juist dat er omstreeks 1920 een zeer merkbare verandering in de prediking heeft plaatsgevonden en dat daarin toen een zeker profetisch geweld naar voren trad.3 Eigen roeping en gaven deden zich daarbij sterk gelden. Daarvoor behoef ik, buiten ons land, slechts de namen van Barth, Brunner en Gogarten te noemen. Zij gingen ieder een eigen weg, evenals indertijd de figuren uit het Réveil.

Het is ook waar, dat de Tweede Wereldoorlog niet weer een dergelijke invloed op de prediking heeft gehad. Berkhof heeft volkomen scherp opgemerkt, dat zij 'eer vlak en mat (is) geworden' en 'zelf een prooi van die matheid (is) geworden.'c Zij lijkt op een man, die een slag met een knots op zijn hoofd heeft gehad en zijn spraakvermogen bijna kwijt is. Het is de tijd van de preekschetsen en de postilles en van de, zonder politieke noodzaak, ook na de oorlog voortgezette kanselboodschappen. Het leek er op dat de kerk haar dienaren een uniform ging aantrekken om ze daarna in gelid te laten marcheren. En men schikte zich daarin, omdat men vreesde anders voor een franc-tireur te zullen worden aangezien met wie de ontkerstende wereld korte metten zou maken.

Deze dingen waren vlak na de oorlog begrijpelijk, maar kunnen dat niet tot in lengte van dagen blijven. De brochure van Berkhof is een der symptomen, dat dit ook niet het geval zal zijn. Hij schrijft dat de verantwoordelijkheid der leidende groepen in de Hervormde Kerk twee kanten tegelijk uitgaat. Naar een herziening der levensvormen en naar een verdieping der prediking. Hij ziet ook dat beide samenhangen. Met de eerste houdt hij zich echter hier niet bezig; alleen met de tweede.d

Nu zie ik niet recht, hoe men zich met de verlegenheid der prediking op de rechte wijze kan bezighouden, als men er zich geen rekenschap van geeft, dat deze juist ontstaat tegenover de eis van nieuwe zeden. De oorlog heeft de kerk opnieuw voor de vraag van het koninkrijk Gods gesteld. Berkhof buigt zijn betoog dan later ook in die richting terug, als hij aandringt op de toepassing.e Maar dat woord heeft een veel te gezapige klank om in verband met deze crisis dienst te kunnen doen. Van de prediker wordt gevraagd, dat hij de absolute beloften en geboden van het Evangelie naar voren zal brengen en deze weet niet hoe hij daarmee aan moet. De hoorder wil weten of hij op het gebed genezen kan worden; of hij krijgsdienst mag weigeren; hoe het staat met koloniën en ander particulier bezit; en met talloze van zulke kapitale dingen meer. En de naoorlogse ongelegenheid, waarin het mannetje in de houten broek daardoor gekomen is, vindt daarin haar verklaring. Het is ook begrijpelijk dat hij dan niet al te luid protesteert als men hem een confectiepreek in handen duwt om ongelukken te voorkomen of een synodale oekaze laat voorlezen om hem dekking te verschaffen tegen het geweld van het Woord Gods, dat hij moet brengen.

Ik kan moeilijk aannemen dat Berkhof helemaal in ernst is, als hij op p. 16 van zijn brochure schrijft, dat hij van deze dingen geen verstand heeft, om dan over te gaan tot de orde van de dag, de Gereformeerde Bond4 en tot de daar gebruikelijke 'toepassing'. Ik kan de gedachte niet van mij afzetten, dat de geachte en bekwame schrijver nu zelf dekking zoekt en de Bond gebruikt als schuilkelder.

De Gereformeerde Bond was een calvinistisch sediment, zoals er in Amerika sommige opmerkelijke doperse versteningen voorkomen. Dit sediment stamde niet uit de scheppende periode van het calvinisme, maar uit een latere, meer piëtistische tijd. Deze mensen waren buiten aanraking met het liberalisme, het Réveil en het modernisme gebleven. Zij hebben geruime tijd een eigen kerkelijk leven geleid met bijna uitsluitend interne contacten. Op de linkervleugel5 heeft men echter dit isolement voor een groot deel losgelaten en het is zeer de vraag of het centrum zich in zijn afzondering zal kunnen handhaven.

Er is geen reden om ons hier met zulke overwegingen verder bezig te houden. Wij willen alleen onze verwondering uitspreken over het feit, dat Berkhof in zijn boekje de dingen over deze boeg gegooid heeft. In seminariaal verband kan ik dat begrijpen. Als rector, onder wiens leiding de kandidaten van iedere richting samenkomen, moet hij wel tot zulke overpeinzingen genoopt worden. Maar daarbuiten, aan het front, waar de kerk de wereld ontmoet? Zal het daar kunnen gaan over dingen, die Comrie en Holtius bezighielden?6

Dat Berkhof het toch op die wijze stelt, heeft een bijzonder sympathieke kant. Hij had ook een ander sediment kunnen kiezen, bijv. de orthodoxie zonder meer, de Griekse kerk. Hij had dan kunnen vragen: wat kan de middenorthodoxie leren van de orthodoxie? Dat is de manier van de katholiserende beweging. Onze schrijver vreest daarvan echter eerder een uitholling van de prediking. Hij gelooft dat dit denktype niets bijdraagt tot de ontmoeting van de levende God en de moderne mens.f

Dat de rector van het Hervormd Seminarie het zoekt in de lijn van de gereformeerde gezindheid, is een verheugend verschijnsel. Waar de calvinistische Reformatie doorwerkte, heeft de prediking steeds verder gegrepen dan naar de kerk. Er was altijd een stuwing naar 't Koninkrijk en daarin school de macht die ervan uitging. Zij brak dan door de levensvormen heen, ook door de kerkelijke.

