665. H. Kraemer1 aan O. Noordmans2
Leiden, 13 januari 1941
Waarde Noordmans,
U hebt mij zeer verheugd met uw schrijven van 30 december.3 Ik had u reeds eerder willen schrijven, maar doordat ik ter voorbereiding der Classicale Vergaderingen van 15 januari4 op reis ben geweest, is dat blijven liggen. Ik meen uit uw brief te kunnen afleiden dat u en ik elkaar toch goed begrijpen, ook al leggen wij in sommige opzichten verschillende accenten. Zoals u terecht opmerkt is, wat wij nu begonnen zijn, een voortzetting van wat reeds begonnen was. De gedachten, die in mijn stuk5 uitgesproken zijn, zijn op zichzelf niet nieuw. Velen zijn reeds op allerlei gebied werkzaam geweest om dergelijke gedachten een concrete belichaming te geven. Wanneer er van iets nieuws gesproken zou kunnen worden (waarop ik overigens niet de minste prijs stel), dan is het m.i. daarin gelegen dat wij, nu consequent ons latende leiden door bepaalde bijbelse grondgedachten over wat de kerk en de gemeente is en daarom moet willen zijn, ons nu rechtstreeks wenden tot de officiële en bestaande organen der kerk,6 opdat die zullen functioneren niet overeenkomstig wat zij willen of kunnen, maar op grond van een nieuwe gehoorzaamheid aan wat zij eigenlijk moeten zijn. Verder zoudt u misschien het nieuwe kunnen noemen dat ikzelf hierin op het ogenblik een voorname rol speel,7 want ieder mens brengt nu eenmaal, ondanks het gebruik van reeds bestaande inzichten en voornemens, een eigen persoonlijk accent mede en een eigen aanpak. Het heeft echter geen waarde hierin het nieuwe te zoeken, daar men in dit licht natuurlijk elk ondernemen wel nieuw kan noemen, omdat dat weer door bepaalde mensen voornamelijk gestuwd wordt. Eigenlijk meen ik met deze korte zinsnede reeds de voornaamste punten van uw brief beantwoord te hebben. U waarschuwt mij er enigzins tegen om als programmapunt te nemen: de levende kerk.8 Ik kan geheel instemmen met wat u zegt over het gevaar daarvan. Elk belangrijk ding, dat men zegt of doet, vooral wanneer daarin de kracht van het Evangelie gemengd is, heeft gevaar. Ik meen ook dat ik daarvoor niet blind ben. Toch geloof ik dat wij het wel mogen wagen, want ik bedoel die term eigenlijk helemaal niet als een programmapunt. Om het nog scherper te zeggen: goed bezien houd ik er helemaal geen programmapunten op na. Naar mijn eigen overtuiging werk ik niet met programmapunten, maar met het eenvoudig constateren van werkelijkheden, die de bijbel voor ons stelt en waaruit we moeten gaan leven en ons door moeten laten richten en oordelen.9 Bovendien heb ik de overtuiging dat het grootste deel van de gewone leden der kerk, waarin een verlangen leeft, dat de kerk werkelijk iets reëels zal zijn, hartstochtelijk verlangt naar een levende kerk en in dat hartstochtelijk verlangen zich goede christenen betoont. Mijn rondzwerven over de wereld, waarop u doelt, en de ervaring die ik heb opgedaan in de verschillende landen met kerk en christendom, hebben mij wel zeer onder de indruk gebracht, dat de Nederlandse christenheid, de Nederlandse Hervormde Kerk en onze Nederlandse theologen niet minder, ten zeerste behoeven om zowel op een verpletterende als op een regenererende wijze onder de indruk te komen van het woord van Jezus: ‘Niet een iegelijk die tot mij zegt Here, Here, zal ingaan in het Koninkrijk der Hemelen, maar die daar doet de wil mijns Vaders, die in de hemelen is.’10 Dat is het waarover ik en vele anderen denken, wanneer wij zo nadrukkelijk spreken van levende en apostolische kerk. Hiermede heb ik ook reeds uw bezwaar t.a.v. het ‘ab ovo’11 beantwoord. Ik wil in het geheel niet met u een discussie aangaan of het juist is dat u in mij meent te ontdekken een man, die door zijn zendingspraktijk nu wellicht teveel Nederland ziet en behandelt alsof het een zendingsland ware, waar alles nog moet beginnen. Het is zeer goed mogelijk dat u daarin gelijk hebt en ik zal er in het vervolg ook op letten, opdat ik in dit opzicht geen onnodige fouten bega. Afgezien echter van deze kant van de zaak zou ik willen uitspreken dat het er in Nederland wel degelijk om gaat ‘ab ovo’ te beginnen en dat wij in Nederland, ondanks het rijke verleden dat wij hebben en dat ik tenvolle en dankbaar erken, in een veel aangrijpender zin dan de meeste ambtsdragers en christenen vermoeden, tot een zendingsland geworden zijn. Als de kerk voor één ding nog uit een diepe slaap moet ontwaken dan is het voor de verschrikkelijke waarheid, dat Nederland een ontkerstend land is. De scharen in Nederland zijn veel meer ontkerstend en, als ik het woord mag gebruiken, veel meer ontgodsdienst, dan enige schare in Afrika of Azië. Dat is de reden dat ik in mijn stuk met monotone kracht hamer op de nood der wereld, die een m.i. gelijkwaardig object van vurige toewijding moet zijn als die van de kerk en de gemeente zelf. Het is een van de verschrikkelijkste dingen van onze kerk en van de meeste theologen en predikanten dat zij hierover niet ontzettend verontrust zijn. Wij moeten in Nederland inderdaad ook in de kerk “ab ovo” beginnen in deze zin, dat men met overtuiging moet gaan vragen naar wat de bijbel ons voortekent dat wij zullen zijn, en naar die nood van de wereld, waarover men zo weinig verontrust is. Dit is natuurlijk een ander ‘ab ovo’ dan u bedoelde, maar ik vind uw uitdrukking, zoals zo vaak, een voortreffelijke om die verder te gebruiken met het oog op wat ik zoëven uiteenzette. Nogmaals mijn hartelijke dank voor uw brief. Met hartelijke groeten, uw,
H. Kraemer.
(AN)