630. W.H. van de Pol1 aan O. Noordmans
Utrecht, 13 juni 1939
Zeer geachte ds. Noordmans,
Het verheugt mij een brief van u te hebben ontvangen en opnieuw te bemerken, dat wij bij alle verschil elkaar toch altijd weten te waarderen en te begrijpen. Dat uw boek een ‘cri de coeur’2 is, die na wat u in Hemmen en elders op liturgisch gebied hebt meegemaakt, niet kon uitblijven, merkte ik bij het lezen aanstonds, en ik heb dan ook in mijn verschillende artikelen3 duidelijk laten uitkomen, dat uw boek allereerst als zodanig (en niet als een louter informatorisch of wetenschappelijk bedoeld geschrift) moet worden gezien en gewaardeerd. De critiek viel mij ditmaal zeer moeilijk, waar u niet alleen zoveel ouder bent, maar ook een zoveel dieper, knapper en meer belezen theoloog. Waar ik er dan ook op gewezen heb, dat u meer dogmaticus dan liturgioloog bent, heb ik dat stellig ook gedaan bij wijze van verontschuldiging, dat ik u op sommige punten zo pertinent meende te moeten tegenspreken. Dat zou ik niet gewaagd hebben als het een dogmatische kwestie betrof. Mijn bezwaar, als ik het zo noemen mag, ligt niet hierin, dat ik zou menen, dat u zoveel minder belezen zoudt zijn in de materie van de liturgie dan ik en dus b.v. eigenlijk geen recht van spreken zoudt hebben. Daar heb ik geen ogenblik aan gedacht. Eerder is mijn bezwaar dit, dat u in deze materie te veel belezen bent zonder dat er een langdurig en veelzijdig persoonlijk contact met de liturgie van andere kerken bijkomt. Op dogmatisch terrein kan men met enkel belezenheid een heel eind komen. Met liturgie is het meer gesteld als met de kennis van landen en volken: men kan het niet uit boeken halen en men moet er niet over schrijven zonder ‘er geweest’ te zijn. Zo ben ik er b.v. van overtuigd, dat als wij samen eens een behoorlijke tijd naar Engeland zouden gaan en b.v. in een 40 à 50 willekeurig gekozen, anglikaanse, wesleyaanse, congregatio-nalistische kerken e.a. de dienst zouden meemaken, u ervan versteld zoudt staan, hoe zelden het voorkomt, dat de liturgie invloeden van oosterse of rooms-katholieke zijde heeft ondergaan. Ik zou u in zulke kerken kunnen brengen, maar ze verdwijnen als enkelingen onder de massa. Wat de Engelsen in hun kerken zoeken is een geregelde, uitvoerige (liefst cursorische) lezing van het Oude en Nieuwe Testament en verder met psalmgezang en korte, klare en sobere gebeden. Van kaarsen enz. en van ceremoniën zijn de meeste Engelsen afkerig. Men vindt dit in enkele cathedralen en bepaalde centra van de Engelse liturgische beweging, maar deze on-calvinistische vloedgolf heeft reeds haar hoogtepunt achter zich. Ik blijf erbij, dat de diensten, zoals men die b.v. zondags door de radio kan beluisteren uit zeer verschillende kerkgenootschappen, als regel (behoudens een enkele uitzondering) sobere reformatorische diensten zijn, waarin men hoegenaamd niets kan aanwijzen, wat doet denken aan de mysteriesfeer van de Oosters-Orthodoxe kerken en evenmin aan de sacramentsmystiek van de rooms-katholieke kerk. Dat u op de preek ernstige critiek zoudt hebben, begrijp ik. Maar dit houdt niet met de liturgie verband, maar met de doorwerking van een humanistisch christendom, zoals men die in vrijwel alle landen en kerken kan aanwijzen. In vroeger eeuwen werd bij het gebruik van hetzelfde Book of Common Prayer4 dikwijls zeer lang en in elk geval zeer gereformeerd gepreekt. Dat is bij ons in zeer veel gemeenten evenmin het geval meer als in Engeland en toch hebben wij geen Book of Common Prayer. Daar kan de oorzaak dus niet liggen. Veeleer geloof ik juist dat de anglikaanse liturgie en het Book of Common Prayer een belangrijk tegenwicht vormen tegen de vervlakking in de prediking, een tegenwicht, dat wij missen. Mijn artikel over de Epiclese is het minst geslaagde.5 Ik heb in te kort bestek te veel willen zeggen en uit de feiten een keuze gedaan en deze gekozen feiten op een wijze gecombineerd, die misverstand heeft gewekt. Ik weet natuurlijk ook wel, dat in de zogenaamde Liturgie van Chrysostomus6 de epiclese op de inzettingswoorden volgt. Maar dit is dan ook een late liturgie. Oorspronkelijk was het blijkens gegevens uit Cyrillus en Irenaeus vroeger anders. Dit blijkt ook uit de papyrus van Der Balyzek.7 Het epiclese-gebed is in het Oosten ontstaan en bedoelt de Heilige Geest af te roepen op de gaven van brood en wijn. Hiertegen heeft Rome zich altijd verzet, omdat het Woord het teken maakt tot sacrament. Daarom zijn er sommige roomse geleerden, die ontkennen, dat er in de misliturgie een epiclese voorkomt, terwijl anderen een epiclese menen te moeten zien in het gebed volgend op de consecratie en anamnese (het gebed dus dat ik u geciteerd heb). Aangezien daarover verschil van mening bestaat sta ik op dit punt dus vrij zwak. Ik ben hierover aangevallen door Van den Brink,8 maar vooral ook omdat ik tegenover de oosterse liturgie ‘de zijde van Noordmans’ zou hebben ‘gekozen’, waarin hij een terugkrabbelen ziet. Dit is onjuist, want reeds enige jaren geleden heb ik een koptische eucharistie meegemaakt, die mij eens en voorgoed ervan overtuigd heeft, dat er een onoverbrugbare kloof gaapt tussen Oost en West. Hierin ben ik versterkt in Edinburgh,9 waar ik een oosterse dienst heb meegemaakt. Toen heeft Berkelbach10 het tegenover mijn besliste afwijzing van liturgie in deze mysterie-zin opgenomen voor het vele mooie dat er toch in was. (Dit was in een persoonlijk gesprek tussen ons beiden). Ik meen, dat ik over al deze dingen nog in hoofdzaak denk als 10 à 20 jaar geleden. Waarschijnlijk heb ik onder invloed van bepaalde liturgische lectuur mij hier en daar (b.v. in het Handboek)11 onklaar uitgedrukt. Wat ik bedoel is echter liturgie in nieuwtestamentische-oudchristelijke zin, niet beïnvloed door het oosters mysteriewezen noch door westerse middeleeuwse magische gevoelens: liturgie dus, die in geen enkel opzicht in conflikt is met het getuigenis, dat God door de profeten, door Christus en de apostelen van zichzelf gegeven heeft. Wij moeten niet terugvallen in algemeen religieuze, beneden-christelijke, heidense godsvoorstellingen. Ik doe u hierbij nog toekomen een artikel, dat ik schreef voor het Utrechts Nieuwsblad.12 Het tweede artikel van Woord en Geest13 krijgt u - als ik het goed begrijp - van andere zijde. Dat ik u geen artikelen heb toegezonden vindt zijn reden hierin, dat ik meende, dat u aan het Algemeen Weekblad, Kerkopbouworgaan en ook aan Woord en Geest meewerkte. Inmiddels verblijf ik met hartelijke groeten, steeds gaarne uw
W.H. van de Pol.
(AN)