Mysterie of boodschap1
Het boek De incarnatie van prof. dr. W. J. Aalders is de schrijver zelf, ten voeten uit. Er bestaan ook andere werken van hem, van gelijke omvang; maar noch van zijn Mystiek noch van zijn De grond der zedelijkheida geldt dat in diezelfde mate. Die had hij misschien ook niet kunnen schrijven. Maar dit boek heeft hij moeten geven. Hier is in allerlei toonaarden het thema uitgewerkt, dat hij in zijn inaugurele oratie te Groningen in 1915 had aangeslagen, toen hij sprak over Gewijde synthese.b Zo had dit boek ook kunnen heten.
Aalders is een synthetische geest en hij houdt van schrijvers die de grote middenweg, de via media, bewandelen, zoals vele anglicanen, ook al kan hij met hun theologie meestal slecht over de weg. Hij ziet de dingen graag in hun algemeen verband en is bang voor uitersten. Daarom heeft hij ook als zoon der kerk die moeder zo lief; zij houdt de mensen op Gods weg. En eindelijk is de incarnatie het grote onderwerp om over te schrijven, omdat daarin voor hem de grond van het moederlijk en herderlijk karakter der kerk verscholen ligt. Zij bevat het geheim der gewijde synthese; zij bergt de verzoening tussen alle valse tegenstellingen; zij is het onderwerp der goede belijdenis tegenover alle ketterijen,c zij is de sleutel voor een ware wereldbeschouwing en een rechte levenshouding. En zij kan dat alles zijn, omdat zij geen mening is, geen wetenschappelijke stelling, geen wijsgerige idee, geen apriori zelfs dat in ons aan de dingen ten grondslag ligt, maar de laatste werkelijkheid zelve, waarin wij met God verbonden liggen. Zij is dat nog meer dan de schepping; zij is een intensifiëring van de schepping.d Wie de verhouding tussen God en mens wil studeren en daarin de ligging aller dingen, die moet het mysterie van de vleeswording des Woords'e geboren om over alle dingen op de rechte wijze te spreken. De samenhang der wereld wordt hier voor het geloof onthuld. En al moet de kerk dan sober en arm blijven in haar filosofie, "wij durven de vergelijking met de andere concepties aan."f
Met deze 'realistische' opvatting van Aalders komt zijn schrijfwijze overeen. Al geeft dit boek de schrijver geheel, zoals de schrijver zijn boek, toch is het geen persoonlijk werk. Hij schuilt weg in zijn onderwerp. Aalders wil niet over, maar uit de incarnatie schrijven, zoals volgens hem de kerk er uit, en niet er over gepredikt heeft.g Zij is geen 'zaak van contemplatie', maar een 'zaak van existentie'.h Haar positieve inhoud 'laat zich meer aanduiden dan construeren'.i Dergelijke uitdrukkingen keren telkens terug. Meer dan het spreken geldt hier het niet-zwijgen. - Maar als iemand, daardoor overmoedig geworden, hem dan tot de terugtocht meent te kunnen dwingen, dan zal hij plotseling zijn man staan op een onverwachte manier. Dan wordt de schrijver, wat hij zelf van de incarnatie zegt, Aalders wordt dan 'stroef'.j Dan hoort men hem een 'halt!'k of kort afgebeten 'neen' uitbrengen. Daarmee dekt hij niet zijn eigen persoon, maar hij spreekt omdat hij zich gedekt weet.
Zelfs de stijl komt met deze denkwijze treffend overeen. 'Aalders pointeert niet', zei mij onlangs iemand. Dit is waar, al weet hij de puntjes op de i's te zetten als weinigen. De stijl is synthetisch, beschrijvend, gebonden, egaal. Met een 'zie hier' en 'zie daar' keert hij telkens weer tot de werkelijkheid in.
