793. D. Tromp1 aan O. Noordmans
Amsterdam, juli 1947
Hooggeachte dr. Noordmans,
Toen u, mede namens uw vrouw, mij in april uw briefje2 schreef, naar aanleiding van het artikel: ‘De Waarheid aan het sterfbed’,3 was ik daarmee erg blij. Er zijn van die dingen die men bijwijlen denkt, en eigenlijk niet zegt; en dan ineens zegt en achteraf zit je dan zelf ook weer opnieuw te luisteren wat door jezelf gezegd is. Zo ging het mij bij dat artikel. Maar uw briefje is mij een bewijs dat het meer dan een onderstelling en bewering is wat ik schreef.4 Ik heb wel een vermoeden hoe u niet alleen in gesprek is met het kruis, maar ook met uw kruis. Wij zijn gebrekkige hoorders; en wat wij horen verstaan wij slecht; en wat wij verstaan, dan kunnen wij nog maar slecht zeggen. ’t Zijn de verborgenheden van het koninkrijk. En dat hebben in ieder geval onze doden op ons voor, dat ze veel beter verstaan kunnen. Daarom is er altijd wel iets van verwondering om hen heen. Maar, ’t is al veel wanneer er bij ons eventueel sterfbed beloften Gods zijn, ook al verstaan wij deze niet of niet meer. Gods spreken en werken zijn zo bevrijdend; hoewel ze nooit iets - en ook juist daarom! - van de eigenlijke ernst en vreugde wegnemen. Ja, ’k was blij dat ik in Utrecht5 was. ’k Was blij u weer te zien als kerkvader. U weet, u wordt ouder. En ’t is niet gering om te moeten constateren, dat u geen opvolger heeft; misschien omdat er geen leerlingen van Gunning meer zijn. Bij u is de theologie nog zo voornaam! Bij die oudere kerkvaders loopt bij u ook nog de oude Cato en Herodotus mee! Wanneer ik deze zomer een beetje reizen kan, doe ik een poging om vanuit Twello bij u te komen. Een hartelijke groet, mede aan mevrouw, uw dw.
D. Tromp.
(AN)