Wezen en welwezen der kerk. Calvijn of Smytegelt
naar aanleiding van H. Berkhof, Crisis der middenorthodoxie1
Toen de redactie van dit blad mij vroeg iets te zeggen over het boekje van dr. Berkhof had deze zijn Nabetrachting in het tijdschrift Kerk en Theologiea reeds geschreven. De lezer zal dus misschien zeggen, dat ik nu 'mosterd na de maaltijd' geef. Dr. Berkhof wil echter zelf zijn werkje als een oproep tot bekering beschouwd zien, toevallig gekleed in een beschouwing over de Hervormde Kerk.b Het zal dus wel niet in zijn bedoeling gelegen hebben, dat hij in april 1952, toen zijn Nabetrachting verscheen, zijn profetisch ambt reeds weer had neergelegd. Onderwerpen als Orthodoxie, Wet en Evangelie, de Eenvoud Gods zijn ook reeds langer aan de orde dan enkele maanden en zullen dat voorlopig wel blijven.
Wel is er in de prediking en de vermaning meestal een golfbeweging merkbaar. In de studentenwereld, waarmee ik op Hardenbroek en Woudschoten2 vroeger vaak in aanraking gekomen ben, werd meestal een zekere periodiciteit in acht genomen ter lengte van een academische generatie. In de kerk is de wisseling natuurlijk zo druk niet. Daar mag men misschien een golflengte van vijfentwintig jaar aannemen, de 'rhalve van een menselijke generatie. Berkhof neemt ook zulke periodes aan, maar hij rekent niet met een biologische, doch met een historische, half-eschatologische wisseling. Hij ziet de beide wereldoorlogen als knopen in de golfbeweging.
Inderdaad hebben zij daar veel van. Het is volkomen juist dat er omstreeks 1920 een zeer merkbare verandering in de prediking heeft plaatsgevonden en dat daarin toen een zeker profetisch geweld naar voren trad.3 Eigen roeping en gaven deden zich daarbij sterk gelden. Daarvoor behoef ik, buiten ons land, slechts de namen van Barth, Brunner en Gogarten te noemen. Zij gingen ieder een eigen weg, evenals indertijd de figuren uit het Réveil.
Het is ook waar, dat de Tweede Wereldoorlog niet weer een dergelijke invloed op de prediking heeft gehad. Berkhof heeft volkomen scherp opgemerkt, dat zij 'eer vlak en mat (is) geworden' en 'zelf een prooi van die matheid (is) geworden.'c Zij lijkt op een man, die een slag met een knots op zijn hoofd heeft gehad en zijn spraakvermogen bijna kwijt is. Het is de tijd van de preekschetsen en de postilles en van de, zonder politieke noodzaak, ook na de oorlog voortgezette kanselboodschappen. Het leek er op dat de kerk haar dienaren een uniform ging aantrekken om ze daarna in gelid te laten marcheren. En men schikte zich daarin, omdat men vreesde anders voor een franc-tireur te zullen worden aangezien met wie de ontkerstende wereld korte metten zou maken.
