Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9B · 7. Laren

Weergave

662. O. Noordmans aan C.J. de Vogel1

Laren (G.), 7 december 1940

Hooggeachte dr. de Vogel,

Het doet mij leed, dat de uitgever u niet dadelijk het nummer van het tijdschrift, waarin ik uw boek besprak, heeft doen toekomen.2 Zelf had ik u een overdruk willen toezenden, maar ik bezat uw adres in Den Haag niet. Dat had ik op de redactievergadering willen vragen. Doch kort na de verschijning van het april-nummer brak de oorlog uit.3 Ik hoop zeer dat u aan deze wel zeer buitengewone omstandigheden wilt denken, als u - terecht - bezwaar hebt tegen de late kennisname van mijn stuk. Wanneer de lezing en herlezing van mijn beschouwingen u de indruk hebben gegeven dat deze niet onwelwillend waren, dan komt dat geheel overeen met mijn bedoeling. Trouwens, de omvang en het gedocumenteerde van mijn artikel moeten u wel de overtuiging hebben geschonken, dat ik mij zeer ernstig met uw boek heb beziggehouden. Veel meer dan bij een gewone boekbespreking meestal het geval is. Wanneer u nu verder schrijft, dat u mijn bestrijding ‘met moeite gedragen’ hebt en het ‘erg’ hebt gevonden, dan moet ik mij beroepen op een bestaande noodzakelijkheid. Uw boek staat niet alleen. Het is nodig dat de relaties daarvan worden aangewezen. Op dezelfde wijze heb ik met dr. van de Pol en prof. van der Leeuw4 gediscussiëerd. En zij hebben mij daartoe het recht niet ontzegd. Het gaat over de toekomst van het protestantisme. Dat u het getuigenis van de Heilige Schrift ‘zo evenwichtig mogelijk’ tot uitdrukking wilt zien gebracht, heb ik zelf op blz. 119 neergeschreven.5 Mijn betoog bedoelde echter duidelijk te maken, dat dit samenhangt - althans in uw boek - met het naar voren brengen van een zakelijk equilibrium. Wilt u dat een verkeerde voorstelling noemen, dan is dat juist de zaak, die in geding is. Mijn hele artikel is daaraan gewijd geweest. U kunt - vergeef mij - niet volstaan met het te ontkennen; u zoudt het moeten bestrijden. Ik heb in mijn stuk allerlei bewijzen aangevoerd voor mijn bewering. Dat geldt ook van de andere punten. Zo b.v. van punt 4.6 Op blz. 126 heb ik geschreven dat U het realisme bij Newman meer persoonlijk wilt zien.7 Ik geef derhalve geen ‘verkeerde voorstelling’, maar ik bestrijd uw opvatting. Eerlijk gezegd begrijp ik niet goed hoe u dit ‘erg’ of ‘moreel ellendig’ kunt vinden. Ik heb een rustig en zakelijk betoog gegeven, van ’t begin tot ’t eind in de noten gedocumenteerd. Daarbij heb ik een zeer ernstige aandacht aan uw boek besteed en daarmee aan uw studie de eer bewezen, die er, volgens mijn opinie, aan toekwam. Maar het gaat tenslotte om de zaken. En, zoals achter uw werk een bewogen leven staat, zo staat het ook bij mij. Het lot van ons Gereformeerde inzicht gaat mij na aan het hart. Ook persoonlijk, tegenover u als auteur en allermeest als kerklid meen ik verplicht te zijn zo duidelijk mogelijk aan te wijzen, wat er aan uw zienswijze vastzit. Het is geen kleinigheid, wanneer èn homiletisch èn liturgisch de ondergrond van ons christelijk en kerkelijk leven gaat verschuiven, katholiserend. U aarzelt nog ten opzichte van de consequenties. Ik zou u willen bezweren retrospectief de gronden nog weer zo scherp mogelijk te beproeven. Wanneer wij, zoals u schrijft, als Protestanten alleen staan, dan kan dat, zoals bij Newman, een motief zijn dat ons dwingend naar Rome zou voeren. Ik ontken allereerst, dat het Rome zou moeten zijn. Het wijst over Rome heen. Maar allermeest sta ik er afwijzend tegenover omdat men zich door de historie laat bepalen. De hervormers hebben wel geweten dat de historie als zodanig niet achter hen stond. Zij hebben de kerk niet als een historische, maar als een critische instantie aangezien, die in staat was het hele verleden tot op de bodem der Schrift in beroering te brengen. En op die wijze stonden ze sterk. Tegen de plaatsing van uw stukje kan ik geen bezwaar hebben. Ik zal volstaan met aan den volke even op te merken, dat ik de inhoud in mijn artikel reeds heb behandeld. Met de meeste hoogachting, uw dw.,