Deze geesteshouding heeft Aalders zelf herhaaldelijkl en ook weer in dit boekm met de naam incarnationalisme gedoopt, in aansluiting aan Söderblom2. Een richting die "vorm en inhoud, geest en lichaam, God en mens onafscheidelijk verbonden acht, ook en allermeest in de kerk.n In het mysterie van de vleeswording wordt hier dus de nadruk gelegd, niet op de negatieve verhouding, waarin de beide naturen tegen elkaar over staan, maar op de positieve verbinding, waarbij de mens orgaan der Godheid wordt. - Een overgang tussen God en mens ontstaat daarbij niet. Alles wat daarop lijkt wordt beslist afgewezen. God wordt niet gehumaniseerd. Maar er is een relatie - geen correlatieo - die positieve betekenis heeft en houdt. En deze relatie krijgt het karakter van een vaste verbinding. Zij heeft tot effect een ander mysterie, het verenigen-onder-één-hoofd van de hele schepping. ⚑Wat in Joh. 1 : 14 staat, heeft tot gevolg wat in Ef. 1 : 10 staat. De incarnatie werkt de recapitulatie uit.p
Hier vindt de schrijver dan de sleutel tot een wereldbeschouwing en levenshouding. Tot deze in Christus gegeven verbinding wil hij met zijn gedachten inkeren. Hij weet zich daarmee in overeenstemming met een algemene omkeer in het denken van onze tijd. Overal verlangt men van het verstand, van de geest, tot de zaak, het leven terug te keren. Men zoekt een meer directe benadering van het mysterie des levens, ene, die lijkt op de manier van het geloof. Men wil niet over, maar uit de dingen denken en spreken. De copernicaanse wending in het denken, waarop Kant zo trots was, wil men weer omkeren.q Welnu, zo roept de schrijver uit: "Als er iets is, waaraan juist onze tijd behoefte heeft, dan is het wel aan datgene wat de incarnatie uitdrukt."r
Deze roep: van de contemplatie terug tot het leven, laat zich misschien verduidelijken met die van Bergson, enige tientallen jaren geleden, die tegenover de verbrokkeling, die ons verstand in de wereldbeschouwing aanricht, ons uitnodigde om ons terug te verplaatsen in het 'élan vital', en van daaruit de wereld intuïtief te benaderen, om zo de sleutel tot een levenshouding te vinden.3 De vergelijking is gewaagd en het berouwt mij bijna ze opgesteld te hebben. De dimensies zijn zo verschillend. Het 'élan vital' is bij Aalders te zien in de opstanding en de hemelvaart van Jezus en zijn intuïtie heet geloof. Maar de wijze waarop met deze grootheden wordt omgegaan, roept de herinnering op. "Het mens-zijn", aldus Aalders, "is, op een wijze, die ons volstrekt ontgaat, in de persoonlijke vereniging met het God-zijn verheerlijkt. Zie hier de zin van opstanding en hemelvaart, heerlijkheid en wederkomst. Het is niet enkel een tijdelijk incognito, een povere camouflage geweest. Het heeft ook positieve zin. Deze zin strekt zich ook uit over het werk, dat de Christus heeft volbracht, over mens en mensheid, over de gehele schepping, die, door het oordeel heen, haar verheerlijking tegemoet gaat."s In deze volzinnen ligt de hele wereldbeschouwing van het incarnationalisme vast. Hier worden de twee mysteries naast elkaar geplaatst; de incarnatie en haar 'effect', de recapitulatie.t Beide zijn organisch met elkaar verbonden.u Het effect moet wel door het oordeel heen, maar het ontstaat niet door een nieuw oordeel. Het is alles te zamen één grote levensbeweging van de hoogste orde, waarin het mens-zijn met het God-zijn verbonden is in een bepaalde relatie. - Wel is het oordeel in deze verhouding opgenomen. De incarnatie grijpt 'oordelend en vormend in de lagere dimensies in'.v Het negatieve staat er naast het positieve. Maar "de positieve betekenis der vleeswording is veel groter dan de negatieve-"w Binnen de incarnatie met haar effect, de recapitulatie, binnen dit 'élan vital' van God-menselijke verhoudingen, regeert tenslotte reeds de vorm en niet het oordeel. Het verband en de voortplanting zijn organisch. Dit is wat Aalders in 1915 reeds zo uitdrukte: "Het dogma is ... een zaak van groei, niet van handwerk."x
