Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Jaren Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9A, Suameer

Weergave
Passages naar Readwise sturen

283. H. van Eyck van Heslinga1 aan O. Noordmans

Berlikum, 18 maart 1914

Amice frater!

Nare historie! Inliggende zendt mij zoëven Groot Enzerink2 met de vraag of hij ’t onveranderd moet plaatsen, met verzoek deze week een redactievergadering te beleggen en met ’t aanbod zijn plaats als eindredacteur ter beschikking te stellen.3 Ik zal hem antwoorden, dat ik over ’t stuk met u correspondeer, dat ik deze week geen vergadering meer houden kan en dat ik bereid ben ’t eindredacteurschap voor uw stukken dadelijk op mij te nemen, terwijl ter vergadering over de rest besloten kan worden. Maar mag ik nu eens even naast je gaan zitten en je vasthouden bij een knoop van je jas? Zo kan dat stukje er toch niet in om je zelf, om ons ambt en om ons blad. Vind je dat bij nadenken zelf niet? Laat ’t opschrift worden: “Een slotwoord” en laat de slotzin vervallen. ’t Publiek heeft toch niets te maken met ons vuil linnen en waarom zou je je uit de redactie terugtrekken, als er een ander eindredacteur is? ’t Verwondert mij niet dat tegenwoordig de gal je overloopt, maar, mij dunkt, op die wijzigingen kan je toch niets tegen hebben. Vind je ze goed, zend mij dan ’t stukje, aldus gewijzigd, terug.4 Dan plaats ik ’t volgende week. En breng dan ter redactievergadering al je bezwaren ter tafel. Waarom zouden twee zo verwante richtingen (afgezien nu van Noordmans en Groot Enzerink) elkander niet in het blad kunnen ontmoeten, en disputeren zelfs, mits de toon de rechte zij? Ik zie dat niet. Hoor ik dan meteen wat van de afloop der schoolvergadering?5 Met hartelijke groeten, groet je vrouw tt.

H. van Eyck van Heslinga.

(AN)

Noten

  1. 1

    H. van Eyck van Heslinga, zie brief nr. 205 (6.2.1908), n. 1.↩

  2. 2

    J.W. Groot Enzerink, zie brief nr. 224 (24.12.1908), n 3.↩

  3. 3

    Het artikel ‘Kerk of genootschap’ (zie de brief van 14.3.1914) deed voor Groot Enzerink de deur dicht. ON noemde daarin de ‘geestelijke eenheid’ ‘een der meest op de voorgrond tredende karaktertrekken’ (VW 1, 483). Deze schijnt echter vaak alleen door de macht van de meerderheid afgedwongen te kunnen worden. ON neemt stelling tegen diegenen die krachtens die macht ‘de wacht bij de kansel betrekken’ en rekent dezen tot ‘een soldatentype en niet een van de fijnere mensensoorten’ (VW 1, 484). Groot Enzerink vatte dit op als een belediging en noemde ON’s karakterisering in zijn ‘Dupliek’ ‘belachelijke grootdoenerij’ en besloot: ‘Voor zulke woorden wijk ik inderdaad en ga ik uit de weg omdat ’t mij ’t bewijs is dat hier een geest aan ’t woord is van de allerslechtste soort.’ ‘t Zal u aangenaam zijn als een van ’t soldatenvolk u verder niet in de weg zal treden. Ik laat u ’t gezelschap van de fijnere geesten’ (VW 1, 485). Hierop stelde ON eveneens zijn zetel beschikbaar. Het geschil werd echter tijdens een redactievergadering bijgelegd. In ‘Een persoonlijk feit’ in: Hervormd Zondagsblad 7 (1914) nr. 15 stelde hij dat het geruzie op een misverstand berustte en hij geenszins de bedoeling had Groot Enzerink persoonlijk te treffen (VW 1, 486-487). In hetzelfde nummer verklaarde Groot Enzerink ON’s verklaring te accepteren en de zaak als afgedaan te beschouwen (VW 1, 488).↩

  4. 4

    Het is niet bekend of het ter wijziging aangeboden artikel het in n. 3 genoemde is.↩

