365. H. Visser1 aan O. Noordmans
Zwolle, 31 januari 1928
Amice,
Gisteravond las ik voor ’t eerst van je ambtsjubileum op 1 februari. Ge begrijpt dat ik zeer in je feestvreugde deel. Was ik aanwezig dan zou ik allerlei herinneringen kunnen ophalen, aangezien we elkander op allerlei wijze hebben leren kennen en waarderen. Ik denk gaarne terug aan onze omgang in Leiden,2 aan de nachtelijke wandelingen tussen 11 en 12 uur ’s avonds, en ik herinner me mijn medeleven met je in Wörishofen,3 en later in Scharnegoutum en misschien is er op 1 februari niemand bij je, die je intree in Skusum4 heeft bijgewoond zoals ik en bovendien waart ge daar mijn opvolger. En dan onze gemeenschappelijke sympathie voor Van der Schans.5 En bij de korte bezoeken de laatste jaren voelde ik steeds weer de geestesband en daarop komt het toch veel meer aan dan op ‘richting’, waarover velen het zo druk hebben. God heeft je de gave van wetenschappelijke aanleg gegeven en met die gave hebt ge gewoekerd, zeker tot heil der gemeente. De geestelijke opbouw der Gemeente Gods gaat je het hoogste en die arbeid gedurende deze 25 jaar kan niet tevergeefs zijn. En de Heer blijve je nabij in de jaren die Hij je nog gunt. Wij beiden beginnen tot de seniores te behoren. Ik heb bijna 32 dienstjaren, maar onze leeftijd is vrijwel gelijk. Heb met vrouw en kinderen en gemeente een recht gezegende dag en wees verzekerd dat ik gaarne in je vriendschap blijf delen. Met de beste wensen ook van mijn vrouw, die zich met mij o.a. een preek herinnert over Gethsemané te Wirdum6 t.t.
H. Visser
(AN)