Deze dingen waren vlak na de oorlog begrijpelijk, maar kunnen dat niet tot in lengte van dagen blijven. De brochure van Berkhof is een der symptomen, dat dit ook niet het geval zal zijn. Hij schrijft dat de verantwoordelijkheid der leidende groepen in de Hervormde Kerk twee kanten tegelijk uitgaat. Naar een herziening der levensvormen en naar een verdieping der prediking. Hij ziet ook dat beide samenhangen. Met de eerste houdt hij zich echter hier niet bezig; alleen met de tweede.d
Nu zie ik niet recht, hoe men zich met de verlegenheid der prediking op de rechte wijze kan bezighouden, als men er zich geen rekenschap van geeft, dat deze juist ontstaat tegenover de eis van nieuwe zeden. De oorlog heeft de kerk opnieuw voor de vraag van het koninkrijk Gods gesteld. Berkhof buigt zijn betoog dan later ook in die richting terug, als hij aandringt op de toepassing.e Maar dat woord heeft een veel te gezapige klank om in verband met deze crisis dienst te kunnen doen. Van de prediker wordt gevraagd, dat hij de absolute beloften en geboden van het Evangelie naar voren zal brengen en deze weet niet hoe hij daarmee aan moet. De hoorder wil weten of hij op het gebed genezen kan worden; of hij krijgsdienst mag weigeren; hoe het staat met koloniën en ander particulier bezit; en met talloze van zulke kapitale dingen meer. En de naoorlogse ongelegenheid, waarin het mannetje in de houten broek daardoor gekomen is, vindt daarin haar verklaring. Het is ook begrijpelijk dat hij dan niet al te luid protesteert als men hem een confectiepreek in handen duwt om ongelukken te voorkomen of een synodale oekaze laat voorlezen om hem dekking te verschaffen tegen het geweld van het Woord Gods, dat hij moet brengen.
Ik kan moeilijk aannemen dat Berkhof helemaal in ernst is, als hij op p. 16 van zijn brochure schrijft, dat hij van deze dingen geen verstand heeft, om dan over te gaan tot de orde van de dag, de Gereformeerde Bond4 en tot de daar gebruikelijke 'toepassing'. Ik kan de gedachte niet van mij afzetten, dat de geachte en bekwame schrijver nu zelf dekking zoekt en de Bond gebruikt als schuilkelder.
De Gereformeerde Bond was een calvinistisch sediment, zoals er in Amerika sommige opmerkelijke doperse versteningen voorkomen. Dit sediment stamde niet uit de scheppende periode van het calvinisme, maar uit een latere, meer piëtistische tijd. Deze mensen waren buiten aanraking met het liberalisme, het Réveil en het modernisme gebleven. Zij hebben geruime tijd een eigen kerkelijk leven geleid met bijna uitsluitend interne contacten. Op de linkervleugel5 heeft men echter dit isolement voor een groot deel losgelaten en het is zeer de vraag of het centrum zich in zijn afzondering zal kunnen handhaven.
Er is geen reden om ons hier met zulke overwegingen verder bezig te houden. Wij willen alleen onze verwondering uitspreken over het feit, dat Berkhof in zijn boekje de dingen over deze boeg gegooid heeft. In seminariaal verband kan ik dat begrijpen. Als rector, onder wiens leiding de kandidaten van iedere richting samenkomen, moet hij wel tot zulke overpeinzingen genoopt worden. Maar daarbuiten, aan het front, waar de kerk de wereld ontmoet? Zal het daar kunnen gaan over dingen, die Comrie en Holtius bezighielden?6
Dat Berkhof het toch op die wijze stelt, heeft een bijzonder sympathieke kant. Hij had ook een ander sediment kunnen kiezen, bijv. de orthodoxie zonder meer, de Griekse kerk. Hij had dan kunnen vragen: wat kan de middenorthodoxie leren van de orthodoxie? Dat is de manier van de katholiserende beweging. Onze schrijver vreest daarvan echter eerder een uitholling van de prediking. Hij gelooft dat dit denktype niets bijdraagt tot de ontmoeting van de levende God en de moderne mens.f
Dat de rector van het Hervormd Seminarie het zoekt in de lijn van de gereformeerde gezindheid, is een verheugend verschijnsel. Waar de calvinistische Reformatie doorwerkte, heeft de prediking steeds verder gegrepen dan naar de kerk. Er was altijd een stuwing naar 't Koninkrijk en daarin school de macht die ervan uitging. Zij brak dan door de levensvormen heen, ook door de kerkelijke.
Dr. Berkhof schrijft, zoals wij zagen, dat hij het bij zijn onderzoek naar de verlegenheid der prediking niet over die vormen zal hebben. Om de inhoud zal het hem te doen zijn.g Maar het kenmerkende van de gereformeerde Evangelie-verkondiging is juist, dat zij een inhoud, die de levensvormen niet raakt, niet kent.