792. A.A. van Ruler1 aan O. Noordmans
Hilversum, 5 juli 1947
Zeer geachte collega Noordmans,
Dank voor uw brief, geschreven in het stille uur der promotie.2 U hebt er bijkans een drama van gemaakt. Alle geesten waren onderweg, tussen Lunteren en Groningen. De liturgie en haar gestalten hebben meer recht op een plaats in de cultuur, dan in de kerk. Ik heb dit medeleven zeer op prijs gesteld. Aan al mijn leermeesters schrijf ik persoonlijk terug. De rest krijgt een gedrukte kaart. U neemt onder mijn leermeesters een zeer voorname plaats in. Van het begin af aan, ongeveer vanaf 1927, ben ik in hoge mate geboeid door uw wijze van beoefening der theologie. Ik kon niet terstond alles begrijpen. Dat kan ik nog niet. Ik hoop ook nog een aantal jaren te hebben om datgene, wat u geproduceerd hebt en produceert, te verwerken. Maar door datgene, wat ik er van begreep, heb ik mij steeds laten gezeggen. Ik werd er door aangeraakt. U hebt mede vorm en richting, ook inhoud gegeven aan mijn denken. Dat ik u daarna op de Kerkorde-commissie3 zo regelmatig en zo van dichtbij ontmoet heb, zal van beslissende betekenis zijn voor mijn gehele leven. Verschillen heb ik nooit opgemerkt. Hier en ginds liggen de dingen iets anders tussen u en mij. U bent van een andere generatie en hebt een andere afkomst en verleden dan ik. Maar mijn dankbaarheid en respect zullen nooit eindigen in dit leven. Met hartelijke groeten en hoogachting, Uw dw.
A.A. van Ruler.
(AN)