Mijn vergelijking met Bergson, de 'bezonnen futurist'y uit Aalders' Gewijde synthese, blijkt tenslotte vrij onschuldig. Zij doet niets af aan het theologisch karakter van Aalders conceptie. Zij laat alle bijbelse omtrekken en het gewijde karakter van zijn synthese bestaan. Ze wijst er alleen op, dat wij hier op analoge wijze worden uitgenodigd ons te verplaatsen in een mysterie, dat het karakter van leven draagt, positief, gevormd. En dat zich ook positief, vormend voortplant. Alles "op een wijze, die ons volstrekt ontgaat." Maar dat wij toch van daaruit, sober en met terughouding, een wereldbeschouwing en een levenshouding zullen kunnen winnen. De prediking, als klare uiteenzetting van de betekenis der heilsfeiten, en als oordeel, met haar naar de menselijke zijde negatieve inhoud, treedt daarbij wat op de achtergrond. Wel legt Aalders er nadruk op, dat wij door het kerugma van de incarnatie weten.z Maar dat dient dan om op het realiteitskarakter, op de afgesloten aard der vleeswording nadruk te leggen. Zonder de prediking zouden wij er zelfs niets van weten. De prediking is orgaan, propaganda van de incarnatie zelf. Een uiting van haar verborgen leven.
De parallel met de academische spelerijen van Bergson is tenslotte ook kinderspel, vergeleken met de directe wijze, waarop Aalders zelf voor de incarnatie aansluiting zocht bij het instinctieve leven van onze tijd. Kuyper heeft dat in zijn bekende Standaard-artikelen reeds vóór hem gedaan.a Het boek van Aalders is minder dogmatisch en meer filosofisch dan men misschien denkt en... hij zelf misschien wil. Trouwens, de schrijver wil algemeen zijn. Maar hij is het nog meer dan hij wil. Hij plaatst de incarnatie in het kader aller terreinen en aller tijden en overal worden het begrip, de idee, de persoon, de geest teruggewezen en wordt er aansluiting gezocht bij het positieve, het zijn, het reële, het bodemloze. Het geweldige teruggrijpen op de geschapenheid, in allerlei vorm, van onze tijd, wordt als een honger opgevat en het brood dat hem wordt toegeworpen, is de incarnatie. Daarin kan de moderne mens bevrediging vinden. Dat de mens tegenover God, bij alle bodemloos verschil, toch een positieve instantie is; dat er verwantschap bestaat, 'analogia entis' in een of andere graad, daarheen wijst meer nog dan de schepping de incarnatie heen.b
Zo heeft de as, waarom het incarnationalisme wentelt, twee rustpunten.
Het eerste is het 'oerfeit'c der incarnatie zelve. Het tweede vind ik treffend aangegeven in deze vorm: "De moderne mens is geen abstractie."d Wat de incarnatie geeft, verlangt de moderne mens. Hij vraagt naar 'het levend verband' der dingen, waarover men alleen spreken kan als men 'er uit spreekt'.e Hij staat op de betrekkelijkheid der dingen, het in-een-verhouding-staan tegenover God en mensen en wereld. Aan deze eisen kan juist voldaan worden, als men de incarnatie belijdt, het levend verband, de edele relativiteitf tussen Woord en vlees, God en mens, in Christus, waar men alleen uit en niet over kan spreken; enkel als 'deelnemer'.g
Aalders heeft daarbij allereerst wel niet de inhoud, maar de vorm en de uitdrukking der incarnatie op het oog.h Maar als incarnationalist kan hij die beide toch moeilijk scheiden. Deze richting immers acht vorm en inhoud onafscheidelijk verbonden. En zo hebben wij, naar het verband van des schrijvers gedachtengang, in de moderne ligging der geesten niet enkel een zekere analogie op te merken met de belijdenis der incarnatie, maar ook een effect van de incarnatie zelve; een bewijs van haar kosmische doorwerking. Voor Aalders moet het verband tussen de dingen tenslotte reëel zijn en niet begripsmatig. Zo krijgt de uitspraak, dat de moderne mens geen abstractie is, pas haar volle zin; evenals die andere, dat het dogma een zaak is van groei en niet van handwerk. Beide vullen elkaar aan.
