424. P.C. IJsseling1 aan O. Noordmans
Loenen, 30 maart 1933
Beste Noordmans,
Gistermorgen, vlak voor ik naar de catechisatiekamer zou gaan, kwam de post. Een drukwerkje legde ik maar even ongeopend terzijde. Er komt zoveel; meestal niet veel zaaks. In de loop van de namiddag kwam er gelegenheid het drukwerkje nader te bezien. Toen begon mijn hart warmer te kloppen. Augustinus2 en Noordmans. Een combinatie van deze twee goede namen kan slechts tot een goede harmonie leiden. Een paar jaar geleden nam ik mij voor, geen theologische werken meer te kopen, aangezien ik er toch niet wijzer door werd. Ik wilde de allerbeste uit mijn kast nog eens zorgvuldig doorlezen. Ik heb mij daaraan vrijwel gehouden. Slechts een uitzondering maakte ik met Geestelijke Perspectieven,3 je wel bekend. Ik heb daar verschillende goede uurtjes mee beleefd. Verder mijn grote Hase4 nog eens genoten. En nu legt gij met een vriendelijke hand deze rijpe vrucht van je nadenken op mijn tafel. Ik dank er je hartelijk voor en zal het lezen en - ik ben er zeker van - genieten. Al bladerende hoorde ik hier en daar Noordmans al aankomen. Gedachten, zoals ze in langvervlogen dagen werden geponeerd en ontvouwd in Schuzums pastorie. Goede tijden waren het. Ik denk gaarne ‘die Guten, die um schöne Stunden - von mir hinweggeschwunden.’5 Just de Visser6 ook nu in de eeuwige rust ingegaan. Wij kunnen nog in het werk staan en dat mag jij doen met het talent dat je is geschonken. Is dit boek gegroeid uit een Volksuniversiteitscursus?7 Ik vermoed zulks, ook om de typische uitgave in de VUB8 [...]9 En bij jou alles wel? Misschien kan de predikantenvergadering, waar ik verleden jaar niet was, ons nog even samenbrengen. Veel groeten. tt.
P.C. IJsseling.
(AN)