915. G. Oorthuys1 aan O. Noordmans
Lunteren, 21 oktober 1952
Waarde broeder en vriend,
Hartelijk dank voor je hartelijk afscheidswoord!2 Maar de verontschuldigingen hadt ge u kunnen besparen. Want onze schuld is in elk geval veel groter. Want wij zijn ten slotte jonger en minder bezwaard van lichaam dan gij. Wij wilden dan ook komen, maar kwamen er toch niet toe door allerlei tussenkomende wederwaardigheden, waaronder veel bezoeken van veel jonge en oude familieleden. En nu gij op het lijstje stondt van de in elk geval te brengen afscheid-bezoeken, werd ik plotseling ongesteld en schreef de dokter een verbod voor deze bezoeken. Alles is ook zo onverwacht gegaan bij ons besluit te verhuizen naar Oegstgeest, dat het mij méér aangepakt heeft, dan ik verwachtte. Gij weet wellicht, dat mij in het laatste jaar herhaaldelijk een duidelijk “halt” werd toegeroepen, bij het preken of spreken of lezing houden. Toen kwam, heel onverwacht, de mogelijkheid een klein nieuw huis in Oegstgeest, met vestigingsvergunning , te verwerven. En wij hebben gemeend dit te moeten doen. Maar het scheiden van een gemeente, die ik tien jaar mocht dienen op mijn wijze,3 valt niet licht. Bij alle tegenstand tegen de kern van het evangelie is toch het Woord niet vergeefs gepredikt. Zo zijn banden gelegd, die blijven. En daartoe behoren ook de banden van eenheid des geloofs en der liefde, die ons aan u beiden, en de uwen, binden. Dat die banden niet nog nauwer zijn aangehaald, kwam - ik belijd het ootmoedig - ook daaruit voort, dat ik u niet alleen mijn meerdere in jaren, maar mijn meerdere in theologische kennis en in geestelijk inzicht en geloofs-diepte zag, en daarom erg tegen u opzag. Je zult zeggen: dan had je trouwer bij mij in de lering moeten komen. Dat is volkomen waar. Maar je weet ook dat deze grote gemeente een groot beslag op mij legde, zowel in de jaren van het hulppredikerschap als daarna, toen ik alleen ouderling was. Vergeef mij, wat ik aan je tekort ben geschoten. En geloof mij, als ik zeg met geloofs- en liefde-banden aan je verbonden te blijven. Wees, met vrouw en kinderen, naar lichaam en geest Gode bevolen; groet ook de dames Lambers. Je vrienden
Oorthuys-Swellengrebel.
(AN)