452. W.J. Aalders1 aan O. Noordmans
Groningen, 14 januari 1934
Zeer waarde Heer,
Uw verlangen naar consensus met mij kan niet groter zijn dan het mijne ten aanzien van u. Daarom wil (ik) naar aanleiding van uw brief,2 u nog even schrijven. Het komt mij voor, dat uw positie te zeer bepaald wordt door de tegenstelling rede-natuur, idee-werkelijkheid als laatste tegenstelling. Dit is m.i. niet christelijk, maar Grieks. Ik vind, bij Calvijn bijv., niet de bestrijding van de rede, de idee als zodanig, maar deze als geabsoluteerd, autonoom. Door hem worden zij tot hun juiste plaats teruggebracht, nl. die van de geschapenheid, de receptiviteit. In de tweede plaats wilde ik opmerken, dat het neo-platonisme voor mij niet iets formeels of methodisch is, maar iets materieels, zakelijks: een soort van goederenleer, culminerend in de ver- of hereniging met God. Daarom reageerde ik even, toen u Calvijn in verband met het neoplatonisme bracht en ik zou datzelfde gedaan hebben, als gij Augustinus hadt genoemd, hoewel niet zo energiek. Ik acht Augustinus universeler dan Calvijn, met de voordelen, maar ook met de nadelen daarvan. Beperktheid is in het geestelijke leven soms een voordeel. Tenslotte meen ik, dat men voorzichtig moet zijn en zijn houding niet laten bepalen door zijn tegenstanders. Dit naar aanleiding van wat gij zeidet over de rooms-katholieken: de vrees hun te veel toe te geven. Ik erken , dat het moeilijk is het niet te doen en dat men dikwijls moet beginnen - en vanzelf begint - met het te doen, in de houding van verzet of verweer. Maar ik geloof, dat men op den duur moet trachten aan deze eenzijdigheid te ontkomen en niet aan de wijze, waarop de tegenstander het voorwerp van geschil hanteert, maar aan dit voorwerp zelf zoveel mogelijk zijn houding te ontlenen. Dit is voor mij een der kenmerken van catholiciteit. Houd mij deze vluchtige, onsamenhangende opmerkingen te goede, terwille van mijn belangstelling in u en in uw theologische en kerkelijke positie, en geloof mij, hoogachtend, uw dw.
W.J. Aalders.
(AN)