663. C.J. de Vogel1 aan O. Noordmans
Den Haag, 13 december 1940
Hooggeachte Dr. Noordmans,
Ik dank u hartelijk voor uw brief. Het is wat plat uitgedrukt wanneer ik zeg dat u mij met dat schrijven een groot genoegen hebt gedaan. Eigenlijk moet ik zeggen: u hebt daarmee mijn geweten zeer verlicht, en iets dat mij maandenlang werkelijk nogal zwaar gewogen heeft, weggenomen. Ik stel het buitengewoon op prijs dat u geen bezwaar hebt tegen opname van mijn stukje voor Woord en Wereld. Dit feit op zichzelf is mij echter voldoende om ook zonder die opname persoonlijk uw bestrijding van mijn Newman-werk te kunnen aanvaarden zonder het gevoel van morele gekweldheid, dat ik daarover tot nog toe had. M.a.w.: wat ik ‘erg’ heb gevonden, is hiermee opgeheven. De zaak is nl. deze, dat ik uw betoog, dat naar u mij schrijft geen scheve voorstelling, maar een bestrijding van het mijne is, van het begin tot het eind niet als zodanig heb kunnen verstaan. Hoe zou ik u het recht ontzeggen het door mij betoogde te bestrijden? Mijn protest betrof juist, dat u inderdaad niet het door mij betoogde, maar een ‘transpositie’ daarvan bestreed. Een transpositie in een systeem van begrippen en denkbeelden waarmee u gewoon bent te opereren, maar die van mijn bedoelingen iets wezenlijk anders maakt dan zij zijn. Ik ben nog van mening, dat dit zo is, en het stukje, dat ik u zond, is dan ook, geloof ik, zeker op zijn plaats. Maar uw antwoord heeft mij er volkomen van overtuigd, dat een dergelijke vorm van sofistiek u bij het schrijven van dat artikel zeer ver lag. Ik gebruik nu het woord sofistiek. Impliciet heb ik u dat in mijn vorige brief ook wel gezegd, maar het woord heb ik vermeden, omdat het mij een onbeschaamdheid scheen. En nog wist ik me eigenlijk geen raad hoe ik u moest schrijven, terwijl het hier toch eigenlijk om ging. Dit kan u dan, geloof ik, wel verklaren waarom ik uw artikel2 ‘met moeite gedragen’ heb. Het gaat immers ook mij om de zaak, d.i.: om de waarheid Gods. Ik wilde wel dat het zo was als u meent: dat wij daarmee voor het Gereformeerde protestantisme, voor de beginselen van onze eigen kerk en belijdenis moeten strijden. Ik zou dat zo erg graag willen. Maar het is mij overkomen tenslotte, na zeer zorgvuldige overweging, die belijdenis, juist in haar specifiek reformatorisch karakter op belangrijke punten te bestrijden. Dat is een feit dat, geloof ik, een objectieve noodzakelijkheid was. Maar persoonlijk is het zo, dat het mijn ziel een beetje verscheurt. Want ik ben ook nu nog aan onze protestantse geestelijke wereld onzegbaar diep gehecht. En ik weet toch wat het in heeft, wanneer men doet wat ik met dit boek gedaan heb. Niet voor niets begint de paragraaf over de ‘positieve betekenis van Newman voor het protestantse dogma’ met een zwaar onderstreept ‘audendum est.’3 Het moest toch.4 Ik ken dus die ‘objectieve noodzakelijkheid’, waarvan u spreekt, ook zelf. En ik wil ook aannemen dat u, vanuit uw overtuiging, mij moest bestrijden. Dat zal wel niet anders kunnen. Maar mijn protest was daartegen, dat u niet mij bestreden hebt, doch iets wat onder uw interpretatie daaruit is geworden. U zegt: het is niet genoeg, dit te beweren; ik zou het moeten aantonen. Ja, moet ik dat nog aantonen, dat een natuurlijk evenwicht iets anders is dan een ‘evenwichtig naspreken van de inhoud der Schrift’, wat toch zal moeten betekenen dat, zoals ik zeide, de verschillende kanten der bijbelse verkondiging zo tot hun recht komen als het bedoeld is?5 i.e.: in die verhouding worden geplaatst die zij naar de bedoeling van het goddelijk Woord hebben? Het is toch duidelijk, dat het hier niet om een natuurlijk evenwicht gaat. (Newman zelf is trouwens naar mijn voorstelling geen voorbeeld van dat ‘bijbelse evenwicht’). Het is waar dat u op het door mij sub 4 genoemde punt (de Neoplatonische invloed)6 niet heel categorisch hebt geschreven. De zorgvuldigheid van uw betoog is mij ook niet ontgaan. U spreekt in uw brief nog over de traditie, en zegt dat men zich niet door de historie als zodanig moet laten bepalen. Ik heb dat tot nog toe ook niet gedaan. Toch maakt het feit, dat dit alles (het dogmatisch complex waarover mijn Newman-werk handelt, en ook de sacramenten) eigenlijk zover men terug kan zien door de Kerk in ‘katholieke’ zin verstaan is, op mij wel een diepe indruk.