De abstractie van de moderne mens is nog niet voldoende opgeheven, als men hem alleen ziet in zijn geschapen-zijn, waarin de prediking der incarnatie hem toevallig kan treffen. De verhouding moet dieper liggen. Pas als hij de zich steeds verplaatsende tegenpool der incarnatie wordt, de exponent van haar duurzaamheid, het effect van haar kosmische werking, een moment in de recapitulatie, dan pas wordt hij waarlijk concreet. Op een wijze die ons volstrekt ontgaat, moet hij tonen tot het 'vlees' te behoren dat door het Woord is aangenomen. Want de vleeswording gaat 'zover als het mens-zijn en het geschapen-zijn reiken'.i De mens in de modernste situatie is bedoeld, als de kerk de incarnatie belijdt. En de theologie, die deze daad Gods te verklaren heeft, moet zoeken naar 'de passende vorm voor de geloofsinhoud'.j Daarbij zal dan niet vergeten mogen worden, dat het binnen het incarnationalisme om het levend verband, de betrekking gaat.
Dwz., de incarnatie bepaalt de moderne mens; maar ook omgekeerd de moderne mens de incarnatie. Men kan over de laatste niet spreken buiten de eerste om.
Nu moet men bij dit alles wel in het oog houden, dat de relatie hier nooit tot correlatie wordt. Er is wederkerigheid, maar dat is er een tussen Schepper en schepsel.k Het beweeglijke dat er in de duurzaamheid der incarnatie ligt, zodat ook de moderne mens door haar bereikt kan worden, heeft zijn element in de prediking.l Het komt van boven af en de tegenbeweging, die daardoor gewekt wordt, heeft de vorm van aanbiddingm De fout van de moderne mens is, dat hij de betrekking tussen God en mens niet als mysterie kan zien. Hij is daardoor en daarvoor niet ootmoedig genoeg.n Maar als Aalders aan die geestelijke bemiddeling, die hij overal aanneemt, vol effect had verleend; als hij de prediking niet als mysterie maar als publiciteit had gezien, dan zou zijn 'gewijde synthese' gesprongen zijn. De prediking is geen mysterie; in haar treedt het negatieve, het oordeel, het directe veel meer op de voorgrond dan Aalders dat in zijn realistisch incarnationalisme kan plaatsen. Hij verbindt de doorwerking, het duurzame, het effect der vleeswording, de recapitulatie, veel te organisch met de incarnatie.o Voor de prediking, als orgaan van de Heilige Geest, blijft dan geen volle plaats over. De duurzaamheid der incarnatie drukt haar weg. Als het 'primum vivere, deinde philosophari' in realistische zin nog wat wordt aangedikt, zodat het filosoferen als completering van het leven wordt opgevat en als dit dan op de prediking wordt overgebracht, dan wordt die laatste van haar eigenlijke functie ontheven.p De vorm der incarnatie, zoals de prediking die nodig heeft, komt dan in de schaduw van haar substantie, die (op een wijze die ons volstrekt ontgaat) doorwerktq. Het statische, dat in de verkondiging dienen moet, wordt teruggedrongen door het dynamische;r het representatieve door het effectieve,s⚑ of door het constitutieve;t het directe door het indirecte;u het negatieve door het positieve (passim).
Ik heb hiermee, zo goed en zo kwaad als dat in zo kort bestek gaat, Op één lijn in het boek van prof. Aalders de aandacht gevestigd. zij verbindt de incarnatie met de moderne mens. Niet regelrecht, evolutionistisch; maar zo dat de verbinding een mysterie blijft. Zoals Christus geboren is in de volheid des tijds, en daardoor een verhouding heeft tot de tijd, ofschoon men Hem niet met open armen ontving, zo heeft Hij die voor de schrijver ook tot onze tijd, al is die niet ootmoedig genoeg voor de aanbidding. Christus past er in, en Aalders wil dit tot bewustzijn brengen van ons geslacht. Dat is de strekking van dit boek en ik heb er de voorkeur aan gegeven die aan te wijzen en er iets over te zeggen. - Bij meer ruimte had ik het werk ook kunnen doorlopen aan de hand van andere categorieën zoals de analogie, de paradox, het kosmische, het medische, enz., en telkens zou ik daarbij tot soortgelijke kritiek gekomen zijn. Maar het vruchtbaarst en tegenover Aalders het billijkst is het, allereerst op de eigenlijke strekking te wijzen.
