Het Algemeen Handelsblad (17.10.1935) gaf dit verslag van de rede van Aalders: ‘De promotor... herinnerde, hoe de heer Noordmans lang op zich had laten wachten en eerst omstreeks 1920 was gaan schrijven. Deze terughouding berustte op zijn eerbied voor de stof en de vragen der theologie en zijn critische, bijna ascetische houding. Zijn werk was dan ook bijna altijd gelegenheidswerk, geboren uit de ontmoeting met een bepaalde behoefte. Daarbij had hij zich doen kennen als een zelfstandig en oorspronkelijk denker, niet in die zin, dat hij geheel alleen stond, maar dat hij zichzelf gevormd had volgens eigen aanleg en methode. Hij placht van meet aan over de hoofden der velen heen de geestelijk groten te zien en te groeten: Paulus en Augustinus. Thomas en Calvijn, Plato en Spinoza, Dante en Dostojewsky. In de tegenwoordige crisis, met haar eis van ‘eine Revision der Grundbegriffe’ (Heidegger), waarbij naar de primaire levenswerkelijkheid wordt teruggegrepen, van het bewustzijn tot het zijn, van het subject tot het object, neemt de theologie op hare wijze aan de beweging deel. Zij wil theologie zijn, zich niet beperken tot het psychologische, historische, anthropologische, maar zich richten naar en volgens God. Noordmans heeft op zijn wijze aan deze zwenking deelgenomen, wel in aanraking met de Zwitserse theologie, maar tegelijk op oorspronkelijke, Nederlandse wijze, in verband met de theologie en het geestelijk leven ten onzent. Zijn bundel Geestelijke Perspectieven getuigt hiervan. Ook zijn studie over Augustinus en laatstelijk zijn Herschepping. Hij doet dit op zijne wijze: sprongsgewijze, hartstochtelijk, meer in de vorm van flitsende artikelen, dan van een effen standaardwerk. Hij heeft bezieling gewekt voor de theologie bij jongeren en ouderen. Zonder een school te vormen is hij een geestelijk leider, de docent van velen vóór hij de Venia docendi in de vorm van de doctorstitel ontvangt. Zulke dragers der wetenschap ook buiten het universitaire verband zijn van onschatbare waarde. Daarom stelt de universiteit van Groningen er een eer in zijn wetenschappelijke verdiensten te huldigen. Zulk een hulde schept niet iets, wat niet was; zij erkent slechts wat is. Maar deze erkenning heeft waarde. Zo moge deze doctorale waardigheid een prikkel vormen tot voortgezette wetenschappelijken arbeid, waarbij de eer van haar te ontvangen slechts geëvenaard wordt door de eer van haar te verlenen.’ Het Nieuwsblad van het Noorden citeerde (17.10.1935) W.J. Aalders: ‘Elke stof zoekt vorm. Edel goud wil gemunt worden. Daarom acht ik het een voorrecht, dat wij uw wetenschappelijke verdiensten op deze wijze kunnen erkennen. Deze hulde schept niet, wat niet is, maar erkent wat is.’ De dankrede van ON is opgenomen in VW 4, 13-17.↩