+ Omdat ik geloof aan Gods leiding in de Kerk. Toch is het zoals u mij schrijft: de waarheidsvraag moet men ook dan nog stellen. Ik doe dat ook. En voor de Sacramenten schijnt zij mij redelijk onoplosbaar. Er zal hiermee tenslotte maar één weg zijn: afwachten totdat men innerlijk de vaste zekerheid heeft dat het zo, en niet anders, bedoeld is. Het is er voor mij, naar het schijnt, voorlopig ver vanaf dat ik die zekerheid zou hebben. Mijn aarzeling, waarvan u spreekt, betreft echter geen ogenblik de rechtvaardigingsleer, of ook de vorm der praedestinatieleer, of de vraag der natuurlijke theologie. Deze drie punten liggen voor mij vanaf het Newman-werk volkomen vast. En hierover kan men ook vanuit de Schrift en met behulp der rede tot klaarheid komen. Wat de sacramenten, en dan ook wat de Kerk betreft, is het in elk geval heel veel moeilijker - het schijnt mij zelfs, onmogelijk. Daar blijft altijd een marge, waar men een sprong moet doen. Dat ik daar nog niet toe kan komen, en misschien nog lang niet zal kunnen komen, maar telkens nog een soort van vrees heb, dat de rooms-katholieke kerk toch niet volstrekt waar is, toch niet volkomen wat zij pretendeert, zal wel zijn reden hebben in mijn diepe gehechtheid aan onze protestantse wereld. Ik kom eenvoudig niet los van de Kerk, waarin ik gedoopt ben, en wier leden mij zo dikwijls en zo zeer tot voorbeeld zijn geweest in geloof en leven. Wanneer u mij nu aanspoort nogmaals de gronden te beproeven, dan moet ik antwoorden: de drie punten waarover het in mijn Newman-werk gaat, liggen voor mij vast. Over de twee eerste heb ik nogmaals geschreven in mijn artikel over E. Böhl,7 over het laatste enigszins in mijn pasgeschreven artikel over de theologische faculteit aan onze universiteiten, dat ik u t.z.t. hoop toe te zenden (in het Tijdschrift voor Wijsbegeerte).8 Wat de Sacramenten betreft kom ik uiterst moeilijk tot klaarheid. Het was mij echter over de hele linie een behoefte met eigen ogen te zien hoe de Kerk van het begin af aan dit alles verstaan heeft. Vandaar dat ik van plan ben mij langdurig bezig te houden met de studie der Oude Kerk.Ik ben daar in de zomer van 1939 mee begonnen en zou mij na verloop van tijd gaarne op de grote dogmatici van de 4e eeuw willen concentreren. Dat is natuurlijk een zaak van jaren. Maar het schijnt mij toe dat men in zijn leven niets waardigers kan doen dan deze dingen, en ik denk wel dat dit mijn ‘levenswerk’ zal worden - behalve dat ik ook graag nog eenmaal de filosofische achtergronden zou willen nagaan. Enigszins word ik daar nu al toe gedreven door het verschijnen van Philosophie und Sophistiek, het nieuwe werk van mijn oude vriend en leermeester prof. Ovink,9 en ook door andere uitlatingen, hetzij geschreven of gesproken van de zijde van min of meer door Barth beïnvloede theologen. Wat nu mijn aarzeling t.o.v. de katholieke kerk betreft, ik achtte die noodzakelijk en naar de aard der zaak langdurig. In zoverre ben ik rustig met mijn Griekse patres bezig, en is mij de kerkvraag niet direct acuut. De laatste tijd echter is er iets merkwaardigs, dat mij weliswaar niet direct beinvloedt, maar toch zeker wel indruk op mij maakt. Ik mag u daar, geloof ik, wel iets van zeggen. Mijn goede oude vriend prof. Ovink is sinds deze zomer, deels door persoonlijk leed, deels ook doordat de tijdsomstandigheden hem sterk hebben aangegrepen, psychisch nogal ziek geweest. Hij is nog in een sanatorium voor dergelijke patiënten hier in de buurt (Loosduinen). Ik kom daar geregeld elke week een middag bij hem, en wij kunnen nu, sinds het ergste voorbij is, prettig samen praten. Het schijnt dat hij gedurende deze ziekteperiode in zijn gedachten sterk is bezig geweest met de vraag naar het recht der reformatie en met de katholieke kerk. Bijna elke keer dat ik bij hem kom begint hij daarover. Meermalen heeft hij mij verzekerd dat hij over de katholieke kerk in deze maanden ‘zo anders’ heeft gedacht; dat het optreden der reformatoren toch verkeerd is geweest en dat de reformatie een ramp was voor de mensheid; dat het schisma niet gerechtvaardigd is, en dat de katholieke kerk eigenlijk in alle wezenlijke punten meer recht heeft dan het protestantisme. Hij gaat zelfs zover, dat hij soms zegt alsnog gaarne tot die kerk te willen overgaan. En ik heb de indruk dat het hem daarmee ernst is. Achter deze gedachten staat een diep sceptiscisme aangaande heel de geestelijke wereld van het protestantisme. Steeds krijg ik van hem de klacht te horen: bij ons hebben we tenslotte niets dan woorden. En als ik dit ontken en van mijn diepe gehechtheid aan deze protestantse wereld spreek, dan krijg ik ten antwoord: ‘de protestantse wereld - daar is niets dan abstractie en ruzie.’ En wanneer ik het probleem meer dogmatisch stel: ‘Op dit gebied is het meest absurde waar.’ Zo is dan Ovink, die door zijn persoonlijk geloof mij een jaar of 15 geleden de weg tot Christus heeft gewezen, nu op zijn hoge leeftijd door twijfel en wanhoop aan het protestantisme juist daar gekomen, waar ikzelf langs totaal andere weg, nl. door dogmatische bezinning en kerkhistorische studie, bezig ben te komen. Bij hem komt dat voort uit scepticisme betreffende het dogma en rationele vormen. Practisch leeft hij sinds jaren buitenkerkelijk. Ons kerkelijk leven laat hem volstrekt onbevredigd, ja is hem zelfs onmogelijk. Zijn uitspraken zijn nu, wat de katholieke kerk betreft, verbazingwekkend veel apodictischer dan de mijne - terwijl ik eigenlijk, objectief gesproken, veel meer gronden heb om deze keuze te doen. Eigenlijk is het zo, dat dergelijke (rationele ‘gronden’ hem volkomen onverschillig laten, maar zijn innerlijk los-zijn van het protestantisme drijft hem naar de katholieke kerk. Terwijl ik, juist omgekeerd, lang en zorgvuldig strijd om de rationele gronden en daarin geen duimbreed onveroverd toegeef, maar, ook wanneer ik die gronden eigenlijk al heb, mij sterk teruggehouden voel door mijn gehechtheid aan het protestantisme. Ik geloof zozeer aan het ‘geloof ’ van deze protestantse wereld, dat ik het oordeel van heresie toch eigenlijk niet heb kunnen uitspreken, ook waar ik het, strikt gesproken, had moeten doen. Het schijnt wel zo te zijn, dat men eerst dan met volle overtuiging ‘rooms’ kan worden, wanneer men het protestantisme werkelijk is gaan haten als heretisch en onwaar. In zoverre is Ovink er dan dichter bij dan ik - ondanks de kwestie der solide rationele gronden. U voelt uit dit alles hoe pijnlijk het mij moet zijn met een predicaat als ‘gereformeerd-malcontent’ te worden aangeduid. Ik heb om de waarheid Gods gestreden, en ben zeer tegen mijn wil genoodzaakt geweest daarmee te protesteren tegen het dogma van onze eigen kerk. Dat valt mij waarlijk niet licht. Ik wil nog graag even iets zeggen over de z.g. ‘liturgische kwestie’. U noemt uw discussie met Van de Pol en prof. van der Leeuw.10 Ik heb die niet gevolgd. Eigenlijk staat de liturgische beweging in onze kerk ver van mij af. Ik heb er nooit iets voor gevoeld, omdat ik er steeds de willekeur van bepaalde private personen in zag. Maar afgezien daarvan, de eigenlijk belangrijke vraag kan toch nooit die naar liturgische vormen zijn binnen het kader van het gereformeerde protestantisme. De eigenlijke vraag doorbreekt toch dit kader: de vraag of niet de Sacramenten zo bedoeld zijn als de katholieke kerk ze verstaat. Als onze liturgische beweging deze vraag a priori uitsluit, is zij in de grond onverschillig. En als ik ooit tot de zekerheid kom dat het werkelijk ‘zo bedoeld’ is , dan - ja, dan is in principe de kerkvraag ook beslist. Een houding als van Van de Pol, die sinds jaren door en door katholiek dacht en ook het sacramenteel beginsel in katholieke zin aanvaardde, vond ik eenvoudig onklaar en niet te verdedigen. Nu moet ik dit epistel besluiten. Het heeft mij goed gedaan zo open en zo wezenlijk met u te mogen spreken. Mocht u in dit alles nog iets vinden waarin u mijn gedachtengang of wat dan ook verkeerd acht, dan zal ik u zeer dankbaar zijn als u het mij wilt schrijven. Misschien zullen wij viva voce dit gesprek nog eens mogen voortzetten. Maar hoe dit zij, ik zal u steeds zeer dankbaar blijven voor uw antwoord op de toezending van een stukje, dat volgens anderen ‘erg scherp’ was, en van een brief die ik u nauwelijks heb durven schrijven. Met de meeste hoogachting, uw
C.J. de Vogel.
(AN)