O. Noordmans.8

P.S. uw artikel zend ik door.

(AKDC)

Noten

  1. 1

    C.J. de Vogel, zie brief nr. 607 (21.9.1938), n. 1.↩

  2. 2

    Zie brief nr. 658 (1.12.1940).↩

  3. 3

    Op 10 mei 1940 vielen de Duitsers Nederland binnen.↩

  4. 4

    Deze discussie werd in 1939 in verschillende bladen gevoerd en verscheen datzelfde jaar gebundeld onder de titel Liturgie in de crisis. Zie VW 6, 165-243.↩

  5. 5

    ON wijst in ‘Newman en de Reformatie’ (zie brief nr. 658 (1.12.1940) n. 1) op De Vogel’s ‘leer van het evenwicht, die zij wil zien toegepast op prediking en liturgie’ (VW 6, 378). ON beschouwt het als een grove fout ‘als men de protestantse prediking gaat beoordelen naar een principe dat aan de leer van Newman ontleend is en haar op een zakelijken grondslag in een evenwichtstoestand zoekt te brengen, die haar van huis uit vreemd is.’ En een paar regels verder vervolgt hij (VW 6, 379): ‘De reformatorische preek kan een profetische gerichtheid niet ontberen, die het evenwicht, dat dr. de Vogel verlangt, uitsluit. Daardoor wordt... in iedere preek de dogmatiek scheefgetrokken. En de dogmatiek vertoont er de sporen van, dat haar dit telkenmale overkomt. Die vorm van dogma is niet de beste - zoals dr. de Vogel wil - waarin het getuigenis van de Heilige Schrift zo evenwichtig mogelijk tot uitdrukking wordt gebracht.’↩

  6. 6

    Zie: nr. 660: de repliek van Dr. C.J. de Vogel en nr. 661: het naschrift van ON.↩

  7. 7

    ON haalt De Vogel aan: ‘De ‘geestelijke visie’, die Plato’s leven beheerste, is bij Newman concreet, ‘reëel’.’ ‘Maar’, schrijft ON, ‘zij voegt er aan toe: ‘persoonlijk’. En zij wijst dan op de gestalte van Hem, die het uitgedrukte beeld is van Gods volkomenheid.’ Zie VW 6, 387.↩

  8. 8

    Mw. de Vogel was opgetogen over deze brief en schreef aan prof. Van Niftrik (14.12.1940): ‘Daar wij spraken over mijn bezwaren tegen de argumentatie van dr. Noordmans en ik U daar ook nog over schreef, wil ik U hierbij gaarne laten weten dat ik in het begin van deze week een buitengewoon sympathiek schrijven van dr. Noordmans ontving in antwoord op de uiteenzetting van mijn bezwaren. Ik heb heb hem daarop dezer dagen uitvoerig terug geschreven en hem hartelijk bedankt voor zijn vriendelijk antwoord. Van het stukje dat ik hem zonde, zult U waarschijnlijk t.z.t. wel kennis kunnen nemen in W[oord] en W[ereld]. Mijzelf is het allereerst veel waar over mijn bezwaren met dr. Noordmans zelf gesproken te hebben en daarbij de overtuiging te hebben gekregen, dat de sophistiek, die ik feitelijk in zijn artikel vond, hem bij het schrijven zonder twijfel zeer ver lag.’↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 661. Naschrift O. Noordmans over C.J. de Vogel7. Laren663. C.J. de Vogel aan O. Noordmans →