Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Jaren Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9B, Laren Gld.

Weergave
Passages naar Readwise sturen

637. J.N. Bakhuizen van den Brink1 aan O. Noordmans

L(ugdunum) B(atavorum), 28 juli 1939

Waarde Noordmans,2

Het is mij volslagen onbegrijpelijk, hoe gij de laatste alinea van mijn artikeltje in de Vox Theologica3 zo verkeerd kunt uitleggen als in uw brief,4 die ik heden in dank ontving, geschiedt. Ik spreek in de gewraakte passage van ‘wij theologen’ en doe een beroep op allen. Aan een onderscheid tussen professoren en predikanten denk ik nergens; wel aan een onderscheid tussen theologen mèt kennis van zaken, die gidsen zijn, en theologen zonder kennis van zaken, die dat niet zijn en hun ongeschiktheid achter het masker en in het optreden van Cerberussen afreageren. Waar staat dat ‘de professoren alleen gidsen mogen zijn ten opzichte van het christendom en de predikanten... tot nijdige poortwachters werden gepromoveerd?’ Ik roep juist méér gidsen op. Misschien had ge niet moeten schrijven ‘het Christendom’; mijn onderwerp was de historische theologie. Wat nu verder de aanleiding tot uw brief betreft, het volgende. Ik heb intussen lang genoeg over de zaak5 nagedacht en zal in overleg met de uitgever vier teksten der confessie geven, of liever drie:

1. De confessio gallicana.6

2. Confession des Pays Bas naar Dordt, met de varianten 1561, 1580 (= 1566) en 1611.7

3. Confessio belgica, naar Dordt, dus tekst Hommius uit de Acta; gecorrigeerd naar Revius 1627 en misschien varianten uit de Harmonia conf[essionum].8

4. Ned. Geloofsbelijdenis naar Dordt in De Vries en Te Winkel-spelling,9 met teksten naar de Statenvertaling en eindeloze varianten van 1562-66, 1583, 1611.10 Deze tekst lijkt dus zeer op die van Van Toorenenbergen, Kuyper, Rutgers, Gooszen, Los,11 en zal noodwendig gebukt gaan onder een zeker subjectivisme, wat aangaat ’t gebruik van enkele woorden en woordschikkingen.

Ik heb alle verdere overwegingen uit mijn vorige brief dus ten aanzien van deze Nederlandse tekst op zijde gezet, omdat het toch wel gewenst leek, dat deze vierde tekst met de bekende tekst uit kerkboeken, enz., zou overeenkomen. Gij kunt Van Toorenenbergen of een der anderen (niet Los) ’t best citeren,12 misschien is eventueel later dan slechts een kleinigheid te corrigeren. Wanneer ge mijn tekst te zien krijgt, weet ik niet. De samenstelling der vier kolommen is een echt monnikenwerk en monniken leven buiten de tijd. Bovendien heb ik de Catechismus en de Canones ook te doen.13 Ik heb er maar van afgezien om bijbelteksten (en talloze toespelingen) nog verder te moderniseren naar Obbink14 of een ander. Tenslotte nog dit. De uitgever vroeg mij er ook enig dogmenhistorisch commentaar in te brengen. Ik doe dat niet: 1. omdat ik dit de taak des commentators vind; 2. omdat mijn deel dan àl te belast zou worden, het zal er toch al erg genoeg uitzien. Ik deel u dit mede om duidelijk te laten worden, dat er dus niets van voor uw voeten weggemaaid is, maar ook om er op aan te dringen, dat bij de studenten en uw verdere lezers, die ‘tekstcritische’ editie van deze professor enigszins aannemelijk make, door uw theologische behandeling. Met hartelijke groeten, tt.

J.N. Bakhuizen van den Brink.

(AN)

Noten

  1. 1

    J.N. Bakhuizen van den Brink, zie brief nr. 537 (17.10.1935), n. 1.↩

  2. 2

    Zie de brieven nr. 537 (17.10 1935) en nr. 631 (12.7.1939).↩

  3. 3

    ‘Geschiedenis des Christendoms’ in: Vox Theologica 10 (1938/39) nr. 4, 91-103. Bakhuizen van den Brink eindigt zijn artikel met een pleidooi, dat theologen ‘grondig historisch geïnstrueerd’ dienen te zijn: ‘... Het is ook een deel van de taak der theologen om in de wereld, waarvoor zij gesteld zijn, de schatten der christelijke beschaving te bewaren. Zij moeten de vakmensen daarbij zijn en weten, dat bewaren niet betekent wegsluiten, maar doen leven. ‘Onze tijd’ heeft niets aan christelijke Cerberussen, die met een somber gezicht de gewone cultuurmensen buiten de heilige halle der historische theologie weren, meestal trouwens omdat zij zelf niet veel meer dan portiersbekwaamheid hebben en geen gidsen kunnen zijn. Er is echter grote behoefte aan de ware theologische Cicerones, die kunnen rondleiden door de hun toevertrouwde schatten, ik bedoel niet slechts populariseren (‘vulgariser’, zeggen de Fransen, wat voor een Hollands oor een waarschuwende bijklank heeft), ook niet de schatten tot het publiek brengen, maar de mensen tot de schatten. ‘De geschiedenis des Christendoms’ bergt er onnoemelijk veel en van de allerbeste. Als wij, theologen, het niet doen of niet kunnen, wie dan?’↩

  4. 4

    Deze brief is onbekend.↩

  5. 5

    De inrichting van ‘De belijdenisgeschriften’; zie brief nr. 631 (12.7.1939) en J.N. Bakhuizen van den Brink De Nederlandsche Belijdenisgeschriften (Amsterdam 1940), 39vv.↩

  6. 6

    Confessio gallicana = de Franse geloofsbelijdenis.↩

  7. 7

    Conf. des Pays Bas (var.), zie Bakhuizen, a.w., 41v.↩

  8. 8

    Zie Bakhuizen, a.w. 9v., 21v., 41v.↩

  9. 9

    Bedoeld wordt de spellingsregeling ontworpen in 1863 door Matthias de Vries (1820-1892) en Jan te Winkel (1847-1927) ten behoeve van het door hen te bewerken Woordenboek der Nederlandsche taal.↩

  10. 10

    Varianten 1562-66, 1583, 1611, zie Bakhuizen, a.w. 19-24.↩

  11. 11

    Zie brief nr. 634 (12.7.1939).↩

  12. 12

    Uit deze brief (zie vooral het slot) blijkt dat ON ook van plan was omtrent de belijdenisgeschriften te publiceren. Vgl. brief nr. 639 (30.12.1939). Een aantal geschriften rond dit onderwerp zijn opgenomen in VW 2: enkele manuscripten van lezingen (354-400) en Het koninkrijk der hemelen. Toelichting op de Heidelbergse catechismus zondag 7-22, (Nijkerk 1949), (VW 6, 433-551). Het koninkrijk ... verscheen in een reeks over de Heidelbergse Catechismus, die was geopend met: K.H. Miskotte, De blijde wetenschap (Nijkerk 1947).↩

  13. 13

    Heidelbergse Catechismus en Dordtse Leerregels; zie: Bakhuizen, a.w. 25-39; vgl. brief nr. 631 (12.7.1939).↩

  14. 14

    Modernisering naar Obbink = de bijbelvertaling van Obbink/Brouwer.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 636. P. Scholten aan O. NoordmansLaren Gld.638. Ph. Kohnstamm aan O. Noordmans →