267. H. van Eyck van Heslinga1 aan O. Noordmans
Berlikum, 5 juli 1910
Amice frater!
Laat mij bruid en bruidegom bij deze hartelijk mogen feliciteren met hun a.s. vereniging en hun Gods zegen voor hun huwelijk2 toewensen. Ik kan een klein beetje mij indenken en meevoelen, wat er is in ’t hart van de bruid, al is dat een vermetel zeggen, omdat het hart der vrouwen vol raadsels is, naar men zegt. ’k Heb n.l. van haar vriendelijke gastvrijheid genoten en gezien (een oud man merkt veel op), hoe mijn lieve gastvrouw opging in haar taak en verstond, wat zovelen niet verstaan, haar doen en spreken te verlichten en te verwarmen met de glimlach der hartelijkheid en eenvoud, die ons mannen en strijders op de markt des levens zo goed doet. De plaats van huisvrouw, vooral in een pastorie, is de hare en er zal geen schoner vooruitzicht voor haar zijn, dunkt mij, dan als zodanig alles te zijn voor haar man. De Here bereide haar, wat zij wenst, zoals zij ’t wenst en wacht. En nog beter kan ik mij in de plaats stellen van de bruidegom. Eenzaam zwerver, neerzittend aan een koude haard in een stil huis, dicht bij de kille, zoute dampen der zee, zich houdende aan droge filosofen en vruchteloos warmte zoekende bij hen, die alleen scherpen de geest en niet kunnen koesteren het hart en nu - naar de zoele wouden met - Jo! Dat zegt alles. Wel, onze trouwe God ga mede en zegene hart en huis met de keur zijner zegeningen en helpe dragen, wat Hij soms aan nood en kruis op leggen moet. Een gelukkig huwelijk zegt veel, veel meer dan men wel eens vermoedt. Het zij in lengte van jaren uw deel. Met hartelijke groeten ook aan de familie tt.
H. van Eyck van Heslinga.
(AN)