687. W.H. van de Pol1 aan O. Noordmans
Nijmegen, 3 maart 1942
Zeer geachte ds. Noordmans,
Gaarne leen ik u voor een poosje enkele werken uit mijn verzameling.2 ’k Heb er echter erg in gestreept en hoop, dat u dit voor lief zult willen nemen. In verband met uw onderwerp zou ik uw aandacht speciaal willen vestigen op de volgende passages: 1. paragraaf 1, 8 en 9, Chapter V van de Essay on Primitive Christianity in Historical Sketches Vol. I, 417vv, en 438vv. 2. Essay on the Development of Christian Doctrine, vooral de ‘Introduction’ 2-32. 3. in Grammar of Assent 363/71 over ‘historische evidentie’ en het slot van het boek vanaf p. 486 paragraaf 10. 4. in Difficulties of Anglicans (309-315). 1 en 2 zijn uit Newmans anglicaanse periode; 3 en 4 uit zijn katholieke periode. Ook sluit ik hierbij in Guitton’s studie over Newman’s ‘geschiedfilosofie’.3 Mocht u nog een bepaald werk speciaal willen raadplegen: laat u het mij dan maar weten. Gisteravond heb ik hier met een tiental theologische studenten een voordracht van prof. Kraemer4 bijgewoond, die ongewoon diepe indruk op hen gemaakt heeft. Wij staan niet meer met de ruggen tegen elkaar, maar zullen samen schouder aan schouder voorttrekken tot Christus Zijn ganse kudde weer bijeen vergaart. Oremus pro invicem.5 Uw totus tuo in Christo,
W.H. van de Pol.
(AN)