Daarmee geef ik het boek een plaats naast de Römerbrief van Barth, waarmee het in soort overeenkomt, al kan ik het, op mijn standpunt, niet een gelijke betekenis toekennen. Ik heb mij intensief met het werk bezig gehouden en het in alle richtingen doorkropen. En ik ben onder de indruk gekomen van het universele van deze conceptie en van het moderne aan de persoon van Aalders. Wie het boek opneemt, verwacht allicht een dogmatische verhandeling te zullen vinden en hij ergert zich vrij zeker aan het lange geparlementeer, het grasduinen in allerlei vakken en wetenschappen, voor het aan de eigenlijke zaak toekomt. Zo ergens achterin, zegt de schrijver, dat hij zich nu zo goed mogelijk heeft trachten voor te bereide.v Nu komt het pas. "Het moet mogelijk zijn de duurzaamheid der incarnatie ook in hare levende actualiteit voor te stellen."w En zijn ware bedoeling verraadt hij pas in de titel van de kunstig samengestelde lezing aan het slot: De incarnatie en wij. Hier pointeert Aalders. Het is te doen om het eindpunt van de levende actualiteit. Al het andere is kader. Maar dat kader bestaat in de ligging der geesten in allerlei eeuw en in de stand der wetenschap -up-to-date, op allerlei gebied.
Misschien mag ik een persoonlijke herinnering ophalen. Het moet in 1921 geweest zijn, dat ik te Nunspeet op de zomerconferentie der NCSV. sommige van mijn eerste 'dialectische' klanken liet horen.4 Ik legde het Evangelie wat rauw op de jongens en meisjes, alsof er geen conferentie-tent boven hun hoofd wapperde en er geen kerkdak bestond. De volgende avond sprak prof. Aalders over De heiligheid Gods; een indrukwekkende lezing die hij later ook te Lunteren hield. Zijn woord bracht ons als in een tempel, waarin wij met zoveel woorden tot de aanbidding van Christus werden opgevorderd. Ik kreeg het gevoel, alsof ik mij de vorige avond schuldig gemaakt had door profaan te spreken, en dat drukte mij neer. Ik sprak dat tegenover Aalders uit, maar hij meende dat wij dezelfde dingen van twee kanten gezien hadden. - Het boek, waarin de heiligheidsvisie van Aalders is vastgelegd, ligt thans voor mij.
Wanneer ik mij nu daartegenover plaats, dan ligt een vergelijking met de dialectische theologie voor de hand. Ik geloof dat Aalders die avond gelijk had, toen hij sprak van tweeërlei aanvat, al krijg ik ook thans nog, tegenover zijn boek vol mysterie en aanbidding, hetzelfde gevoel van profaniteit. Het incarnationalisme - liever vermeed ik dit profane woord, dat Aalders zelf invoerde - en de dialectische theologie zijn beide op de moderne wereld ingesteld. Zij willen de mensen in de kerk van Christus brengen. Maar het kerkdak van de dialectische theologie komt praktisch bijna met de sterren gelijk. Het is alles prediking, die rauw over de wereld gaat; prediking en nog eens prediking. En de moderne mens voelt zich daarbij voorlopig vrijwel als Luther, toen hij in de ban gedaan was: 'sub coelo'. - Aalders voelt de dingen anders aan. Zijn kerkdak is ook hoog en zijn kerk is vol mysterie; maar hij meent dat het mogelijk moet zijn haar in haar levende actualiteit voor te stellen, met de moderne mens er in. Hij weet van 'verband', van 'betrekking'. Het mysterieuze, de cultus en de aanbidding zoals hij die kent, vooronderstellen beslotenheid. Zijn realisme brengt grens en vorm en maakt kanten dicht, die in de dialectische theologie open blijven.