Dr. Berkhof schrijft, zoals wij zagen, dat hij het bij zijn onderzoek naar de verlegenheid der prediking niet over die vormen zal hebben. Om de inhoud zal het hem te doen zijn.g Maar het kenmerkende van de gereformeerde Evangelie-verkondiging is juist, dat zij een inhoud, die de levensvormen niet raakt, niet kent.

Voetnoten

  1. a

    H. Berkhof, Nabetrachting, in KTh. 3 (1952) nr. 2, p. 91-97, later opgenomen in de derde druk van Berkhofs Crisis der middenorthodoxie, Nijkerk 1951, Z.j.3, p. 63-69. In de Nabetrachting reageerde B. op barthiaans verweer, o.m. van Miskotte en Van Niftrik.↩

  2. b

    Crisis der middenorthodoxie, p. 65.↩

  3. c

    A. w., p. 24.↩

  4. d

    Vgl. a. w., p. 16 v.↩

  5. e

    Vgl. a. w., p. 33 vv., m. n. p. 35.↩

  6. f

    *A. w., p. 25. *↩

  7. g

    Vgl. a. w., p. 16 v.↩

Eindnoten

  1. 1

    Wezen en welwezen der kerk. Calvijn of Smytegelt verscheen naar aanleiding van H. Berkhof, Crisis der middenorthodoxie, Nijkerk 1951. Het werd gepubliceerd in Woord en Dienst 1 (29.11.1952) nr. 24, p. 354. De redactie van WD. liet er de volgende opmerkingen aan voorafgaan: "Bijgaand plaatsen wij een artikel, waarin dr. Noordmans de thema's bespreekt die dr. Berkhof in zijn bekende boekje Crisis der middenorthodoxie heeft aangeroerd. De lezer moge het zien als een bijdrage over een discussie die gevoerd wordt in een sector onzer kerk. Het is dan ook bedoeld als een artikel in de nu lopende serie die interne problemen van verschillende modaliteiten bespreekt." In deze serie schreven verder H. van der Linde over de liturgische of hervormd-katholieke mortaliteit (WD. 1(20.9.1952) nr. 19, p. 272 v.); C. D. Moulijn over discussies in vrijzinnige kring (WD. 1(l. 11. 1952) nr. 22, p. 318, 325); A. A. Koolhaas over de gereformeerde gezindte binnen de Herv. Kerk (WD. 1 (15.11.1952) nr. 23, p. 336 vv.); G. J. H. Gijmink over de (meer piëtistische) Werkgemeenschap'De andere weg'(WD. 1 (20.12.1952) nr. 25, p. 366 v.) en G. J. Streeder over de Confessionele Vereniging in WD. 2 (3.1.1953) nr. 1, p. 14 v. De serie werd afgesloten met evaluerende opmerkingen van P. J. Roscam Abbing in WD. 2 (17.1.1953) nr. 2. p. 27.

    Bernardus Smytegelt (1665-1739), vanaf 1695 gereformeerd predikant te Middelburg, waar hij grote invloed had als pastor en prediker. Zijn catechismuspreken werden in 1747 gebundeld uitgegeven onder de titel Des Christens eenige troost in leven of sterven, of verklaringe over den Heidelbergschen Catechismus in 52 predicatiën; benevens 5 belijdenispredicatiëiz.

    H.Berkhof (1914), hervormd predikant te Lemele en Zeist; rector seminarie Ned. Herv. Kerk (1950); van 1960 tot 1981 hoogleraar vanwege de Ned. Herv. Kerk te Leiden. B. schreef o.a. Die Theologie des Eusebius von Caesarea (diss., 1939); Geschiedenis der kerk (1941); Chrivielijk geloof (1973). Vgl. voor de hier besproken publikatie en het daarin geïntroduceerde begrip middenorthodoxie, H. E. S. Woldring, D. Th. Kuiper, Reformatorische maatschappijkritiek. Ontwikkelingen op het gebied van socialefilosofie en sociologie in de kring van het Nederlandse protestantisme van de 19e eeuw tot heden, Kampen 1980, p. 187 vv.↩

  2. 2

    Het kasteel Hardenbroek bij Driebergen was van 1917-1932 het centrum van de Nederlandsche Christen-Studenten-Vereeniging; daarna Woudschoten (Zeist). N. hield hier meermalen lezingen.↩

  3. 3

    Elders noemt N. dat ook sommige van zijn opstellen de hier genoemde veranderingen markeren, zoals bijv. Geloven op gezag (1921). Zie het begin van zijn 'Ter inleiding' in Zoeklichten, Amsterdam 1949, p. 7. In VW., dl. 2, p. 26 v.↩

  4. 4

    Voor de Gereformeerde Bond zie VW., dl. 5, p. 209, noot 20.↩

  5. 5

    In de Gereformeerde Bond ontstonden twee stromingen waarvan de ene streefde naar autonomie van de plaatselijke gemeente (Visscher) en de andere vast bleef houden aan de eenheid der kerk (Van Grieken). De daaraan ten grondslag liggende theologische geschillen hingen samen met een verschil in interpretatie van predestinatie en verbond. Zie A. J. Rasker, De Nederlandse Hervormde Kerk vanaf 1795. Geschiedenis, theologische ontwikkelingen en de verhouding tot haar zusterkerken in de negentiende en twintigste eeuw, Kampen 19863, p. 262-266.↩

  6. 6

    AlexanderComrie(1706-1774),Schots-Nederlandspredikant, enNicolaasHoltius(1693-1773), Nederlands predikant, waren beiden theologen van de Nadere Reformatie.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Existentialisme als katholicismeInhoudKronieken in woord en wereld 1939-1940 →