703. J.N. Bakhuizen van den Brink1 aan O. Noordmans
Leiden, 31 januari 1943
Waarde Noordmans,
Van harte wens ik u geluk met uw ambtsjubileum. Ik doe dat ondanks het feit, dat hiermede een fatale termijn aangebroken is, waartegen gijzelf veel bezwaar hebt. Ge ziet in ieder geval terug op een mooie reeks van jaren in kerkelijke en theologische arbeid, die van bijna niet geëvenaarde hoedanigheid en omvang is. En wat dan de toekomst ook brenge, dit bezit blijft onvervreemdbaar en is ook in alle omstandigheden even vruchtbaar. Ik behoef u niet te zeggen, dat ge ook ver buiten Laren uw gehoor hebt en houdt. Dezer dagen kreeg ik het circulatie-exemplaar van de bundel voor Aalders.2 Ik zal u vanavond vieren door uw bijdrage3 te lezen. Het speet mij, dat op onze laatste bijeenkomst te Utrecht,4 terwijl ge druk bezig waart om de discussie door een stevige opbouwende critiek aanvallenderwijs op het meest gewenste peil te brengen, zij door onze practicus5 abrupt in een andere richting werd getrokken. Het bleek mij, dat ook Barge,6 met wie ik weg moest, dit jammer vond. Ik hoop niet, dat ook hier weer een of andere declaratie of manifest opgesteld zal worden; er zullen er t.z.t. te veel komen. Met hartelijke groeten, tt.
J.N. Bakhuizen van den Brink.
(AN)