658. C.J. de Vogel1 aan O. Noordmans
Den Haag, 1 december 1940
Hooggeachte Dr. Noordmans,
U zult verwonderd zijn een schrijven van mij te ontvangen. Immers als uw artikel2 over mijn Newman-werk3 mij daartoe aanleiding gaf, had u dat eerder mogen verwachten, of anders in het geheel niet. En eigenlijk was het ook niet mijn voornemen u persoonlijk te schrijven, daar ik dat artikel niet toegezonden heb gekregen en er het bestaan in het geheel niet van vernomen zou hebben, als ik niet toevallig dit voorjaar met prof. Kraemer4 in aanraking was gekomen, van wie ik heel terloops hoorde dat het verschenen was. Ik heb toen de uitgever verzocht mij een exemplaar toe te zenden, wat na enige vertraging ook geschied is. Ik neem natuurlijk gaarne aan dat dit verloop niet uw bedoeling was. Maar het zal u toch wel mijn zwijgen kunnen verklaren: als men iets niet persoonlijk toegezonden krijgt, acht men zich ook niet geroepen persoonlijk te antwoorden. Intussen heb ik mij na de eerste lezing wel afgevraagd of ik niet verplicht was tot een zakelijk antwoord. In geen geval zou ik dat bedoelen als een poging om discussie uit te lokken. Ik weet dat u en ik van mening verschillen over een punt, waarover men, juist daar mijn overtuiging tegen onze kerkelijke traditie ingaat, het uiterst moeilijk eens wordt. De strijd daarover heb ik in mijn boek gevoerd. Wij behoeven niet opnieuw te beginnen. Iets anders is, dat, als iemand, hetzij door misverstand, hetzij door vergissing, onjuiste argumenten gebruikt met tamelijk belangrijke consequenties, men daar toch eigenlijk wel, zij het zo sober mogelijk, op wijzen mag, en, strikt beschouwd, zelfs op wijzen moet. En dat was eigenlijk hier het geval. Toch, wetende, dat het niet gemakkelijk is zich van deze taak te kwijten zonder een onaangename indruk te maken, heb ik een tijdlang geaarzeld, en, ook al doordat ik voortdurend zeer in beslag genomen was door nieuw werk, de zaak voorlopig laten liggen, hoewel steeds met het idee dat het ‘toch eigenlijk moest’. Zodra dan begin november een meer dringend werk af was, heb ik uw artikel herlezen en mijn bezwaren tegen uw argumenten zo kort mogelijk uiteengezet. De herlezing van uw artikel gaf mij nogmaals sterk de indruk, dat u bij uw bespreking van mijn boek niet onwelwillend bent te werk gegaan. Integendeel. Des te meer verwonderen mij, ook nu nog, uw argumenten. En dat is nu de moeilijkheid: u zult mij misschien erg ondankbaar vinden als ik u eerlijk zeg welke mijn indruk is van uw betoog naar zijn zakelijke betekenis. Laat mij het dan objectief mogen zeggen: uw hoofdargument, waarop eigenlijk uw hele redenering berust, is onjuist, daar het de term ‘evenwicht’ losmaakt uit het verband waarin ik hem heb gebruikt, en er bij gevolg een geheel andere zin aan hecht dan hij bij mij heeft. Ik heb n.l. waar het de inhoud van het dogma betreft nooit gesproken van een evenwicht zonder meer, zodat u van ‘natuurlijk evenwicht’5 zoudt mogen spreken. Steeds ging het bij mij om een evenwichtig weergeven of naspreken van het getuigenis der H. Schrift. Dat is iets anders. Het is niet dat men de begrippen ‘heiligmaking’ of ‘verantwoordelijkheid’ ter ene zijde in een weegschaaltje legt, en ‘rechtvaardigmaking’ of ‘genade’ in het andere, en dan de ‘hoeveelheden’ zorgvuldig aan elkaar gelijk maakt. Maar het is een