  5. 5

    Onbekend; vgl. de brieven nr. 287 (11.9.1914) en nr. 289 (28.11.1914). In Suameer was ON van 1910-1919 voorzitter van het bestuur van de christelijke school. In 1913 ontstond er onenigheid tussen ON en het schoolhoofd, K. Harmsma. In de loop der jaren escaleerden de conflicten zodanig dat ON terugtrad. Bedoeld wordt hier de vergadering van het schoolbestuur van 16.3.1914. De notulen daarvan worden geciteerd in het hieronder genoemde artikel van K. de Jong Ozn. Deze notulen werden opgemaakt door ON en luiden als volgt: ‘Bestuursvergadering op 16 Maart 1914 in het catechisatie-lokaal te Suameer. Aanwezig waren alle bestuursleden, het Hoofd der School en de Inspecteur vanwege volksonderwijs, de heer J.L. Oosterhoff. De vergadering wordt met gebed geopend, waarna de notulen worden gelezen en goedgekeurd. Het Hoofd der School maakt naar aanleiding van de gelezen notulen de opmerking dat hij niet heeft geweigerd te komen op eene vergadering met den heer Oosterhoff. De voorzitter leest daarop de brief, waarin het Hoofd schreef dat hij zulk eene uitnodiging voor ‘kennisgeving’ zou aannemen. Het Hoofd zegt nu dat ‘voor kennisgeving zou aannemen’ ook kan beteekenen dat hij dan nog eens zou overwegen of hij ook komen zou. De voorzitter zegt, dat ieder die Hollandsch kent wel beter weet, waarop het Hoofd zijn bewering niet langer volhoudt. Het Hoofd maakt enkele opmerkingen van minder beleefden aard en spreekt van ‘fratsen’. De voorzitter staat op en verklaart niet langer te zullen voortzetten als het Hoofd z’n fatsoen niet houdt. Hij klaagt over de onbeleefde manieren die de heer Harmsma eigen zijn. Hij zal nog ééns proberen de vergadering voort te zetten. Het Hoofd beklaagt er zich over dat hem eene dagvaarding is gezonden. De Voorzitter merkt op dat hem eerst een uitnoodiging is gezonden, daarna nog eene uitnoodiging, daarna een schrijven, waarin het woord dagvaarding voorkwam. Waren de eerste keren niet onvoldoende geweest dan zou de derde niet gevolgd zijn. De Voorzitter merkt op, dat het Bestuur over sommige dingen ten opzichte van het Hoofd ontevreden is en hem die onder ’t oog wenscht te brengen. Hij leest daarop een stuk, waarin de bezwaren worden uiteengezet. Daarin worden genoemd het eigenmachtig plaatsen van eene week vacantie meer op den Rooster, en enkele andere zaken zooals die in het stuk nog te vinden zijn, dat in het archief is gedeponeerd en waarin over het optreden van het Hoofd in de gemeente tegenover de Predikant wordt geklaagd. Het Hoofd der School leest daarop een stuk waarin hij de verhouding van Voorzitter en Hoofd behandelt. Hij was, zoo begint het Hoofd, vier jaren geleden eigenlijk te Suameer men mocht wel zeggen ‘beroepen’. Hij beklaagt zich over verschillende dingen ten opzichte van de Voorzitter. Hij deelt daartoe een reeks gesprekken mede, die de voorzitter in den loop van de vier jaren van samenwerking onder vier oogen met hem heeft gehouden. Woordelijk worden nu sommige van de gesprekken voorgelezen. De voorzitter verklaart, dat hij zich te fatsoenlijk rekent om daarop te antwoorden. Hij vindt het echter goed dat het Hoofd der School z’n karakter maar openbaart. Hij moest in de loop van de vier verloopen jaren zoo nu en dan het Hoofd er op attent maken wanneer hij zich niet hield aan de regels die er zijn voor Schoolbestuur en personeel. Of ook soms wanneer deze bijzonder onbeleefd was. De persoonlijke dingen wenschte hij echter in eene vergadering niet te behandelen. Voortaan zal hij erg op z’n hoede moeten zijn tegenover het Hoofd. - Het mededeelen van een reeks van gesprekken onder vier oogen gehouden tot wegruiming van moeilijkheden vindt de Voorzitter schandelijk. Hij zal daarop natuurlijk niet ingaan. Hij wenscht thans schoolzaken te behandelen. Enkele dingen worden daarop met de heer Oosterhoff besproken. In zake het eigenmachtig zetten van eene week vacantie meer op de rooster en in het Leerplan verklaart deze dat het beter ware geweest wanneer het Hoofd een verzoek dienaangaande had ingediend. De bepalingen van de Wet op dit punt hebben betrekking op het openbaar onderwijs. De heer Oosterhoff brengt het