444. G. Oorthuys1 aan O. Noordmans
Amsterdam, 27 october 1933
Hooggeachte collega,
Gij zult het verstaan hebben, dat er na het beëindigen van het overleg,2 van onze zijde geen nadere uitwerking kwam van de deputaten-gedachte,3 al hadden wij ons daartoe bereid verklaard. Ik heb er mij toe gezet, en ben nog van mening, dat een heilzame tusseninstantie zeer wel mogelijk zal blijken, al verwerpt men het nieuwe ambt.4 Ons hoofdbestuur meende echter, dat na het beëindigen van het contact in dit stadium, geen voorstellen meer van ons moeten worden gedaan. Bij mijn persoonlijk pogen de deputaten-gedachte uit te werken, werd mij hoe langer hoe duidelijker, dat het art. 7 van het Alg. Regl. een onmogelijkheid is voor ieder die geen bisschopsambt wil in onze kerken. Dit is geen tussen-instantie meer, maar een boven-instantie, althans gepredestineerd in zichzelf tot zulk een boven-instantie uit te groeien. Gij gevoelt dat natuurlijk zelf ook wel. Het is goed, dat de voorstellen van Kerkopbouw nu in openbare bespreking komen. Het contact zal toch wel deze goede vrucht dragen, dat de komende discussie geen vinnig doch een broederlijk karakter vertoont. En tenslotte: Christus is onze petra en Koning. De poorten der hel zullen Zijn Gemeente niet overweldigen.5 Met broederlijke groeten, uw,
G. Oorthuys.
(AN)