eerlijk pogen de zin der bijbelse verkondiging naar haar bedoeling te verstaan en weer te geven, zo dat die verschillende kanten daarin de plaats hebben, die hun naar Gods bedoeling toekomt. Nu kunnen u en ik van mening verschillen over de vraag of dit in de gereformeerde dogmatiek het geval is, ja of neen. Maar het verschil tussen ons zit niet daarin, dat het mij om een ‘natuurlijk’ evenwicht zou gaan en u om de geestelijke waarheid der heilige Schrift. Dit is volstrekt niet mijn enige bezwaar tegen uw betoog, maar wel een heel belangrijk. Ik heb ook nog enkele andere punten kort besproken, en tenslotte geantwoord op de vraag die u mij in het openbaar gesteld hebt: waarom dit boek toen geschreven moest worden, waarom niet (eventueel) later.6 Wat mij betreft, wanneer u mij dit in het openbaar vraagt, wil ik u gaarne in het openbaar antwoorden. Ik heb dat dus gedaan en het stukje aan het adres der redactie van Woord en Wereld toegezonden. Toen ik een week daarna Mr. Patijn7 door de telefoon sprak, gaf hij mij in overweging aan u persoonlijk te schrijven. Ik doe dat dan nu ook. Maar als ik het dan nu doe, dan liefst ook volkomen eerlijk. De heer Patijn heeft mij gezegd, dat mijn stukje u onaangenaam zou zijn. En nu stel ik mij voor, dat ik persoonlijk bij u kom en tegenover u zit en - nu ja - kan men iemand dan maar plompweg zeggen: ‘Ik heb dat artikel van u moreel ellendig gevonden. Het was mij niet toegestuurd, dus ik heb gezwegen. Maar ik heb het met moeite gedragen, met meer moeite, veel meer, dan het feit, dat zowat de hele oplaag van dat boek in de oorlog verbrand is. Ik heb het erg gevonden, omdat uw argumenten de zaak verkeerd voorstellen, en omdat ik weet dat de lezers u geloven meer dan mij.’ Kan men iemand zoiets zeggen? Als men tegenover iemand zit, ja, dan wel. Als men het op papier moet schrijven, dan in elk geval veel moeilijker. Ik kan u dus alleen vragen: wilt u dit schrijven opvatten als een verklaring mijnerzijds dat ik niet op onheuse wijze wil antwoorden op uw artikel, waarvan ik overtuigd wil zijn dat u het niet onwelwillend tegenover mij geschreven hebt? Maar dat ik gaarne met uw goedkeuring in zo kort mogelijke bewoordingen de door u aangevoerde argumenten zou willen recht zetten, voorzover ze woorden of gedachten van mij of ook van Newman nemen in een zin die vreemd is aan de bedoeling van hun auteur. Ik zou dat willen doen terwille van de zaak: omdat anders de lezer, die mijn boek niet kent en a priori meer geneigd is vertrouwen te hebben in u, een scheve voorstelling zou krijgen. Het spreekt vanzelf dat ik daarbij opmerkingen die mij meer persoonlijk raken geheel terzijde laat. Zoals wanneer u begint met te zeggen dat de toon van mijn boek u hier en daar herinnert aan Augustinus8 - maar aan Augustinus voor zijn bekering. E.q.s. Of wanneer u mij als ‘gereformeerd-malcontent’ kwalificeert.9 Deze dingen laat ik in dat stukje geheel terzijde. Het gaat mij daar om een zuivere redenering, om een juiste voorstelling van zaken, zo objectief mogelijk. En ik zou u werkelijk van harte dankbaar zijn als u, als redactielid van Woord en Wereld, deze correctie van mijn kant wilt aanvaarden. Ik heb het bedoelde stukje nu van de heer Patijn teruggevraagd en hoop het u zelf dezer dagen toe te zenden.10 Met de meeste hoogachting Uw
C.J. de Vogel.
(AN)