Ook na de lezing van dit boek zal ik in beginsel niet anders kunnen spreken dan die avond te Nunspeet. Aalders' realisme knelt voor mij de prediking te veel. Wel is het in de loop der jaren veel gedifferentieerder geworden en rekent hij meer met het verschil in dimensie op ieder gebied. Maar de band blijft; het wordt geen Geest. De prediking echter is uit de Geest. In Aalders' realisme behoudt ook de hoogste dimensie het bodemloze, het afgrondelijke. Voor mij brengt niet het mysterieuze, maar het klare, de prediking, de Geest, sfeer in de kerk. Niet het altaar maar de kansel wenste ik in haar koor. Ik schrik even, als Aalders zegt, dat de liturgische beweging5 de incarnatie vanzelf ontmoeten zal.x De sfeer der kerk mag het eenvoudige en duidelijke niet verliezen, dat hoort bij de prediking van Jona te Ninevé, van Jezus aan de zee van Tiberias, van Paulus in de zaal van Tyrannus en van Luther, als hij 'sub coelo' staat. Zij moet de klaarte van de open hemel behouden.
Nu weet Aalders deze dingen ook wel. Hij zegt het op een van de laatste bladzijden van zijn boek: de incarnatie "is een mysterie, dat als zodanig voor de geestelijke mens een wonde betekent, die moet worden opengehouden."y Hier raakt hij de dialectische theologie. Een mysterie is gewoonlijk geen open wonde. En het hele boek door breekt hij als belijder en ⚑prediker telkens door de wanden van zijn realistisch incarnationalism heen. Hij is een te goed zoon der Reformatie om dat niet te doen. Men merkt het aan de inwendige druk, die de paradox steeds oefent binnen zijn analogisch denken. Pikant is in dat opzicht wat hij omtrent de anglicaanse theologie, "met haar synthese en analogie"z opmerkt: "In elk geval heeft deze theologie, apologetisch tot het uiterste, ons zeer weinig te zeggen."a Terwijl hij aan de visie op het geestelijk leven, zoals de reformatoren die hadden, en waarbij de incarnatie enigszins in de schaduw van het kruis kwam te staan;b waarbij alles op de directe, negatieve verhouding tussen God en mens werd gezet, duurzaamheid toeschreef. Dat het bij Aalders tot zulke oordeelvellingen kan komen doet ons zien, dat wij hier niet met een exotische maar met goed-protestantse theologie te maken hebben.
Maar toch is deze conceptie van de verhouding van God en mens, van Woord en vlees, van Christus en moderne mens mij te gebonden, te positief, te reëel. Het is waar dat, als het aan de aanwijzing van die band, dat positieve, dat reële toe is, Aalders onmiddellijk 'halt!' roept en zijn anglicanen afdankt.c Als hij er zelf aan toe is, is zijn boek juist uit. Maar reeds het mysterieuze, het niet-aanwijsbaar aanwezige, de presentie, het niet-leegzijn der kerkd overdonkert de wereld-wijde klaarte der prediking. Als Aalders soms de spanning tussen miserie en misericordia wat weinig vindte en daarboven of daarbuiten een positief iets wil overhouden, dat niet in de spanning mee opgenomen wordt, wat hij dan bij Calvijn vindt,f dan moet ik zulk een realisme wraken. Op de vraag, die hij mij daaromtrent stelde,6 moet ik ontkennend antwoorden. De kerk die de moderne mens nodig heeft, is enerzijds open als de hemelen en anderzijds gebonden als het dagelijks leven. Iets mysterieus daartussen kan niet dienen.
De conceptie van Aalders is mij tenslotte te wetenschappelijk, te filosofisch. Zij werkt te veel met het 'zijn' en te weinig met het Woord. Het zijn is mysterieus; het Woord is scherpsnijdend. Achter dat laatste staat de prediking en daarachter de Heilige Geest. Het duurzame der incarnatie mag de Heilige Geest niet in de schaduw stellen. Ik meen dat dit in Aalders' boek te veel gebeurt.