Hoofd onder ’t oog, dat de School een zaak van ’t Bestuur is. Wenscht het Hoofd een dag vacantie, dan behoort hij die niet zelf te nemen, maar aan de Voorzitter daartoe verlof te vragen. Het Hoofd zegt, dat hij dit vroeger deed. De Voorzitter wijst er op dat in zake de vacantieverandering het Hoofd met opzet de zaak zoo heeft behandeld. Hem is medegedeeld dat hij de Rooster eerst aan de onderwijzer Veltman heeft laten zien. Het Hoofd zegt dat hij de Rooster niet aan den heer Veltman heeft laten zien. Ten opzichte van het vragen van vacantie voor de School zegt de inspecteur dat het niet behoort zulk eene vacantie door eenen onderzijzer te laten vragen. Zulke zaken moet het Hoofd met den Voorzitter behandelen. Omtrent het bewerken van de Bestuursleden door het Hoofd vóór eene Bestuursvergadering zegt de Inspecteur dat dit zeker niet bevorderlijk is voor een goeden gang van zaken. Ten opzichte van het niet uitnoodigen van het Hoofd bij de Bestuursvergadering zegt de Inspecteur dat dit in het bestuur waarin hij zitting heeft ook niet gebeurt. Wenscht het Bestuur advies, dan kan dit altijd gevraagd worden. Waar het Hoofd geweigerd heeft om iets op te geven voor eene Bestuursvergadering, waarbij hij niet gevraagd werd, zegt de Inspecteur dat zulk een houding niet te pas komt. Waar er bezwaar gemaakt is, dat de Voorzitter tekent “namens het Bestuur” voor loopende zaken, zegt de Inspecteur dat alle voorzitters van alle Besturen dit doen. Men zou anders elk oogenblik een Bestuursvergadering moeten oproepen. Er wordt nog gesproken over de bewering die het Hoofd den vorigen keer in de gemeente gemaakt heeft. De Voorzitter meent dat het Hoofd den wensch koesterde juist nu in den Kerkeraad gekozen te worden nu hij op gespannen voet stond met den predikant. Hij meende dit reeds voor de verkiezing te moeten opmaken uit de buitengewone belangstelling, die het Hoofd en een paar zijner vrienden in de afkondigingen stelden. Hij had dit andere jaren nooit zoo opgemerkt. Het Hoofd verklaarde dat hij daarin zoveel belang stelde, met het oog op de Modernen op het dorp. De vergadering loopt ten einde. - De heer Oosterhoff zou willen dat het Hoofd en de Voorzitter vertrouwen in elkander stelden. De Voorzitter verklaart dat hij na de opgedane ervaring, dat vertrouwen niet zoo dadelijk weer kan schenken. Dat vertrouwen zou eerst teruggewonnen moeten worden. Hij vreest, dat de vergadering zonder vrucht zal zijn waar de verschillende besproken vastgestelde punten weer even hard eenige oogenblikken later door het Hoofd worden uitgeveegd. Op die wijze komt men niet verder. De vergadering wordt gesloten. Aldus gelezen en goedgekeurd in de Bestuursvergadering van 15 juni 1914’. De bovenmeester maakte later zelf de volgende aantekening bij de notulen: ‘Eenzijdig door den eenen betrokkene, den voorzitter, opgesteld. Alle zinnen zouden bijna weerlegd kunnen worden. De Heer Oosterhoff meende dat de voorz. het HdS wel dankbaar mocht zijn, dat deze als lid der kerkeraad nadat hij daartoe gekozen was, had bedankt. Ook bleek uit hetgeen het HdS had medegedeeld, dat de voorz. het HdS meermalen beleedigd en gekrenkt had, zoodat ook de voorz. nog al wat had goed te maken. De Heer O. wilde zich geen partij stellen, alleen als vredestichter optreden.’ De notulen van deze vergadering zijn tweemaal door Noordmans opgemaakt. Bij een eerste versie noteerde Harmsma nog het volgende: ‘De voorz. kon echter geen der aangehaalde feiten en gesprekken, die steeds een krenking van het HdS. door den voorzitter inhielden als onwaar, ontkennen. De Heer Oosterhoff erkende, dat de voorz. ten opzichte van het HdS. ook nog al wat had goed te maken. Hij stelde zich geen partij, was alleen gekomen om de heeren bij elkaar te brengen. Nu de voorz. hiertoe niet bereid was, had hij niets te doen.’ Zie J.D.Th. Wassenaar, a.w. 35, en K. de Jong O.zn., ‘Dr. O. Noordmans in Suameer’ in: Bulletin, tijdschrift voor documentatie van en bezinning op het chr. onderwijs 16 (juni 1988) nr. 6, 25-29.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 282. K. Straatsma aan O. NoordmansSuameer284. G.A. Wumkes aan O. Noordmans →